Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BA0250

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-02-2007
Datum publicatie
08-03-2007
Zaaknummer
WAHV 06-01227
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep bij de officier van justitie niet kennelijk ongegrond. Nu de officier van justitie uit het beroepschrift van de betrokkene niet heeft kunnen afleiden dat hij wenste af te zien van het recht te worden gehoord, heeft de officier van justitie de betrokkene ten onrechte niet gehoord. Schending van artikel 7:16 van de Algemene wet bestuursrecht. Het klaarblijkelijke oordeel van de kantonrechter dat de betrokkene door het verzuim van de officier van justitie niet is benadeeld is niet begrijpelijk, nu die beslissing niet is gemotiveerd. Voorgaande leidt tot vernietiging van de beslissing van de kantonrechter.

De betrokkene heeft de gedraging gemotiveerd betwist en heeft verzocht om nadere informatie omtrent de positie van de verbalisant. De officier van justitie had in dit geval aanleiding moeten zien om nadere informatie in te winnen. Nu de officier van justitie dit heeft nagelaten en de betrokkene niet de gelegenheid ie geboden vragen te stellen in een hoorzitting van de officier van justitie, is het hof van oordeel dat de betrokkene niet in voldoende mate in de gelegenheid is gesteld zich te verdedigen. Daarom kan er niet van worden uitgegaan dat de betrokkene door het verzuim van de officier van justitie niet in zijn belangen geschaad. Verzuim kan dus niet met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht worden gepasseerd.

Inleidende beschikking vernietigd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:16
Algemene wet bestuursrecht 7:18
Algemene wet bestuursrecht 6:22
Algemene wet bestuursrecht 7:17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2007, 114
Jwr 2007/35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 06/01227

6 februari 2007

CJIB 59090265400

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Haarlem

van 4 oktober 2006

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Haarlem ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van Euro 130,- opgelegd ter zake van "niet stoppen voor rood licht bij driekleurig verkeerslicht", welke gedraging zou zijn verricht op 12 januari 2006 om 17:36 uur op de Parallelweg te Beverwijk met het voertuig met kenteken [kenteken]

3.2. De betrokkene bestrijdt ten stelligste dat hij de gedraging zou hebben verricht. Zijns inziens moet de verbalisant een beoordelingsfout hebben gemaakt. Hij stelt dat hij nog nooit door rood licht is gereden en dat hij dit om principiële redenen ook nooit zou doen. De betrokkene heeft in zijn beroepschrift d.d. 9 mei 2006 naar aanleiding van de beslissing van de officier van justitie geklaagd dat in de motivering van die beslissing is vermeld dat hij in de gelegenheid zou zijn gesteld om te worden gehoord, maar dat de betrokkene van die mogelijkheid geen gebruik zou hebben gemaakt. Volgens de betrokkene heeft hij echter in zijn beroepschrift d.d. 24 februari 2006 naar aanleiding van de inleidende beschikking nadrukkelijk vermeld dat hij wenste te worden gehoord. Daarop is in het geheel niet gereageerd. Mede doordat evenmin is gereageerd op zijn verzoek om nadere informatie over de wijze waarop de gedraging is geconstateerd, is de betrokkene van mening dat hem zijn verdedigingsmogelijkheden zijn ontnomen. Hij heeft in zijn beroepschrift van 9 mei 2006 nogmaals gevraagd om nadere informatie over de wijze waarop de gedraging is geconstateerd. Blijkens een brief van de betrokkene van 27 september 2006 heeft hij het Bureau Verkeershandhaving Openbaar Ministerie daarom herhaaldelijk, telefonisch en schriftelijk verzocht.

Uiteindelijk heeft de griffier van de rechtbank de betrokkene op 25 september 2006 een afschrift van het zaakoverzicht van het CJIB toegezonden. Voormelde brief van de betrokkene van 27 september 2006 houdt onder meer het volgende in: "Ik heb dus nu pas na ruim 8 maanden mijn zaakoverzicht ontvangen na meerdere malen de toezegging vanuit Utrecht te hebben gekregen. Ik weet dus ook nu pas waar de vermeende verkeersovertreding exact zou hebben plaatsgevonden. Feitelijk bewijzen dat ik de overtreding niet heb begaan is na 8 maanden vrijwel onmogelijk geworden. Net zo min als bewezen is dat ik de overtreding wel heb begaan. Ik blijf daarom bij mijn standpunt dat er een beoordelingsfout is gemaakt door de ambtenaar in functie.".

3.3. Ingevolge artikel 7:16 Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 7, tweede lid, WAHV moet de officier van justitie, indien de betrokkene administratief beroep heeft ingesteld tegen de inleidende beschikking, de indiener van het beroep in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Van het horen kan op grond van het bepaalde in artikel 7:17 onder c Awb worden afgezien, buiten de in artikel 7:17 onder a en b Awb genoemde gevallen van kennelijke niet-ontvankelijkheid en kennelijke ongegrondheid, wanneer de indiener van het beroep heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord. Indien niet van het horen wordt afgezien dient de officier van justitie ingevolge artikel 7:18 Awb het beroepschrift en alle verdere op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende tenminste een week ter inzage te leggen. Bij de oproeping voor het horen moet onder meer te worden vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen. De indiener van het beroep kan van die stukken tegen vergoeding van ten hoogste de kosten afschriften verkrijgen.

3.4. Dat neemt niet weg, dat het openbaar ministerie ook buiten het bepaalde in artikel 7:18 Awb aan de betrokkene op diens verzoek stukken kan doen toekomen waarin het bewijs van de gedraging ligt besloten - met name het zaakoverzicht en indien aanwezig de foto's van de gedraging - (tegen betaling van ten hoogste de kosten), waardoor mogelijk het horen van de betrokkene achterwege kan blijven. In ieder geval dient door de officier van justitie te worden gereageerd op een verzoek om toezending van bewijs.

3.5. In de inleidende beschikking, die op 7 februari 2006 naar de betrokkene is verzonden, is onder meer de volgende standaardtekst opgenomen: "Wanneer u wenst te worden gehoord, dient u dit in uw beroepsschrift aan te geven, onder vermelding van een telefoonnummer waarop u overdag bereikbaar bent.".

3.6. Het beroepschrift van de betrokkene d.d. 24 februari 2006 houdt onder meer het volgende in: "(...). "Ik zou daarom graag om mijn mogelijkheid tot verdediging te vergroten ook meer gegevens willen over exacte positie en waarnemingsrichting, het feit of het hier een geplande of een incidentele observatie betrof en overige informatie die voor mij van belang kan zijn. Ik ben graag bereid om een en ander mondeling toe te lichten. U kunt hiervoor contact met mij opnemen via onderstaand telefoonnummer. (...).".

3.7. Blijkens de stukken van het geding heeft de officier van justitie op het beroep van de betrokkene beslist zonder hem voorafgaand daaraan in de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord. Evenmin is door de officier van justitie gereageerd op verzoeken van de betrokkene om toezending van bewijsmateriaal. De officier van justitie heeft het beroep van de betrokkene ongegrond verklaard. De motivering d.d. 10 april 2006 bij die beslissing houdt onder meer het volgende in: "De Officier van Justitie heeft betrokkene/gemachtigde middels de beschikking, via het ingediende beroepschrift in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Betrokkene/gemachtigde heeft echter geen gebruik gemaakt van de daarin aangegeven mogelijkheid.".

3.8. Daargelaten of met de standaardtekst in de inleidende beschikking, zoals weergegeven onder 3.5., is voldaan aan het voorschrift van artikel 7:16 Awb in verbinding met artikel 7, tweede lid, WAHV, stelt het hof vast dat de officier van justitie, door de betrokkene ten onrechte niet in de gelegenheid te stellen te worden gehoord, artikel 7:16 Awb heeft geschonden. De officier van justitie heeft immers niet uit het beroepschrift van de betrokkene kunnen afleiden dat hij wenste af te zien van het recht te worden gehoord.

3.9. Nu de betrokkene terecht heeft geklaagd dat hij niet is gehoord, komt de beslissing van de officier van justitie voor vernietiging in aanmerking. Het hof is, gelet op het in onder 3.2. en 3.4. overwogene, voorts van oordeel dat de officier van justitie ten onrechte niet heeft gereageerd op de verzoeken van de betrokkene om toezending van bewijsmateriaal. Ook om die reden komt de beslissing van de officier van justitie voor vernietiging in aanmerking.

3.10. Ingevolge artikel 6:22 Awb kan de kantonrechter, niettegenstaande een verzuim, als hiervoor onder 3.8. bedoeld, de beslissing van de officier van justitie in stand laten - en het beroep van de betrokkene in zoverre ongegrond verklaren - indien blijkt dat de betrokkene daardoor niet is benadeeld.

3.11. Het klaarblijkelijke oordeel van de kantonrechter dat betrokkene door de onder 3.9. vermelde verzuimen niet is benadeeld is niet begrijpelijk, nu die beslissing niet is gemotiveerd. Dit heeft tot gevolg dat de bestreden beslissing niet in stand kan blijven en dat het hof met vernietiging van de bestreden beslissing zal doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen.

3.12. De betrokkene heeft blijkens zijn beroepschrift van 24 februari 2006 de juistheid van de waarneming van de verbalisant in twijfel getrokken. Met het oog op zijn verdediging heeft de betrokkene - zakelijk weergegeven - verzocht te worden geïnformeerd omtrent de omstandigheden waaronder de verbalisant zijn waarneming heeft gedaan.

3.13. Blijkens het zaakoverzicht van het CJIB heeft de verbalisant onder meer het volgende verklaard: "Het verkeerslicht stond ongeveer 2 seconden op rood op het moment dat betrokkene dit licht negeerde. Plaatsaanduiding verkeerslicht: Parallelweg/Viaductweg. (...). Be (het hof verstaat: betrokkene) kudrv (het hof verstaat: komende uit de richting van) de Velsertraverse en ging rechtdoor idrv (het hof verstaat: in de richting van) de Wijkermeerweg.".

3.14. De gedraging is visueel waargenomen en staandehouding heeft niet plaatsgevonden. Nu de betrokkene de gedraging gemotiveerd heeft betwist en heeft verzocht om nadere informatie omtrent de positie van de verbalisant, waarbij hij tevens van belang achtte of de waarneming had plaatsgevonden tijdens een gerichte roodlicht controle, had de officier van justitie daarin aanleiding dienen te vinden nadere informatie in te winnen omtrent de waarneming van de verbalisant. De officier van justitie heeft echter de verzoeken dienaangaande van de betrokkene, zowel gedaan in het beroep tegen de inleidende beschikking als in het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie, genegeerd. In aanmerking genomen die gang van zaken, alsmede het feit dat de betrokkene niet de gelegenheid is geboden zijn vragen in een hoorzitting van de officier van justitie aan de orde te stellen, is het hof van oordeel dat de betrokkene niet in voldoende mate in de gelegenheid is gesteld zich te verdedigen. Daarom kan er niet van worden uitgegaan dat de betrokkene door de onder 3.9. vermelde verzuimen niet in zijn belangen is geschaad. De beslissing van de officier van justitie kan op die grond niet in stand blijven.

3.15. Het hiervóór overwogene in aanmerking genomen zal het hof de beslissing van de officier van justitie alsmede de inleidende beschikking vernietigen. Niet gebleken is van proceskosten van de zijde van de betrokkene die voor vergoeding in aanmerking komen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart het ingestelde beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 18 april 2006, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 59090265400 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van Euro 130,-, door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Poelman en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Zomer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.