Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:AZ9725

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-03-2007
Datum publicatie
05-03-2007
Zaaknummer
24-001300-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft op 9 november 2004 een onder invloed van alcohol verkerende 67-jarige vrouw een duw gegeven, terwijl zij zich op de balustrade op de tweede verdieping voor haar woning bevond. Het slachtoffer is daardoor over de balustrade naar beneden gevallen en op de bestrating terechtgekomen. Het slachtoffer heeft dit niet overleefd. Dit heeft voor de nabestaanden van het slachtoffer een onherstelbaar groot leed aangericht, hetgeen treffend tot uitdrukking is gebracht in de zich in het dossier bevindende schriftelijke slachtofferverklaringen. Haar zoon, dochter en kleinkinderen zijn nog steeds bezig met de dood van hun moeder/oma. Zij beschrijven het als een traumatisch verlies dat hen niet met rust laat. Juist de omstandigheid dat ze niet weten wat er precies is gebeurd en waarom, speelt daarbij een rol. Duidelijk is dat verdachte met zijn daad het leven van de familieleden van [slachtoffer] behoorlijk heeft ontwricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001300-05

Parketnummer eerste aanleg: 17-081182-04

Arrest van 1 maart 2007 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 28 juni 2005 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1973] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. A.A. Scholtmeijer, advocaat te Heerenveen.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens het subsidiair ten laste gelegde misdrijf veroordeeld tot een straf, heeft een maatregel opgelegd en heeft beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte en de officier van justitie zijn op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal vrijspreken en ter zake van het subsidiair ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 9 maanden, met aftrek van voorarrest, alsmede dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot het bedrag van € 873,00, met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan dit arrest is gehecht een fotokopie van de inleidende dagvaarding. De inhoud van de tenlastelegging wordt geacht hier te zijn overgenomen.

Vrijspraak

Het hof acht niet bewezen hetgeen primair aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Het onderzoek naar de dood van het slachtoffer heeft een aantal vragen onbeantwoord gelaten. Op het moment van het fatale gebeuren waren er geen andere personen aanwezig dan verdachte en het slachtoffer. Het hof acht (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer, [slachtoffer], niet bewezen.

Bewijsmiddelen

Het hof bezigt met betrekking tot hetgeen aldus aan verdachte subsidiair is ten laste gelegd de navolgende bewijsmiddelen:

1. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof op 15 februari 2007 - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Het klopt dat [slachtoffer], die ik oma noemde, en ik op 9 november 2004 te [plaats] op de galerij op de tweede etage van het flatgebouw, waar zij woonde, hebben gestaan. Zij woonde aan het [adres]. Wij stonden daar vlak naast elkaar, bij de metalen balustrade. Ik weet inmiddels dat die een hoogte heeft van 102 cm. Ook weet ik dat de galerij niet erg breed was, namelijk 130 cm. Ik hoorde op een gegeven moment een gil en een klap. [slachtoffer] stond daarna niet meer op de galerij.

Ik ben vervolgens als een speer via de centrale hal naar beneden gerend. Ik wist wel dat [slachtoffer] toen behoorlijk wat alcohol gedronken had. Mij is bekend dat de uitslag van de bloedproef in haar geval een promillage van 3,6 heeft opgeleverd. Ik had zelf ook behoorlijk gedronken.

2. Een schriftelijk bescheid, te weten een sectieverslag d.d. 15 november 2004, opgemaakt door A. Maes, arts en patholoog, - zakelijk weergegeven - inhoudende:

[slachtoffer], gewoond hebbende te [woonplaats], [adres], is op 9 november 2004 overleden. Bij sectie toonde het lichaam botbreuken. De belangrijkste breuken bevonden zich aan de borstkas en in het gezicht, waarbij aan de voorzijde alle ribben waren gebroken en de aangezichtsschedel verbrijzeld was. Inwendig was er verscheuren van het hart en de lichaamsslagader. De letsels zijn bij leven opgelopen en zijn het gevolg geweest van zeer heftig botsend geweld op het lichaam, heel goed passend bij een val van grote hoogte. De conclusie is dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van heftig botsend geweld op het lichaam.

3. Een proces-verbaal, nr. 2004109259-26, d.d. 10 november 2004, op ambtseed opgemaakt door P.M. Zuiderhof, hoofdagent van politie, Districtsrecherche Sneek (pagina 63 e.v. van dossiernummer 2004109259, d.d. 22 december 2004, op ambtseed opgemaakt door K.W. Vlietstra, brigadier van politie, coördinator Crimeteam District Sneek), - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van [getuige 1]:

Op 9 november 2004 was ik aan het werk bij Super de Boer, gevestigd aan het [adres] te [plaats]. Ik liep om precies 18.00 uur het pand uit. Toen ik buiten was hoorde ik een soort schreeuw. Ik keek naar de kant waar het geluid vandaan kwam, in de richting van de flat. Ik keek omhoog en op dat moment zag ik een persoon vanaf de hoogste verdieping van de flat naar beneden vallen. Ik weet hoe die persoon gevallen is. Deze persoon draaide in de lucht en viel met het hoofd naar beneden op de grond.

Op het moment dat ik naar boven keek viel de persoon net. Ik heb een tweede persoon op de galerij zien staan. Deze stond op dezelfde plek of vlak naast de plek waar de andere persoon gestaan moet hebben. Ik ben in de richting gelopen van de plaats waar de persoon op de grond lag. Terwijl ik dat deed keek ik naar boven en zag de tweede persoon leunend over de reling naar beneden kijken. Dit was een man. Ik zag dat die man toch naar beneden kwam rennen. Ik zag dat hij via de centrale hal naar beneden kwam en meteen naar de gevallen persoon rende. Toen heb ik 112 gebeld. Vervolgens zag ik dat de man zijn beide handen onder het hoofd van het slachtoffer had.

4. Een proces-verbaal, nr. 2004109259-53, d.d. 17 november 2004, op ambtseed opgemaakt door M.J. van der Zee, hoofdagent van politie, Districtsrecherche Noord-West, en A.K. de Vries, hoofdagent van politie, Districtsrecherche Noord-Oost (pagina 45 e.v. van het onder 3 genoemde dossiernummer), - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van [getuige 2]:

Ik ben op 9 november 2004 samen met mijn vriend [verdachte] bij oma geweest.

Ik weet dat oma op een gegeven moment goed dronken was. Als buitenstaander zou je aan haar lopen en aan haar gedrag kunnen zien dat ze dronken was. Ik ken oma eigenlijk alleen maar als iemand die drank op heeft. Oma was bijna nooit nuchter.

Tegen 18.00 uur ben ik weggegaan om een boodschap te doen. [verdachte] stond toen op de galerij van de woning van oma.

5. Een proces-verbaal, nr. 2004109259-30, d.d. 11 november 2004, op ambtseed opgemaakt door P.M. Zuiderhof, hoofdagent van politie, Districtsrecherche Sneek, en J.D. Kienstra, hoofdagent van politie, Team Littenseradiel en Wunseradiel (pagina 66 e.v. van het onder 3 genoemde dossiernummer), - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van [getuige 3]:

Op 9 november 2004 te [plaats] hoorde ik geschreeuw vanaf [straat] en ik zag voor de flat een persoon op de grond liggen met iemand ernaast. Deze persoon lag op de straatstenen. De persoon die er op de knieën bij zat had zijn handen om het hoofd van het slachtoffer geklemd. Ik hoorde de man die bij de persoon op de grond zat, roepen: "Ik heb geduwd, godverdomme. Ik heb geduwd." Dit heeft hij meerdere keren herhaald. Zeker een keer of vier. Hierna hoorde ik dat de man zei: "We hebben ruzie gehad en toen heb ik geduwd."

6. Een proces-verbaal, nr. 2004109259-4, d.d. 9 november 2004, op ambtsbelofte opgemaakt door E. van der Heide, surveillant van politie, Team [plaats] Noord (pagina 78 e.v. van het onder 3 genoemde dossiernummer), - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van verbalisant:

Op 9 november 2004 was ik op [straat] te [plaats]. Ik zag dat een persoon op de grond lag. Ik zag dat een manspersoon op de knieën bij de persoon op de grond zat. Ik zag dat hij het hoofd van de persoon op de grond met beide handen vasthield. Ik hoorde dat de man zei: "Godverdomme, ik heb 'm zomaar over het balkon gegooid. We hebben ruzie gehad, ik heb 'm over de balustrade gegooid. Ik heb het gedaan. Ik heb hem erover heen gegooid." Ik hoorde dat hij opgaf te zijn: [verdachte], geboren op [1973].

7. Een proces-verbaal, nr. 2004109259-8, d.d. 11 november 2004, op ambtsbelofte opgemaakt door I.J. van der Molen, agent van politie, Team Gaasterlan-Sleat en Nijefurd (pagina 81 e.v. van het onder 3 genoemde dossiernummer), - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van verbalisant:

Op 9 november 2004 was ik op [straat] te [plaats]. Ik zag dat er een persoon voor de flat lag. Ik zat dat er een manspersoon op zijn knieën bij het slachtoffer zat. Ik hoorde dat hij tegen mij zei: "Ik heb haar geduwd."

8. Een proces-verbaal, nr. 2004109259-19, d.d. 14 januari 2005, op ambtseed opgemaakt door J. Kuitert, inspecteur bij de regiopolitie Fryslan, werkzaam als technisch rechercheur bij het bureau Technische Recherche, - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van verbalisant:

Op 9 november 2004 zag ik op de klinkerbestrating op de begane grond, voor het perceel [adres], een hoeveelheid bloed. Collega's vertelden mij dat de vrouw, genaamd [slachtoffer], daar na de val terecht was gekomen. Via een centrale trappenhal was de galerij naar de deur van de woning te bereiken. De galerij was voorzien van een metalen hek.

9. Bewijsoverwegingen:

1.

Verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard niet te weten of hij [slachtoffer] heeft geduwd. In zijn verklaring bij de politie op 11 november 2004 en ook daarna heeft hij meermalen uiteengezet dat hij haar heeft geduwd omdat zij te dicht achter hem liep toen beiden de woning weer in wilden gaan.

Verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij na een gesprek met zijn advocaat in februari 2005 tot de conclusie is gekomen dat hij niet (meer) weet of hij [slachtoffer] heeft geduwd. Het zou kunnen dat hij dat heeft gedaan, maar hij weet het niet (meer). Als gevolg van de langdurige en indringende verhoren is hij naar zijn zeggen op een gegeven moment tot zijn bekentenis gekomen.

Het hof heeft - op verzoek van de raadsman - een deel van de op video opgenomen verhoren ter zitting bekeken. Uit die beelden blijkt dat verdachte wisselend is in zijn verklaringen. Nu eens erkent hij zeker te weten dat hij heeft geduwd om vervolgens weer aan te geven dat zijn herinnering te kort schiet.

Uit die beelden valt (uiteraard) niet af te leiden welke lezing van verdachte de juiste is.

Dit is evenmin te destilleren uit het rapport van de deskundige Prof. dr. P.J. van Koppen d.d. 25 september 2006 dan wel uit het eerdere rapport van dr. M. Jelicic van 29 mei 2006.

Prof. dr. Van Koppen, die de videobanden van de verhoren heeft bekeken en geanalyseerd heeft geconcludeerd dat:

"gezien de omstandigheden van het verhoor, de manier waarop de bekennende verklaringen tot stand zijn gekomen en de persoon van de verdachte er serieus rekening mee gehouden moet worden dat de bekentenissen niet gebaseerd zijn op het geheugen van de verdachte en derhalve vals kunnen zijn".

Het is derhalve alleen verdachte zelf die antwoord kan geven op de vraag welk onderdeel van zijn afgelegde verklaringen overeenkomt met de waarheid.

Het hof bezigt de verklaringen die verdachte vanaf 10 november 2004 tegenover de politie heeft afgelegd niet tot het bewijs. Het hecht (meer) waarde aan verdachtes uitlatingen, meteen nadat hij zich bij het naar beneden gevallen slachtoffer had gevoegd (bewijsmiddelen 5, 6 en 7).

De door de raadsman gevoerde verweren die betrekking hebben op die verhoren bij de politie behoeven dan ook geen bespreking.

Nadat [slachtoffer] op de straat terecht was gekomen en verdachte naar beneden was gekomen naar het slachtoffer, heeft hij volgens een aantal getuigen uitlatingen gedaan over wat er was gebeurd. Zonder dat die getuigen precies wisten of konden weten wat er was gebeurd en zonder dat er druk op verdachte werd uitgeoefend om te verklaren, gaf hij aan iemand van het balkon te hebben geduwd. Hij heeft dat meermalen herhaald. Het hof houdt verdachte aan de woorden die hij toen heeft geuit.

Daaraan doet niet af dat verdachte naar eigen zeggen aanvankelijk dacht dat het slachtoffer zijn vriend [vriend], tevens kleinzoon van [slachtoffer], was en dat hij hem had geduwd dan wel over de balustrade had gegooid. Ook de getuige [getuige 4] heeft verdachte de naam [vriend] horen noemen.

Het hof acht aannemelijk dat deze vergissing (mede) het gevolg is geweest van verdachtes alcoholgebruik. Vaststaat in ieder geval dat verdachte toen wist dat hij een persoon een duw had gegeven en dat die persoon daardoor over de balustrade was gevallen.

Het hof acht niet aannemelijk dat verdachte zich ook op het punt van het geven van de duw heeft vergist onder invloed van de door zijn raadsman gestelde factoren.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte dronken was, dat hij waarschijnlijk al psychische klachten had, dat hij zich in een extreem stressvolle conditie bevond en dat hij met dergelijke condities moeilijk om kon gaan.

Het hof heeft in de verklaring van verdachte ter zitting en ook overigens geen enkel aanknopingspunt gevonden om te veronderstellen dat de door de raadsman geopperde omstandigheden verdachte tot onjuiste mededelingen op dit punt hebben gebracht.

Anders dan door de raadsman verzocht, ziet het hof dan ook geen noodzaak om de behandeling van de zaak aan te houden teneinde nader onderzoek te doen verrichten naar het waarheidsgehalte van de uitlatingen van verdachte direct nadat het slachtoffer was gevallen.

2.

De raadsman heeft gesuggereerd dat het slachtoffer door een andere oorzaak naar beneden kan zijn gevallen dan door toedoen van verdachte. Hij noemde in dit verband een aantal mogelijke omstandigheden: de invloed van alcohol bij het slachtoffer, zelfmoord, hartklachten, hyperventilatie en gladheid van de galerij vanwege regen.

Anders dan de raadsman acht het hof bewezen dat verdachte het slachtoffer, van wie hij wist dat zij (behoorlijk) onder invloed van alcohol was, heeft geduwd. Als de galerij door de regen glad zou zijn geweest, hetgeen niet vaststaat, had verdachte dit ook gemerkt of dit hebben moeten merken. Zijn duw onder die omstandigheid was in dat geval des te onvoorzichtiger. Van een wens tot zelfmoord, van (zich openbarende) hartklachten of hyperventilatie op het moment dat verdachte en [slachtoffer] naast elkaar bij de balustrade stonden dan wel kort daarna, is niet gebleken of aannemelijk geworden.

Het hof acht op grond van de inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte grovelijk onvoorzichtig en onachtzaam heeft gehandeld door [slachtoffer] (67 jaar oud) die zich vlakbij een balustrade van 102 cm hoog op de tweede verdieping van een flat bevond te duwen, wetende dat zij (behoorlijk) onder invloed van alcohol verkeerde. Uit de omstandigheid dat [slachtoffer] door die duw over die balustrade heen naar beneden is gevallen, leidt het

hof af dat die duw met kracht moet zijn gegeven.

Het is derhalve aan verdachtes schuld te wijten dat zij naar beneden is gevallen, op de grond terecht is gekomen en als gevolg daarvan zodanig letsel heeft bekomen dat zij daardoor is overleden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair bewezen verklaarde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 9 november 2004 te [plaats], in de gemeente [gemeente], grovelijk onvoorzichtig en onachtzaam (met kracht) tegen het lichaam van [slachtoffer], zich bevindend op de galerij op de tweede etage van een flatgebouw, heeft geduwd, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer] van(af) die galerij over de balustrade naar beneden is gevallen en op de grond (klinkerbestrating) terecht is gekomen en zodanig letsel (bestaande uit onder meer botbreuken aan de borstkas (ribben) en in het gezicht (verbrijzelde aangezichtsschedel) alsmede het inwendig verscheuren van het hart en de lichaamsslagader) heeft bekomen, dat deze [slachtoffer] aan de gevolgen van dit (genoemd) heftig botsend geweld op het lichaam is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

subsidiair:

aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 9 november 2004 een onder invloed van alcohol verkerende 67-jarige vrouw een duw gegeven, terwijl zij zich op de balustrade op de tweede verdieping voor haar woning bevond. Het slachtoffer is daardoor over de balustrade naar beneden gevallen en op de bestrating terechtgekomen. Het slachtoffer heeft dit niet overleefd. Dit heeft voor de nabestaanden van het slachtoffer een onherstelbaar groot leed aangericht, hetgeen treffend tot uitdrukking is gebracht in de zich in het dossier bevindende schriftelijke slachtofferverklaringen. Haar zoon, dochter en kleinkinderen zijn nog steeds bezig met de dood van hun moeder/oma. Zij beschrijven het als een traumatisch verlies dat hen niet met rust laat. Juist de omstandigheid dat ze niet weten wat er precies is gebeurd en waarom, speelt daarbij een rol. Duidelijk is dat verdachte met zijn daad het leven van de familieleden van [slachtoffer] behoorlijk heeft ontwricht.

Daarnaast heeft verdachte ter terechtzitting erkend dat hij zich ook aan een ander strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan ten laste van hem is bewezen verklaard. Dit strafbare feit is onder parketnummer 17-047293-04 ad informandum gevoegd en dient thans, als meegewogen in na te melden straf, als afgedaan te worden beschouwd.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte - blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 19 december 2006 - niet eerder is veroordeeld ter zake van geweldsdelicten. Ook heeft het hof kennis genomen van de inhoud van de omtrent verdachte opgemaakte rapportages.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat aan verdachte, ter vergelding van de inbreuk op de rechtsorde en het leed dat hij de nabestaanden heeft aangedaan, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur dient te worden opgelegd.

Het hof deelt het standpunt van de rechtbank dat een straf moet worden opgelegd overeenkomstig het (toen geldende) wettelijk maximum. Het hof realiseert zich ook dat die (maximum)straf in geen verhouding staat tot het leed dat verdachte de nabestaanden van [slachtoffer] heeft aangedaan.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij [benadeelde], dochter en (een van de) erfgename(n) van [slachtoffer], zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat haar vordering in eerste aanleg deels is toegewezen en dat zij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van haar in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort. Blijkens het voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces vordert de benadeelde partij vergoeding van schade tot een (totaal)bedrag van € 2.192,71.

Het hof acht de vordering van de benadeelde partij tot het bedrag van € 873,00 toewijsbaar, nu naar het oordeel van het hof voldoende is komen vast te staan dat door het subsidiair bewezen verklaarde feit aan de benadeelde partij schade is berokkend tot voornoemd bedrag en dat de schade aan verdachte kan worden toegerekend.

Het hof is van oordeel, dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet van zo eenvoudige aard is, dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij in de vordering in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dient de verdachte, als de (gedeeltelijk) in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Het hof overweegt dat op grond van het onderzoek ter terechtzitting van het hof vaststaat, dat door het subsidiair bewezen verklaarde feit aan [benadeelde] schade is toegebracht, waarvoor verdachte jegens genoemde persoon naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Aan verdachte zal derhalve de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van € 873,00 ten behoeve van voornoemde [benadeelde].

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f en 307 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte subsidiair ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van negen maanden;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van achthonderddrieënzeventig euro;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van achthonderddrieënzeventig euro ten behoeve van [benadeelde], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van zeventien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. Koolschijn, voorzitter, mr. Hielkema en mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Lok als griffier, zijnde mr. Hielkema voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.