Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:AZ9990

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-03-2007
Datum publicatie
06-03-2007
Zaaknummer
24-001950-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ademanalyse uitgevoerd door een politieambtenaar in de regio Fryslân die daartoe ten tijde van het afnemen van de ademanalyse niet was aangewezen door de korpschef, als bedoeld in artikel 7, eerste lid van het Besluit alcoholonderzoeken (BAO). De betrokken politieambtenaar is eveneens niet opgenomen in het Beaufortsysteem - een personeelsregistratiesysteem -, waarin - onder meer - is opgenomen welke opsporingsambtenaar de opleiding "bedienaar ademanalyse" heeft gevolgd. Anders dan, zoals in de regio Rotterdam-Rijnmond - is in de regio Fryslân niet voorzien in een automatisch vervallen van de aanwijzing in het Beaufortsysteem, die slechts verlengd wordt nadat de aangewezene door middel van een toets heeft aangetoond nog over voldoende kennis en vaardigheden te beschikken.

Door de raadsman van verdachte is aangevoerd, dat verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat geen sprake is geweest van een "onderzoek" als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). dan wel, omdat op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) vanwege dit onherstelbare vormverzuim de resultaten van het onderzoek niet mogen bijdragen aan het bewijs van het ten laste gelegde feit.

Hof: Een van de voorschriften, die tot het stelsel van strikte waarborgen behoren is art. 7 BAO. De ratio van artikel 7 BAO is dat de ademanalyse moet worden afgenomen door een daartoe bekwame opsporingsambtenaar. De aanwijzing is slechts met dat doel in dit artikel opgenomen. De inrichting van de aanwijzingsbevoegdheid als voorzien in de mandaatregeling van de korpschef van de regiopolitie Fryslân d.d. 10 juli 2006, te weten dat een politieambtenaar, die met goed gevolg een cursus voor het bedienen van een ademanalyse-apparaat heeft doorlopen, in het bezit is gesteld van een certificaat en in het personeelsregistratiesysteem als zodanig is geregistreerd, als bevoegd bedienaar is aangewezen, voldoet aan de eisen die art. 7 BAO stelt. Het ontbreken van de aanwijzing door de korpschef moet slechts dan tot consequentie hebben dat niet meer gesproken kan worden van een onderzoek als bedoeld in art. 8, tweede lid, onder a WVW 1994, wanneer daarmee niet meer kan worden vastgesteld of het ademonderzoek een betrouwbaar meetresultaat heeft opgeleverd of wanneer het ontbreken van de aanwijzing het vermoeden meebrengt dat het mislukken van de ademanalyse te maken kan hebben met het ontbreken van voldoende kennis en vaardigheden bij de verbalisant. In dit verband is van belang, dat een groot deel van de procedure om te komen tot een geldig resultaat van de ademanalyse in het apparaat is vastgelegd en wordt geregistreerd in de afdruk van het resultaat. Fouten bij de bediening van het ademanalyseapparaat worden door de techniek opgevangen en leiden tot een onbruikbaar resultaat. Uit de brief van de korpschef d.d. 13 februari 2007 blijkt, dat de betrokken politieambtenaar is opgeleid voor het bedienen van het gebruikte type ademanalyseapparaat. Het feit dat deze opleiding reeds in 1999 heeft plaatsgevonden betekent niet dat de kennis en vaardigheden bij de verbalisant zouden ontbreken. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel, dat het ontbreken van de aanwijzing door de korpschef als bedoeld in art. 7, eerste lid, BAO niet meebrengt dat geen sprake meer is van een onderzoek als bedoeld in art. 8, tweede lid, onder a, WVW 1994. Vervolgens dient aan de orde te komen de vraag of aan dit verzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en zo ja, welk. Het is niet aannemelijk geworden dat verzuim van zodanige aard en ernst is, dat het belang dat het onderzoek geschiedt door politieambtenaren die over daartoe voldoende kennis en vaardigheden beschikken in gevaar is gebracht. Veeleer is sprake van onzorgvuldigheid van de registratie van de tot het onderzoek bekwame functionarissen, waaronder de verbalisant in de onderhavige zaak. Van enig concreet nadeel in deze zaak is het hof niet gebleken, zodat het hof aan het vormverzuim geen van de in art. 359a Sv opgesomde consequenties zal verbinden. Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 8
Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten
Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2007, 111
VR 2007, 48 met annotatie van Redactie
JWR 2007/23
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001950-06

Parketnummer eerste aanleg: 17-715295-06

Arrest van 6 maart 2007 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 2 augustus 2006 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1965] te [geboorteplaats],

verblijvende te [verblijfplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. W.A. Veenstra, advocaat te Joure.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf en een bijkomende straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit zal veroordelen tot een geldboete van zeshonderdvijftig euro, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door dertien dagen hechtenis, alsmede tot ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van zes maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan dit arrest is gehecht een fotokopie van de inleidende dagvaarding. De inhoud van de tenlastelegging wordt geacht hier te zijn overgenomen.

Bewezenverklaring

(zie de aangehechte, uitgestreepte tenlastelegging)

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Overwegingen omtrent het bewijs

Door de advocaat-generaal is een brief van de korpschef van de regiopolitie Fryslân d.d. 13 februari 2007 in het geding gebracht, waaruit blijkt, dat brigadier [verbalisant 1] ten tijde van het afnemen van de ademanalyse niet was aangewezen door de korpschef, als bedoeld in artikel 7, eerste lid van het Besluit alcoholonderzoeken (BAO).

Door de raadsman van verdachte is aangevoerd, dat op grond van deze omstandigheid verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat geen sprake is geweest van een "onderzoek" als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), dan wel, omdat op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) vanwege dit onherstelbare vormverzuim de resultaten van het onderzoek niet mogen bijdragen aan het bewijs van het ten laste gelegde feit.

In de visie van de raadsman is niet voldaan aan een van de strikte waarborgen waarmee het onderzoek is omkleed, zoals de Hoge Raad heeft beslist in zijn arrest van 20 december 2004 (NJ 1995, 403).

De aanwijzing door de korpschef kan, aldus de raadsman, alleen geschieden wanneer de verbalisant in het bezit is van de nodige kennis en vaardigheden, waaronder door de politie Rotterdam-Rijnmond wordt verstaan: "Kennis over de apparatuur, kennis over het handelen op straat, kennis op het bureau tot en met de ademanalyse, kennis over bloed- en urineonderzoek, kennis over andere stoffen, kennis over de afhandeling en kennis met betrekking tot algemene vragen" (Verkeersknooppunt, december 2005, nr. 152, pag.14). Daarnaast moet de verbalisant over de vaardigheden beschikken om het desbetreffende ademanalyseapparaat te kunnen bedienen.

Daarmee kent de aanwijzing door de korpschef een toetsingsmoment, een afweging door de korpschef te maken of iemand wel kan worden aangewezen. Het is dus geen formaliteit.

Volgens de raadsman dient, gelet op de mandaatregeling van de regiopolitie Fryslân (formeel d.d. 18 september 2006, feitelijk in werking getreden 13 juli 2006) de korpschef drie punten na te lopen voordat de verbalisant kan worden aangewezen:

1. de verbalisant moet de opleiding voor het bedienen van een ademanalyseapparaat hebben doorlopen;

2. de verbalisant moet het bij de opleiding behorende certificaat behaald hebben;

3. daarnaast moet de verbalisant geregistreerd staan in het Beaufortsysteem.

Het Beaufortsysteem is een personeelsregistratiesysteem, waarin - onder meer - is opgenomen welke opsporingsambtenaar de opleiding "bedienaar ademanalyse" heeft gevolgd.

Naar het oordeel van de raadsman voldoet de wijze waarop in Friesland de aanwijzing van de bedienaars van het ademanalyseapparaat is geregeld niet aan de bedoeling van de wetgever, nu niet - zoals in de regio Rotterdam-Rijnmond - is voorzien in een automatisch vervallen van de aanwijzing in het Beaufortsysteem, die slechts verlengd wordt nadat de aangewezene door middel van een toets heeft aangetoond nog over voldoende kennis en vaardigheden te beschikken.

De aanwijzing is geen formaliteit maar een zeer belangrijk moment om te toetsen of de verbalisant over de nodige kennis en vaardigheden beschikt en moet daarom procedureel omgeven zijn met strikte waarborgen. De afwezigheid van een aanwijzing impliceert direct, dat de korpschef niet heeft getoetst of de verbalisant over de juiste kennis en vaardigheden beschikt. Ook is bij de politie Fryslân de aanwezigheid van een aanwijzing geen garantie dat de kennis en vaardigheden aanwezig zijn door het ontbreken van een vervolgtraject in het toetsen daarvan.

Nu de aanwijzing in het onderhavige geval niet heeft plaatsgevonden impliceert dat niet alleen onbevoegde bediening van het apparaat, maar ook ondeskundige bediening. Immers: alleen de verbalisant die is aangewezen heeft de opleiding gedaan, het certificaat behaald en is geregistreerd in Beaufort. Nu daaromtrent geen toetsingsmoment is geweest ontbraken de kennis en vaardigheden van de verbalisant op het moment van het onderzoek van de adem van verdachte. De ademanalyse-uitdraai is daarmee onbetrouwbaar geworden.

De raadsman vergelijkt deze situatie met het ontbreken van een ijkingrapport, behorend bij het ademanalyseapparaat.

Overigens staat verbalisant [verbalisant 1] niet opgenomen op de Beaufortlijst, maar blijkt de opleiding te hebben gedaan in 1995 en 1999. De korpschef vermeldt in zijn brief, dat [verbalisant 1] voldoende kennis en vaardigheden heeft om voor een aanwijzing in aanmerking te komen en dat hij in Beaufort zal worden geregistreerd, maar niet blijkt waarop de korpschef grondt, dat de kennis en vaardigheden aanwezig zijn en of de verbalisant wel de certificaten heeft behaald.

De brief van de waarnemend korpschef d.d. 30 oktober 2006 (bijlage 2 bij de brief van de korpschef d.d. 13 februari 2007) houdt - onder meer - in: "Daarnaast vraag ik uw aandacht voor het feit dat vele opleidingen en certificaten inmiddels gedateerd zijn. Ik verzoek u zorg te dragen dat op termijn de actualiteit van de opleidingen gelijke tred houden met de vereiste kennis en vaardigheden met betrekking tot het bedienen van de ademanalyseapparatuur." Ook daaraan verbindt de raadsman de conclusie dat in het algemeen twijfelachtig is of de verbalisanten van de politie Fryslân die zijn aangewezen wel over de juiste kennis en vaardigheden beschikken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De brief van de korpschef d.d. 13 februari 2007 houdt zakelijk weergegeven in:

Vóór de inwerkingtreding van de mandaatregeling inzake de verkeerswetgeving d.d.

13 juli 2006 was de bevoegdheid om bedienaars van de ademanalyseapparatuur aan te wijzen gemandateerd aan de toenmalige districtschefs. Het in mandaat gegeven aanwijzingsbesluit diende een lijst van namen te bevatten van de politieambtenaren die aan de gestelde eisen voldeden en te worden ondertekend namens de korpschef. De lijsten dienden voorts te worden geactualiseerd, maar doordat centrale registratie ontbrak was er geen goed zicht op het geheel van de door de districtschefs aangewezen personen en de actualisering van de lijsten. In de huidige regeling is de aanwijzing aan de korpschef gehouden. Aangewezen wordt iedere politieambtenaar die de vereiste opleiding met goed gevolg heeft afgerond, (in beginsel) een certificaat heeft ontvangen en van wie een registratie is aangemaakt in het personeelssysteem Beaufort. Aanwijzing geschiedt niet bij afzonderlijk besluit maar is een feit zodra aan de gestelde voorwaarden is voldaan. Voor de beantwoording van de vraag of een verbalisant getoond heeft over de benodigde kennis en vaardigheden te beschikken moet hij succesvol de Module Bedienaar Ademanalyse Apparaat hebben doorlopen. Deze module bestaat uit een theoretisch/wetstechnisch gedeelte, het apparaattechnische gedeelte en het praktijkgedeelte. Het laatste betekent, dat de politieambtenaar onder toezicht van een Kerninstructeur het apparaat zelfstandig bedient. Nadere eisen worden niet gesteld en tussentijdse beoordelingsmomenten vinden niet plaats.

De heer [verbalisant 1] is niet aangewezen door de korpschef en ontbreekt op de Beaufortlijst. Een en ander is het gevolg van de onvolkomenheden in het administratieve proces, voorafgaand aan de nieuwe mandaatregeling. De heer [verbalisant 1] is reeds twintig jaar werkzaam bij de politie en was een van de eersten die voor het bedienen van het ademanalyseapparaat werd opgeleid: in 1995 voor de BAC Datamaster en in 1999 voor de Dräger MK 7110. De heer [verbalisant 1] zal alsnog in Beaufort worden geregistreerd.

In zijn arrest van 25 november 1997 (LJN ZD0871, NJ 1998,194) heeft de Hoge Raad de betekenis van de uitvoeringsvoorschriften op grond van de artikelen 8 en 163 WVW 1994 als volgt samengevat:

"De uitvoeringsregelingen alcoholonderzoek bevatten nadere voorschriften, die inhoud geven aan het begrip onderzoek, zoals dat wordt gebruikt in de artt. 8 en 163 WVW 1994. Het betreft - kort samengevat - voorschriften met betrekking tot de keuze van de te gebruiken apparatuur, (technische) vereisten waaraan die apparatuur moet voldoen, keuringsvoorschriften, vereisten die worden gesteld aan de ambtenaren die de apparatuur bedienen, bedieningsvoorschriften en de procedure die bij een onderzoek dient te worden gevolgd.

De uitvoeringsregelingen alcoholonderzoek strekken tot waarborg voor de betrouwbaarheid van de uitkomsten van de alcoholonderzoeken waarop zij betrekking hebben. Naleving van de daarin vervatte voorschriften wordt gevergd van bestuursorganen voor zover het de nadere uitwerking en de toepassing van die voorschriften betreft, van met opsporing belaste ambtenaren voor zover het hun verrichtingen betreft tijdens de opsporing van strafbare feiten als hiervoor vermeld, en derden - zoals artsen - voor zover aan hen een bijzondere taak wordt toevertrouwd ter uitvoering van die voorschriften."

Een van de voorschriften, die tot het stelsel van strikte waarborgen behoren is art. 7 BAO. De Hoge Raad overwoog in zijn arrest van 20 december 2004 (LJN ZC9904, NJ 1995, 403; VR 1995, 95 met nt V.): "...de rechter (zal), indien door de verdachte gemotiveerd wordt aangevoerd dat aan genoemd voorschrift niet is voldaan, dan wel indien uit de stukken een ernstig vermoeden rijst dat dat voorschrift niet is nageleefd, van een onderzoek dienaangaande moeten doen blijken. Het nageleefd zijn van meergenoemd voorschrift behoort immers tot de strikte waarborgen waarmee het onderzoek als bedoeld in art. 26, tweede lid, sub a, in verbinding met art. 33a, eerste en tweede lid, WVW (i.e. art. 8 en art. 163 WVW 1994) is omkleed.".

Nu vaststaat dat verbalisant [verbalisant 1] ten tijde van het ademonderzoek niet was aangewezen door de korpschef is de vraag welke consequenties aan deze omstandigheid moeten worden verbonden.

Art. 7 BAO luidt als volgt:

"1. Het ademanalyse-apparaat wordt bediend door een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, die daartoe door de betrokken korpschef, bedoeld in artikel 24, onderscheidenlijk 38 van de Politiewet 1993, of de betrokken brigade-commandant van de Koninklijke Marechaussee is aangewezen.

2. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geschiedt slechts, indien de betrokken ambtenaar heeft getoond de voor het bedienen van het ademanalyse-apparaat benodigde kennis en vaardigheden te bezitten.

3. Onze Minister van Justitie kan in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van Defensie nadere regels stellen omtrent de kennis en vaardigheden van de bedienende ambtenaren.".

De Nota van toelichting op dit artikel (Stb. 1987, nr. 432, p. 7) houdt in:

"Het gebruik van ademanalyse-apparaten stelt specifieke eisen aan het personeel dat de apparaten moet bedienen. Aangezien het hier een voor de toepassing van de wet essentiële opsporingshandeling betreft, is bepaald dat alleen opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering als bedienaar kunnen optreden. Daarnaast is voorzien in een uitdrukkelijke aanwijzing door de betrokken politiechef of brigadecommandant van een ambtenaar die de benodigde kennis en vaardigheden bezit om met het door hem te bedienen apparaat om te gaan. Hiertoe zijn binnen de politie verschillende opleidingen in het leven geroepen. Voorshands ligt het niet in de bedoeling ter zake nadere regels vast te stellen. Het derde lid biedt echter de mogelijkheid om daartoe zo nodig over te gaan".

Naar het oordeel van het hof is de ratio van artikel 7 BAO dat de ademanalyse moet worden afgenomen door een daartoe bekwame opsporingsambtenaar. De aanwijzing is slechts met dat doel in dit artikel opgenomen.

Dat betekent in de eerste plaats het volgende.

De inrichting van de aanwijzingsbevoegdheid als voorzien in de mandaatregeling van de korpschef van de regiopolitie Fryslân d.d. 10 juli 2006 (in werking getreden op 13 juli 2006, officieel vastgesteld op 18 september 2006), te weten dat een politie- ambtenaar, die met goed gevolg een cursus voor het bedienen van een ademanalyse-apparaat heeft doorlopen, in het bezit is gesteld van een certificaat en in het personeels-registratiesysteem als zodanig is geregistreerd, als bevoegd bedienaar is aangewezen, voldoet aan de eisen die art. 7 BAO stelt. Voor zover de raadsman van verdachte meent, dat de mandaatregeling inhoudt, dat na het opnemen van de verbalisant in het Beaufort-systeem nog een individuele aanwijzing van de betreffende verbalisant door de korpschef dient te volgen, berust dat op een verkeerde lezing van de regeling.

In de tweede plaats houdt dit in, dat het ontbreken van de aanwijzing door de korpschef slechts dan tot consequentie moet hebben dat niet meer gesproken kan worden van een onderzoek als bedoeld in art. 8, tweede lid, onder a WVW 1994, wanneer daarmee niet meer kan worden vastgesteld of het ademonderzoek een betrouwbaar meetresultaat heeft opgeleverd of wanneer het ontbreken van de aanwijzing het vermoeden meebrengt dat het mislukken van de ademanalyse te maken kan hebben met het ontbreken van voldoende kennis en vaardigheden bij de verbalisant.

In dit verband is van belang, dat een groot deel van de procedure om te komen tot een geldig resultaat van de ademanalyse in het apparaat is vastgelegd en wordt geregistreerd in de afdruk van het resultaat. Fouten bij de bediening van het ademanalyseapparaat worden door de techniek opgevangen en leiden tot een onbruikbaar resultaat. "Slechts in enkele gevallen wordt een zware wissel getrokken op het beoordelingsvermogen van de bedienaar van het ademanalyse-apparaat: wanneer beoordeeld moet worden of ontoereikend blazen moet worden toegeschreven aan weigerachtigheid of onmacht." (noot Vellinga onder VR 1995,95).

Het proces-verbaal nr. 2006057363-1, waarin door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de gang van zaken met betrekking tot de ademanalyse is gerelateerd houdt - zakelijk weergegeven - in, dat de ademanalyse is gestart op een tijdstip, gelegen meer dan 20 minuten na het eerste contact met de verdachte, dat gebruik is gemaakt van een door de Minister van Justitie aangewezen apparaat, dat aan het gebruikersvoorschrift is voldaan en dat de verklaring van goedkeuring van het apparaat geldig is tot 5 september 2006. Het apparaat heeft een geldige afdruk gegenereerd. Uit deze uitdraai blijkt, dat is voldaan aan punt 3.9.1 van bijlage I bij de Regeling ademanalyse. Voorts is de uitslag van de ademanalyse aan de verdachte medegedeeld. Blijkens proces-verbaal nr. 200657363-2 is verdachte gevraagd of hij ziek was of koorts had en heeft verdachte verklaard het wel eens te zijn met de uitslag van de ademanalyse en geen tegenonderzoek te willen.

Uit de uitdraai van het ademanalyseapparaat blijkt dat het een apparaat betreft van het type Dräger alcotest 7110 mk III.

Uit de brief van de korpschef d.d. 13 februari 2007 blijkt, dat brigadier [verbalisant 1] is opgeleid voor het bedienen van dit type ademanalyseapparaat. Het hof leest in tegenstelling tot de raadsman in deze brief niet alleen dat de verbalisant de opleiding heeft gevolgd, maar ook dat hij deze opleiding met goed gevolg heeft afgesloten.

Voor zover de raadsman - refererend aan de verplichte regelmatige ijking van het ademanalyseapparaat - aanvoert, dat het bij de regiopolitie Fryslân ontbreken van een vervolgtraject in de toetsing van de kennis en vaardigheden meebrengt, dat de betrouwbaarheid van de ademanalyse in casu niet is gewaarborgd nu de opleiding van verbalisant [verbalisant 1] voor het onderhavige ademanalyseapparaat reeds in 1999 heeft plaatsgevonden, overweegt het hof het volgende.

Ingevolge lid 3 van art. 7 BAO kan de minister nadere regels stellen omtrent kennis en vaardigheden van de bedienende ambtenaren. Tot nu toe is daar geen gebruik van gemaakt en is het aan de politie overgelaten de opleiding tot bedienaar van het ademanalyseapparaat in te richten. De door de politie in de regio Rotterdam-Rijnmond bij gelegenheid van het op orde brengen van de registratie van de aanwijzing als bedoeld in art. 7 BAO ingevoerde periodieke toetsing van de kennis van de aangewezen bedienaars draagt ongetwijfeld bij aan het voorkómen van fouten in de procedure van het ademonderzoek, maar daaruit volgt niet, dat bij het ontbreken van een dergelijke tussentijdse toets per definitie de kennis en vaardigheden van de verbalisant in onvoldoende mate aanwezig zijn.

De bij de Regeling ademanalyse verplicht voorgeschreven ijking en de beperkte geldigheidsduur van de verklaring van goedkeuring (art. 3 en 5 van de Regeling) hebben direct te maken met de betrouwbaarheid van het door het ademanalyseapparaat gegenereerde resultaat. In dit opzicht gaat de door de raadman getrokken vergelijking niet op.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel, dat het ontbreken van de aanwijzing door de korpschef als bedoeld in art. 7, eerste lid, BAO niet meebrengt dat geen sprake meer is van een onderzoek als bedoeld in art. 8, tweede lid, onder a, WVW 1994.

Nu aan het ontbreken van de aanwijzing van brigadier [verbalisant 1] door de korpschef niet het gevolg wordt verbonden, dat een vrijspraak dient te volgen wegens gebrek aan bewijs, dient - nu er sprake is van een niet herstelbaar vormverzuim - het hof te beoordelen of aan dit verzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en zo ja, welk.

Het belang van het geschonden voorschrift is daarin gelegen, dat door de aanwijzing van de bedienaren van de ademanalyseapparatuur wordt zeker gesteld, dat het onderzoek als bedoeld in art. 8 tweede lid, onder a WVW 1994 geschiedt door politieambtenaren die over daartoe voldoende kennis en vaardigheden beschikken. Dat het verzuim van zodanige aard en ernst is, dat dat belang in gevaar is gebracht is niet aannemelijk geworden. Veeleer is sprake van onzorgvuldigheid van de registratie van de tot het onderzoek bekwame functionarissen, waaronder de verbalisant in de onderhavige zaak. Van enig concreet nadeel in deze zaak is het hof niet gebleken, zodat het hof aan het vormverzuim geen van de in art. 359a Sv opgesomde consequenties zal verbinden.

Het verweer wordt derhalve in al zijn onderdelen verworpen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeers-wet 1994.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij het navolgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het besturen van een auto onder invloed van alcoholhoudende drank. Na onderzoek bleek dat het alcoholgehalte van zijn adem 675 microgram per liter uitgeademde lucht bedroeg. Door aldus met een auto aan het verkeer deel te nemen heeft verdachte de veiligheid van andere weggebruikers ernstig in gevaar gebracht.

Verdachte heeft blijkens een hem betreffend uittreksel d.d. 22 december 2006 uit het justitieel documentatieregister meermalen vervolging ter zake van rijden onder invloed door middel van een transactie kunnen voorkomen, doch dit heeft hem er kennelijk niet van kunnen weerhouden om wederom na het nuttigen van een ontoelaatbare hoeveelheid alcohol aan het verkeer deel te nemen.

Het vorenstaande in aanmerking nemend is het hof van oordeel dat de oplegging van een geldboete als door de advocaat-generaal gevorderd, gecombineerd met een onvoorwaardelijke rijontzegging, in beginsel een passende reactie op het strafbare handelen van verdachte vormt. Daar staat tegenover dat verdachte, na een moeilijke periode in zijn leven, thans in rustiger vaarwater lijkt te zijn gekomen. Hij beschikt over een baan die, gelet op de aard van de werkzaamheden, maakt dat hij dient te beschikken over een rijbewijs. Het hof ziet daarin aanleiding om, met verhoging van de door advocaat-generaal gevorderde geldboete, een geheel voorwaardelijk ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen, doch voor een langere periode als door het openbaar ministerie gevorderd.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 (oud), 24, 24a en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8 (oud), 176 (oud) en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten

laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van achthonderd euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van zestien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in acht opeenvolgende maandelijkse termijnen elk groot honderd euro;

ontzegt aan de veroordeelde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van negen maanden ;

beveelt, dat de bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs ingevorderd en ingehouden is geweest, op de duur van de ontzegging bij eventuele tenuitvoerlegging geheel in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. A. Dijkstra, voorzitter, mr. K.J. van Dijk en mr. H. Kalsbeek, in tegenwoordigheid van mr. S.C.J.M. Pullens als griffier.