Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BA0258

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
13-02-2007
Datum publicatie
08-03-2007
Zaaknummer
WAHV 06-01271
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Sanctie opgelegd ter zake van "in een motorvoertuig achterin geen gordel gebruiken". In het onderhavige geval is niet aannemelijk geworden dat de zoon van de betrokkene tijdens het deelnemen aan het verkeer de gordel niet droeg. Inleidende beschikking vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 06/01271

13 februari 2007

CJIB 99091387213

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Almelo

van 20 oktober 2006

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Almelo ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 30 januari 2007. De betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. K. Tienstra.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van Euro 75,- opgelegd ter zake van "in een motorvoertuig achterin geen gordel gebruiken", welke gedraging zou zijn verricht op 16 januari 2006 om 8.26 uur op de Kievitstraat te Goor.

3.2. De betrokkene ontkent de gedraging te hebben verricht. De betrokkene stelt er zeker van te zijn dat zijn zoontje van vier jaren oud wél de gordel omhad tijdens het rijden en voert hiertoe in zijn administratieve beroepschrift van 14 maart 2006 het volgende aan. De betrokkene bracht die ochtend beide kinderen naar de basisschool. Aangekomen op de bestemming zag hij twee verbalisanten die bezig waren met een gordelcontrole. Eén verbalisant gaf hem een stopteken en gebood hem het voertuig te parkeren op de - voor de betrokkene gebruikelijke - parkeerhaven vóór de basisschool. Deze verbalisant liep vervolgens door naar de volgende auto (om deze een stopteken te geven). Pas nadat de betrokkene zijn voertuig op de parkeerhaven had geparkeerd en uit zijn voertuig was gestapt, constateerde de andere verbalisant dat het zoontje van de betrokkene geen gordel droeg. De betrokkene stelt dat zijn zoontje - gelet op het feit dat ze waren aangekomen op de eindbestemming en vader uit de auto stapte - op dát moment de gordel heeft afgedaan.

3.3. De in het zaakoverzicht opgenomen ambtsedige verklaring van de verbalisant houdt in, voor zover van belang:

"Naam van ambtenaar 1: Vruwink-Vloon

Opmerkingen ambtenaar 1: Zoontje 4 jaar had geen gordel om achter in de auto.

Verklaring betrokkene: Ik dacht dat hij de gordel om had.".

3.4. Verbalisant Vruwink-Vloon heeft in een aanvullend proces-verbaal van 21 april 2006 het volgende verklaard:

"Op 16 januari 2006 was ik in uniform gekleed en deed ik dienst samen met mijn collega's, Tunc en Baars. Wij waren belast met het houden van een gordelcontrole bij de basisscholen. Wij stonden aan de Kievitstraat te Goor. Ik, verbalisant, gaf de stoptekens aan de voertuigen. Hierbij ging ik op het midden van de openbare weg staan. Nadat ik de voertuigen een stopteken had gegeven gaf ik eveneens een teken aan de bestuurder om zijn voertuig links van mij in de parkeerhaven te parkeren. Op een gegeven moment had ik twee auto's achter elkaar een stopteken gegeven. Deze werden verder gecontroleerd door mijn collega's. Er kwam nog een derde personenauto aan rijden. Het ging hierbij om een Nissan, kleur beige en voorzien van het kenteken [kenteken]. Deze auto gaf ik ook een stopteken. Eveneens gaf ik een teken aan de bestuurder om zijn auto links van mij in de parkeerhaven te parkeren. Op het moment dat ik een stopteken aan de bestuurder gaf stond ik, verbalisant, midden op de openbare weg. Ik kon zien dat de bestuurder zijn gordel om had. Toen de auto iets naar links (van mij uit gezien) afboog zag ik dat het kindje achter de bestuurder, zittend in een kinderstoel, geen gordel om had. Ik zag de gordel naast het kind. Het betreft een lichte kleur gordel. Toen de bestuurder zijn auto had geparkeerd heb ik hem aangesproken en hem medegedeeld dat zijn zoontje geen gordel om had en dat hij hier een

proces-verbaal voor kreeg.".

3.5. De betrokkene bestrijdt de verklaring van de verbalisant Vruwink-Vloon zoals weergegeven in het aanvullend proces-verbaal van 21 april 2006 en stelt uitdrukkelijk dat de verbalisant die het stopteken gaf niet dezelfde was als degene die de gedraging heeft geconstateerd. Naar zijn mening is de verklaring van verbalisant Vruwink-Vloon niet in overeenstemming met de feitelijke gang van zaken.

3.6. De reeds in de fase van het administratief beroep opgegeven verklaring van de betrokkene dat de verbalisant die het stopteken gaf, volgens hem Baars, niet degene is geweest die de gedraging heeft geconstateerd, volgens hem

Vruwink-Vloon, doet het hof twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de verbalisant gelet op beider positie op de weg ten opzichte van het voertuig van de betrokkene. Het hof acht het niet uitgesloten dat de gedraging is geconstateerd nadat de betrokkene zijn voertuig op de voor hem gebruikelijke parkeerhaven had geparkeerd, uit zijn voertuig was gestapt en derhalve niet meer deelnam aan het verkeer. Gelet hierop is naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk geworden dat de betrokkene de gedraging heeft verricht. Immers, het enkele feit dat het zoontje geen gordel droeg op het moment dat de auto op de gebruikelijke parkeerhaven voor de school stond geparkeerd en vader inmiddels uit het voertuig was uitgestapt, brengt niet mee dat het zoontje tijdens het deelnemen aan het verkeer de gordel niet droeg. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter, de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking vernietigen, waarbij het bedrag dat de betrokkene aan zekerheid heeft gesteld aan hem dient te worden terugbetaald.

3.7. Aangezien de betrokkene in het gelijk wordt gesteld, komen de door de betrokkene gemaakte reiskosten ten behoeve van het bijwonen van de zitting van de kantonrechter en het hof voor vergoeding in aanmerking. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht jo artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 worden reiskosten berekend naar het tarief per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Het hof zal daarom ter zake van reiskosten aan de betrokkene een bedrag toekennen van Euro 48,96.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 29 juni 2006, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 99091387213 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van Euro 75,-, door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van Euro 48,96.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Wagtendonk, in tegenwoordigheid van Kuiper als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.