Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:BA0185

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-03-2007
Datum publicatie
08-03-2007
Zaaknummer
BK 116/05 Ziekenfondswet
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de onderhavige aanslag premie Ziekenfondswet terecht aan belanghebbende is opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector Belasting

Kenmerk: 116/05

Uitspraakdatum: 2 maart 2007

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X

wonende te Z, belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak AWB 05/194 van de rechtbank Leeuwarden van 18 juli 2005 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft met dagtekening 7 juli 2004 aan belanghebbende voor het jaar 2002 een aanslag opgelegd in de premie Ziekenfondswet.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak gedagtekend 6 januari 2005 het bezwaar afgewezen. Bij uitspraak van 18 juli 2005, verzonden op 18 juli 2005, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Aldaar is geprocedeerd zoals weergegeven in voormelde uitspraak van de rechtbank.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift (met bijlagen) van 13 augustus 2005, bij het hof ingekomen op 15 augustus 2005.

De inspecteur heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

De eerste meervoudige kamer van het hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 december 2006.

Aldaar is verschenen A namens de inspecteur. Belanghebbendes gemachtigde, hoewel uitgenodigd bij aangetekend schrijven d.d. 16 november 2006, is ter zitting niet verschenen. De griffier heeft verklaard dat hij de gemachtigde bij deze brief heeft uitgenodigd voor de zitting met vermelding van plaats, dag en uur van de mondelinge behandeling en dat de ontvangstbevestiging van deze brief getekend retour is gekomen.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Het hof stelt op grond van de stukken, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1 Belanghebbende, geboren op 28 oktober 19.., is woonachtig in Nederland en oefende tot december 2001 in vennootschappelijk verband een onderneming uit waarin Makkumer aardewerk werd gemaakt en verkocht. Vanaf 1 december 2001 heeft hij deze onderneming gestaakt. Sindsdien wordt de onderneming voor rekening en risico van B B.V. uitgeoefend.

2.2 Ten aanzien van het jaar 2001 heeft belanghebbende een zogenaamde positieve verklaring Ziekenfondsverzekering zelfstandigen ontvangen en was hij verzekerd ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Op 15 november 2001 heeft de inspecteur voor het jaar 2002 eveneens een positieve verklaring Ziekenfondsverzekeringen zelfstandigen verstrekt. Tegen deze verklaring heeft belanghebbende geen bezwaar aangetekend.

2.3 Op 7 juli 2004 heeft verweerder belanghebbende over het jaar 2002 een aanslag premie Ziekenfondswet opgelegd.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de onderhavige aanslag premie Ziekenfondswet terecht aan belanghebbende is opgelegd.

3.2 Belanghebbende is van mening dat de onderhavige aanslag ten onrechte aan hem is opgelegd. Hij heeft aangevoerd dat hij met het staken van zijn onderneming per 1 december 2001 in 2002 niet meer in aanmerking komt voor een ziekenfondsverzekering zelfstandigen. Voorts doet hij een beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat zijn medevennoot in 2002 volgens de inspecteur niet langer als verplicht verzekerde voor het ziekenfonds geldt.

3.3 De inspecteur is van opvatting dat de onderhavige aanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Hij heeft belanghebbendes standpunten weerlegd.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Ingevolge artikel 3d, eerste lid, van de Ziekenfondswet (tekst 2001) is verzekerd gedurende een kalenderjaar de zelfstandige, die verzekerd is ingevolge artike1 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAZ en wiens inkomen niet meer bedraagt dan f 42000,- (€ 19.059,-).

4.2 Op grond van artikel I, aanhef en onder q, onder punt 1, Aanwijzingsbesluit verzekerden Ziekenfondswet (voor zover hier van belang) blijft de zelfstandige die zijn bedrijf heeft geëindigd, tot de eerste van de maand waarin hij 65 wordt, verzekerd voor de Ziekenfondswet indien:

hij zijn woonplaats heeft in Nederland;

hij op de dag voorafgaande aan die waarop de verzekering ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, WAZ ten gevolge van de bedrijfsbeëindiging is geëindigd, verzekerd is op grond van artikel 3d, eerste lid van de Ziekenfondswet;

de ondememing geheel is gestaakt en betrokkene hieruit niet langer winst uit onderneming geniet; en

betrokkene op het moment van staking ouder dan 55 jaar en jonger dan 65 jaar is.

4.3 De onder de punten 2.1 en 2.2 vermelde feiten leiden, gelet op het hiervoor overwogene, tot het oordeel van het hof dat belanghebbende voor het jaar 2002 voldoet aan de voorwaarden voor verplichte ziekenfondsverzekering. Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat hij per 1 januari 2002 een B.V. heeft en particulier verzekerd is. Wat hiervan zij, dit maakt voornoemd oordeel niet anders.

4.4. De inspecteur heeft met betrekking tot belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel gesteld dat in casu slechts sprake is geweest van een incidentele fout en dat de juiste wetstoepassing niet in de meerderheid van vergelijkbare gevallen achterwege is gebleven, omdat het alleen de medevennoot betrof. Voorts is volgens de inspecteur geen sprake geweest van een begunstigend beleid dat bij de ene vennoot wel en de andere vennoot niet is toegepast. Het hof ziet geen aanleiding aan deze uitleg te twijfelen, zodat het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel derhalve faalt.

4.5 De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld op 2 maart 2007 door mr. J. Huiskes, raadsheer en voorzitter, mr. G.M. van der Meer, raadsheer, en mr. H. Bakker, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. de Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 7 maart 2007 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.