Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:AZ8859

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-02-2007
Datum publicatie
20-02-2007
Zaaknummer
24-000584-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan verdachte is - voor zover in hoger beroep van belang - onder 2 ten laste gelegd dat hij zich in de periode van 1 november 2000 tot en met 14 november 2003 heeft schuldig gemaakt aan - kort gezegd - verkrachting van slachtoffer met wie hij destijds was gehuwd. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Uit het dossier blijkt dat verdachte en slachtoffer een relatie hadden die zich aanvankelijk in goede zin leek te ontwikkelen. Na verloop van tijd werd deze echter gekleurd door frustraties en patronen van ongelijkwaardigheid en wederzijdse afhankelijkheid. Dit heeft jarenlang zo bestaan. In die situatie kon het komen tot gewelddadigheden zoals de rechtbank bewezen heeft verklaard en seksuele handelingen die mogelijk niet of niet altijd op wederzijdse instemming, dan wel op de instemming van slachtoffer, berustten. Beoordeeld dient te worden of verdachte wist of moest begrijpen dat de instemming van zijn echtgenote ontbrak, dan wel dat hij met de mogelijkheid van het ontbreken van instemming redelijkerwijs rekening heeft moeten houden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 242
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 352
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2007/95
NbSr 2007/95
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000584-05

Parketnummer eerste aanleg: 17-086019-04

Arrest van 6 februari 2007 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 24 februari 2005 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1960] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. H. Anker, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde vrijgesproken en wegens het onder 2 subsidiair ten laste gelegde misdrijf veroordeeld tot straffen. Voorts heeft de rechtbank beslist op de vordering van de benadeelde partij en aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft dit hoger beroep aan verdachte doen betekenen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Omvang van het hoger beroep

De advocaat-generaal heeft verklaard, dat het hoger beroep niet is gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 ten laste gelegde. Het hof zal het hoger beroep aldus beperkt opvatten.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het onder 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Ter zake van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering zal toewijzen en aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen, te weten betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.000,00 ten behoeve van het slachtoffer, subsidiair honderd dagen vervangende hechtenis.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis, voor zover aan hoger beroep onderworpen, vernietigen en in zoverre opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan dit arrest is gehecht een fotokopie van de inleidende dagvaarding. De - als voor dit hoger beroep van belang - onder 2 vermelde inhoud van de tenlastelegging wordt geacht hier te zijn overgenomen.

Vrijspraak

Aan verdachte is - voor zover in hoger beroep van belang - onder 2 ten laste gelegd dat hij zich in de periode van 1 november 2000 tot en met 14 november 2003 heeft schuldig gemaakt aan - kort gezegd - verkrachting van [slachtoffer] met wie hij destijds was gehuwd. Verdachte ontkent dat. Hij heeft daartoe - zakelijk weergegeven - onder meer verklaard dat hij [slachtoffer] niet heeft gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Uit het dossier blijkt dat verdachte en [slachtoffer] een relatie hadden die zich aanvankelijk in goede zin leek te ontwikkelen. Na verloop van tijd werd deze echter gekleurd door frustraties en patronen van ongelijkwaardigheid en wederzijdse afhankelijkheid. Dit heeft jarenlang zo bestaan.

In die situatie kon het komen tot gewelddadigheden zoals de rechtbank bewezen heeft verklaard en seksuele handelingen die mogelijk niet of niet altijd op wederzijdse instemming, dan wel op de instemming van [slachtoffer], berustten. Beoordeeld dient te worden of verdachte wist of moest begrijpen dat de instemming van zijn echtgenote ontbrak, dan wel dat hij met de mogelijkheid van het ontbreken van instemming redelijkerwijs rekening heeft moeten houden.

Uit de verklaringen van aangeefster zelf kan niet worden afgeleid dat zij verdachte duidelijk heeft gemaakt dat zij de handelingen niet wenste te verrichten of te ondergaan. Er zijn aanwijzingen dat zij bij hem juist de indruk heeft gewekt dat zij het wel goed vond. Zo heeft zij in haar aangifte op 2 december 2003 tegenover de politie onder meer verklaard: "Ik wilde eigenlijk liever geen seks met [verdachte], hoewel ik zei dat ik het wel leuk vond. Dit zei ik om in ieder geval dat gedeelte van onze relatie nog goed te laten lijken. (...) Ik zei nooit nee tegen [verdachte] wanneer hij seks met mij wilde."

Er zijn overigens onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat verdachte wist of moest begrijpen dat [slachtoffer] het seksuele contact niet wenste. Uit haar - ook ten overstaan van de raadsheer-commissaris afgelegde - verklaringen blijkt onder meer dat zij meeging met seksuele escapades van verdachte naar parenclubs en bezoeken aan prostituees. Niet aannemelijk is geworden dat dit tegen haar zin geschiedde. Het hof acht dit illustratief voor het bij hem opgeroepen beeld van een seksuele relatie tussen echtgenoten waarin de man zijn eisen stelde en zijn gang ging en de vrouw zich niet op voor hem kenbare wijze verzette en - tot op zekere hoogte - de indruk wekte dat zij het allemaal wel goed vond. Dit is een wankele basis om een veroordeling wegens verkrachting op te baseren. In haar aangifte verklaart [slachtoffer] voorts dat zij weliswaar niet expliciet aan verdachte kenbaar heeft gemaakt dat zij geen seks met hem wilde, maar dat zij geen weerstand kon bieden aangezien hij haar regelmatig met geweld dreigde en haar sloeg en schopte. Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting heeft het hof echter niet de overtuiging bekomen dat de gewelddadigheden die - naar het oordeel van het hof uit de stukken blijkt - samenhingen met de wederzijdse frustraties tussen aangeefster en verdachte, ertoe strekten seksuele handelingen te ondergaan of af te dwingen. Het hof neemt in dit verband in aanmerking dat [slachtoffer] in haar aangifte op 10 september 2002 en in haar aangifte op 7 september 2003 wèl melding maakt van mishandeling maar niets vermeldt omtrent onvrijwillig seksueel contact met verdachte. De mishandelingen en de seksuele relatie worden daarin zelfs nadrukkelijk los van elkaar beschouwd.

Eerst op 2 december 2003 doet [slachtoffer] aangifte van verkrachting. Pas daarna is zij verband gaan leggen tussen het geweld en de seksuele handelingen. Het hof neemt tevens in aanmerking dat aangeefster tijdens haar verhoor op 26 april 2006 tegenover de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat zij haar ervaringen later, in de contacten met de politie, een andere betekenis heeft gegeven en in de context heeft geplaatst van gedragingen waarvan zij eerder niet zou hebben geweten dat deze ook binnen het huwelijk strafbaar zijn.

Alles bij elkaar genomen is bij het hof teveel twijfel gerezen om wettig en overtuigend bewezen te achten hetgeen onder 2 aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

De vordering van de benadeelde partij

[benadeelde] (gemachtigde mr. I.M.B. Kramer, advocaat te Amsterdam) heeft zich in eerste aanleg door middel van een voegingsformulier gevoegd als benadeelde partij ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

In eerste aanleg heeft de rechtbank Leeuwarden het onder 1 ten laste gelegde feit bewezen verklaard en de vordering gedeeltelijk toegewezen, te weten tot een bedrag van € 5.000,00 ter zake van de immateriële schade. De rechtbank heeft de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaard aangezien dat deel van de vordering naar het oordeel van de rechtbank niet eenvoudig van aard is en zich derhalve niet leent voor behandeling in het strafgeding.

Het hoger beroep is beperkt tot het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde feit.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen deel van de vordering onder verwijzing naar de daaromtrent in eerste aanleg gedane opgave. Mr. I.M.B. Kramer heeft namens de benadeelde partij de vordering ter terechtzitting toegelicht en daartoe onder meer verklaard dat wordt gevorderd een bedrag van € 5.000,00 ter zake van immateriële schade als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit alsmede vergoeding van proceskosten die te dier zake door de benadeelde partij zijn gemaakt.

Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering aangezien verdachte van het onder 2 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, voor zover aan hoger beroep onderworpen, en in zoverre opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen van het geding.

Dit arrest is aldus gewezen door prof. mr. H.L.C. Hermans, voorzitter, mr. H. Kalsbeek en mr. K. Lahuis, in tegenwoordigheid van mr. S. van de Steeg als griffier.