Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BA0206

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-03-2007
Datum publicatie
09-03-2007
Zaaknummer
0500113
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof stelt voorop dat, zoals door de provincie niet is bestreden, de door appellant verlangde oplossing het probleem van de wortelopslag structureel oplost, terwijl de door de provincie aangedragen alternatieven niet voorkomen dat het wortelstelsel in de grond van appellant blijft doorwoekeren en steeds nieuwe wortelopslag zal blijven vormen. [..] Het hof is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de bewuste wortelopslag niet eenvoudig is te bestrijden met normaal onderhoud, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de provincie onrechtmatig jegens appellant handelt. Zulks brengt mee dat de provincie gehouden is appellant de kosten te vergoeden die gemoeid zijn met de verwijdering van de wortels in het bewuste perceel alsmede de kosten die moeten worden gemaakt voor het graven van een sleuf ter voorkoming van nieuwe ingroei van de wortels in bedoeld perceel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 238
O&A 2007, 79
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 7 maart 2007

Rolnummer 0500113

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr G.A. Pots,

tegen

De Provincie Groningen,

gevestigd te Groningen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: de provincie,

procureur: mr J.V. van Ophem.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 23 augustus 2006 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Ter uitvoering van voormeld tussenarrest heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden waarbij de advocaat van de provincie 'notities' heeft overgelegd en de advocaat van [appellant] pleitaantekeningen tevens akte overlegging rapport Agrotax, alsmede genoemd rapport, heeft overgelegd. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt.

Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

1. Het hof heeft in zijn arrest van 23 augustus 2006 overwogen dat, gezien de aard, ernst en duur van de problemen die de ingroeiende wortels veroorzaken in het perceel van [appellant], aangenomen moet worden dat het nalaten van de provincie om daaraan iets te doen in beginsel in strijd is met de zorgvuldigheid die de provincie in het maatschappelijk verkeer jegens de goederen van [appellant] in acht heeft te nemen en dat daaraan onder meer niet af doet dat [appellant] zich ter plaatse, in landelijk gebied, heeft gevestigd toen de populieren reeds tot volle wasdom waren gekomen. Echter, zo heeft het hof voorts overwogen, moet mogelijk tot een ander oordeel worden gekomen indien juist is de, door [appellant] betwiste, stelling van de provincie dat de wortelopslag eenvoudig valt te bestrijden met normaal onderhoud, zoals met maaien of door het gericht laten begrazen. Omtrent die stelling heeft het hof partijen om nadere inlichtingen gevraagd en daartoe een comparitie van partijen bevolen.

2. De provincie heeft betoogd dat haar stelling dat met maaien de wortelopslag eenvoudig valt te bestrijden in de praktijk reeds jaren wordt bewezen doordat de provincie drie maal per jaar de bermen waarin de onderhavige 4 bomen zijn gesitueerd met een bosmaaier maait en aldus op effectieve wijze de wortelopslag bestrijdt, terwijl wegbeheerders op gelijke wijze handelen. Zij heeft aangeboden om, wanneer zij de onderhavige bermen laat maaien, tevens het perceel van [appellant] te laten maaien. Wat het grazen betreft, heeft de provincie gesteld dat de paarden van [appellant] van de wortelopslag zullen gaan eten als [appellant] de paarden geen of minder gras aanbiedt. Een andere oplossing zou zijn dat [appellant] een geit of schaap "inhuurt" gedurende bepaalde perioden van het jaar, aldus de provincie.

3. [appellant] heeft een en ander bestreden.

4. Het hof stelt voorop dat, zoals door de provincie niet is bestreden, de door [appellant] verlangde oplossing het probleem van de wortelopslag structureel oplost, terwijl de door de provincie aangedragen alternatieven niet voorkomen dat het wortelstelsel in de grond van [appellant] blijft doorwoekeren en steeds nieuwe wortelopslag zal blijven vormen.

5. Het hof overweegt voorts dat van [appellant] in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij zijn paarden het voedsel onthoudt waarnaar hun voorkeur uitgaat (gras) met het enkele doel om ze ertoe te brengen om de wortelopslag te gaan eten, voor zover al als juist moet worden aangemerkt dat paarden dergelijke wortelopslag eten. Evenmin kan in redelijkheid van [appellant] verlangd worden dat hij elk jaar in bepaalde perioden van het jaar geiten of schapen "inhuurt" om daarmee de wortelopslag te lijf te gaan.

6. Wat het maaien met een bosmaaier aangaat, is het hof er niet van overtuigd dat, waar dit wellicht een oplossing vormt voor een wegberm naast een provinciale weg, dit tevens geschikt is als oplossing voor grasland van een particulier. Voorts kan niet worden miskend dat door het maaien ook gras wordt weggemaaid dat voor de paarden is bestemd, terwijl het te maaien oppervlak steeds groter zal worden door het niet treffen van een structurele oplossing. Van [appellant] kan dan ook in redelijkheid niet gevergd worden hiermee genoegen te nemen. Dit wordt niet anders door het aanbod van de provincie om drie maal per jaar het maaien voor haar rekening te nemen.

7. Het hof is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de bewuste wortelopslag niet eenvoudig is te bestrijden met normaal onderhoud, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de provincie onrechtmatig jegens [appellant] handelt. Zulks brengt mee dat de provincie gehouden is [appellant] de kosten te vergoeden die gemoeid zijn met de verwijdering van de wortels in het bewuste perceel alsmede de kosten die moeten worden gemaakt voor het graven van een sleuf ter voorkoming van nieuwe ingroei van de wortels in bedoeld perceel.

8. Het door [appellant] ingeschakelde expertisebureau Agrotax heeft het totaal van bovengenoemde kosten geschat op euro 6.000,00. [appellant] heeft weliswaar gesteld dat de kosten in werkelijkheid hoger zouden kunnen zijn, maar hij heeft dat verder niet onderbouwd, zodat het hof hieraan voorbijgaat.

9. De provincie heeft wel kritiek geuit op de beschouwingen in het rapport Agrotax maar zij heeft de schatting van de te maken kosten op zichzelf niet betwist. Wel heeft de provincie terecht aangevoerd dat Agrotax ten onrechte uitgaat van een perceellengte van 100 meter, aangezien tussen partijen vaststaat dat de lengte van het onderhavige perceel ongeveer 65 meter bedraagt.

10. Het hof overweegt dat uit de aard van de te maken kosten voortvloeit dat deze voor een aanzienlijk deel gerelateerd zullen zijn aan de lengte van het perceel. Het hof zal daarom het door Agrotax geschatte bedrag naar beneden bijstellen en schat de omvang van de schade thans ex aequo et bono op een bedrag van euro 4.500,00.

11. De provincie heeft nog aangevoerd dat [appellant] een deel van de schade zelf dient te dragen omdat hij tot 2002 heeft gewacht met het sommeren van de provincie terwijl hij reeds vanaf 1995 overlast ondervond van de wortelopslag.

12. Het hof overweegt dat de schade voor een deel bestaat uit de kosten van het graven van een sleuf. De provincie heeft onvoldoende onderbouwd dat deze kosten in 1995 niet of voor een lager bedrag zouden moeten zijn gemaakt, indien [appellant] toen de Provincie tot maatregelen had gesommeerd.

13. Voor het overige bestaat de schade uit de kosten van het verwijderen van de wortels. De provincie heeft betoogd dat zij hooguit aansprakelijk is voor de verwijdering van de wortels vanaf het punt waar deze in 2002 in het perceel waren ingegroeid, welke grenslijn door de provincie wordt berekend op een afstand van 7.38 meter vanaf de afrastering, tot aan de lijn waar de wortels thans reiken. Wortelopslag voorbij laatstbedoelde lijn is volgens de provincie ontstaan doordat [appellant] in het verleden door ploegen de wortelresten heeft losgeslagen en over zijn perceel heeft verspreid. De provincie gaat in haar berekeningen uit van een gemiddelde lineaire wortelgroei van 31 centimeter per jaar.

14. Het hof acht deze aannames van de provincie onvoldoende onderbouwd. De provincie heeft de grens van 7. 38 meter herleid doordat deskundige [deskundige] in 2004 heeft vastgesteld dat op 8 meter uit de afrastering het merendeel van de wortelopslag nog met de abelen is verbonden. De provincie miskent dat uit die conclusie volgt dat een deel van de wortels (zij het niet het merendeel) voorbij de 8 meter reikte.

Voorts gaat de provincie uit van een lineaire groei zonder dit te onderbouwen, terwijl zij zelf eerder in de procedure heeft gesteld dat wortels de eerste 25 levensjaren het snelste groeien.

Bovendien gaat de provincie eraan voorbij dat uit haar eigen berekeningen zou volgen dat de wortels in 1995 tot ongeveer 5 meter uit de afrastering in het perceel waren doorgedrongen.

Voor wat betreft de wortelopslag die groeit aan losgeslagen wortels verwijst het hof tot slot naar r.o. 11.3 van het tussenarrest van 23 augustus 2006.

Het hof acht al met al onvoldoende onderbouwd dat en waarom een deel van de schade voor rekening van [appellant] zou moeten blijven en welk deel dat zou moeten zijn, nog daargelaten dat niet aannemelijk is geworden dat de provincie, indien zij in 1995 door [appellant] was aangesproken, wel buiten rechte tot enige maatregel bereid zou zijn gebleken.

15. [appellant] heeft vergoeding gevorderd van de kosten die zijn gemaakt door de inschakeling van Boom-KCB te Emmen (rapporten [deskundige]). Ter comparitie heeft hij gesteld dat die kosten euro 570,00 hebben bedragen. Het hof overweegt dat bedoelde rapportages in aanmerkelijke mate hebben bijgedragen aan de oordeelsvorming over de aansprakelijkheid en de schade en dat wordt voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6: 96 lid 2 sub b BW. De stelling van de provincie dat deze kosten zijn gemaakt "ter verkrijging van voldoening in rechte" mist feitelijke grondslag, voor zover daarmee bedoeld wordt dat de proceskostenveroordeling reeds een vergoeding voor deze kosten zou insluiten. Het enkele gegeven dat [appellant] geen contact met de provincie heeft gezocht alvorens Boom-KCB in te schakelen, kan niet afdoen aan vorenstaande conclusies. Dit deel van de vordering is dan ook toewijsbaar.

16. Voor zover [appellant] ter gelegenheid van de comparitie van partijen nog heeft beoogd zijn eis te vermeerderen met de kosten verbonden aan de inschakeling van Agrotax, zal het hof daaraan voorbijgaan nu ingevolge artikel 130 Rv. voor een eisvermeerdering een conclusie of akte ter rolle is vereist en hieraan niet is voldaan.

17. Niet gebleken is dat [appellant] naast de veroordeling tot betaling van schadevergoeding een afzonderlijk belang heeft bij de gevorderde verklaring voor recht dat de provincie onrechtmatig heeft gehandeld. Dat deel van het gevorderde zal dan ook worden afgewezen.

18. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd en de provincie alsnog zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van euro 5.070,00.

19. De provincie zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de provincie om aan [appellant] te betalen een bedrag van euro 5.070,00 (zegge: vijfduizend euro en zeventig cent);

veroordeelt de provincie in de kosten van het geding in beide instanties en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant]:

in eerste aanleg op euro 186,20 aan verschotten en euro 1.152,00 (tariefgroep I, 3 punten) aan salaris voor de procureur,

in hoger beroep op euro 376,60 aan verschotten en euro 1.264,00 (tariefgroep I, 2 punten) aan salaris voor de procureur;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. Verschuur, voorzitter, Janse en Keur, raden, en uitgesproken door mr. Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 7 maart 2007.