Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:AZ8317

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-02-2007
Datum publicatie
13-02-2007
Zaaknummer
0600215
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat Schoonebeek tekort is geschoten in haar zorgplicht doordat zij een gevaarlijke arbeidssituatie heeft gecreëerd en gehandhaafd door de (kortste) looproute te blokkeren middels een groot obstakel. Schoonebeek heeft betwist dat van een gevaarlijke situatie sprake was. Zij heeft aangevoerd dat het inherent is aan een metaalconstructiebedrijf dat her en der materialen op de vloer liggen opgeslagen en dat appellant gelet op zijn werkervaring in de branche met dat fenomeen bekend was. [..] Het hof is van oordeel dat Schoonebeek niet aan de op haar rustende zorgplicht heeft voldaan. Door een ijzeren balk van 12 meter lang en meer dan 25 centimeter hoog (de 25 centimeter hoge balk was immers op houten blokjes geplaatst) in een looproute te leggen die - naar appellant onweersproken heeft gesteld - dagelijks vele malen door de werknemers van Schoonebeek werd afgelegd, heeft Schoonebeek het gevaar in het leven geroepen dat haar werknemers over deze balk zouden struikelen en ten val zouden komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 7 februari 2007

Rolnummer 0600215

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats appellant],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr J.V. van Ophem,

tegen

Schoonebeek Masten en Constructies BV,

gevestigd te Schoonebeek,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: Schoonebeek,

procureur: mr J.B. Dijkema.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 7 december 2005 door de rechtbank te Assen, sector kanton, locatie Emmen, hierna aan te duiden als de kantonrechter.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 6 maart 2006 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van Schoonebeek tegen de zitting van 10 mei 2006.

Het petitum van de appeldagvaarding luidt:

"Dat het Uw Gerechtshof behage te vernietigen het vonnis op 7 december 2005 door de rechtbank te Assen, sector kanton, locatie Emmen tussen partijen gewezen en opnieuw rechtdoende Schoonebeek alsnog te veroordelen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. om aan [appellant] te betalen het bedrag van alle geleden en nog te lijden schade, zowel de materiële als de immateriële, ten gevolge van het hem overkomen bedrijfsongeval van

21 mei 2002, welk bedrag nader opgemaakt dient te worden bij staat en moet worden

vereffend volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 21 mei

2002 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede

II. in de kosten van het geding.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"Dat het Uw Gerechtshof behage te vernietigen het vonnis d.d. 7 december 2005 door de Rechtbank Assen, sector kanton, locatie Emmen uitgesproken tussen appellant als eiser en geïntimeerde als gedaagde en opnieuw rechtdoende uitvoerbaar bij voorraad onderhavige kwestie zelf af te doen en Schoonebeek te veroordelen om aan [appellant] te vergoeden de schade voortvloeiende uit genoemd arbeidsongeval, welke schade nader opgemaakt dient te worden bij staat en te worden vereffend volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf datum ongeval tot aan de dag der algehele voldoening, zulks met veroordeling van Schoonebeek in de - concrete - kosten van beide instanties, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet."

Bij memorie van antwoord is door Schoonebeek verweer gevoerd met als conclusie:

"dat het uw Hof moge behagen bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, zonodig met verbetering van de gronden, te bekrachtigen het vonnis van de Rechtbank Assen, sector Kanton, locatie Emmen van 7 december 2005 tussen appellant en geïntimeerde gewezen, met veroordeling van appellant in de kosten van het hoger beroep, een en ander voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft vier grieven opgeworpen.

De beoordeling

Met betrekking tot de feiten

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 1 (1.1 t/m 1.6) van het beroepen vonnis van 7 december 2005 is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

Het gaat in dit geding - kort gezegd - om het volgende.

1.1 Schoonebeek is een bedrijf dat masten fabriceert en constructiewerk verricht.

Het bedrijf heeft tien personeelsleden - acht productiemedewerkers en twee kantoormedewerkers - en verricht geen werk op locatie.

1.2 [appellant], die als uitzendkracht in dienst was van Maintec Contracting te Emmen, was in 2002 sedert week 14 (begin april) als allround lasser ingeleend door Schoonebeek en als zodanig in het bedrijf van Schoonebeek werkzaam. Voordien was [appellant] - vanaf 1993 - bij verschillende metaalconstructiebedrijven werkzaam geweest.

1.3 Op 21 mei 2002 heeft [appellant] een woordenwisseling gehad met twee medewerkers van Schoonebeek - [meewerkend voorman] en [sales engineer] - over de vergoeding van overwerk. Deze woordenwisseling vond plaats in het kantoor van [sales engineer]. Op enig moment heeft [appellant] het kantoor kwaad verlaten en is hij vanuit hal 2 de werkplaats (ook wel aangeduid als hal 1) ingelopen.

Daarbij heeft hij een ijzeren IPE 180 balk, die op twee houten balkjes op de betonnen vloer van de werkplaats lag, niet, althans niet tijdig opgemerkt en is hij over die balk gestruikeld. De balk, die een afmeting had van circa 12 meter x 0,25 meter x 0,25 meter (lxbxh), lag vlak achter de deuropening van de verbindingsdeur tussen hal 2 en hal 1. Doordat de balk over de volle breedte van die deuropening lag, blokkeerde deze de kortste looproute van hal 2 naar hal 1 en vervolgens naar hal 3. Ten tijde van het ongeval lag de balk daar al enkele weken opgeslagen.

1.4 [appellant] heeft door het ongeval letsel aan beide ellebogen opgelopen.

1.5 De Arbeidsinspectie heeft een onderzoek ingesteld naar het arbeidsongeval.

[appellant] heeft op 29 mei 2002 naar aanleiding van vragen van [de inspecteur], inspecteur van de Arbeidsinspectie, onder meer verklaard:

"Toen de heer [sales engineer] erbij kwam werd het een heftiger woordenwisseling. Wij zaten in het kantoor beneden. Ik ben toen kwaad weggelopen en toen ben ik in de werkplaats over een ijzeren balk gestruikeld. De balk lag er al langer dan 4 weken. De balk was te lang en moest daar weg. Ik kan niet zeggen als ik niet boos was geweest of ik dan niet gestruikeld was."

[de inspecteur] heeft op 9 juni 2002 gerapporteerd dat hij geen oorzakelijke overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet heeft kunnen vaststellen.

1.6 In oktober 2002 heeft Technische Varia BV in opdracht van Aegon Schadeverzekering NV, de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekeraar van Schoonebeek, een onderzoek ingesteld naar de toedracht van het ongeval.

Op 9 oktober 2002 heeft zij rapport van haar bevindingen uitgebracht.

Met betrekking tot bedrijfskleding en -instructies vermeldt het rapport:

"Door verzekerde worden aan de werknemers een overall, veiligheidsschoenen, gehoorbeschermers, werkhandschoenen en lasbeschermingsmiddelen kosteloos ter beschikking gesteld. Door de werknemers wordt voor de ontvangst van bovenstaande artikelen geen ontvangstbevestiging ondertekend. De werknemers worden vooraf mondeling geïnstrueerd omtrent de veiligheid en de huisregels van het bedrijf. Er zijn geen schriftelijke werkinstructies opgesteld. Het toezicht op de werkzaamheden wordt in de werkplaats uitgevoerd door de heer [meewerkend voorman], meewerkend voorman van verzekerde."

Ten aanzien van de plaats van het ongeval wordt in het rapport vermeld:

"Op de plek in de werkplaats alwaar het ongeval plaatsvond is nagenoeg altijd materiaal opgeslagen, waarbij het voornamelijk constructiedelen met grote lengten zijn. Door verzekerde worden immers masten en onderstellen gefabriceerd. Wij merken op dat de IPE-balk dusdanig was opgeslagen dat er loopruimte was."

1.7 Bij brief van 11 februari 2003 heeft Bureau Pals BV, belangenbehartiger van [appellant], een aantal vragen voorgelegd aan twee medewerkers van Schoonebeek,

[medewerker 1] en [medewerker 2].

Op de vraag of de balk het looppad versperde, heeft [medewerker 1] geantwoord:

"Ja, deze versperde het looppad. Er staan meerdere apparaten in de werkplaats, dus erom heen lopen was lastig. Het kon waarschijnlijk wel aan de kopse zijden van de balk. Maar het makkelijkste was natuurlijk over de balk stappen."

[medewerker 2] heeft dienaangaande verklaard:

"De balk lag op een plek waar je van de ene hal naar de andere loopt."

Beide medewerkers hebben een schets van de situatie gemaakt. Die situatieschetsen zijn als productie 5 bij de inleidende dagvaarding in het geding gebracht.

1.8 Op de vraag hoe lang de balk reeds op de bewuste plek lag, heeft [medewerker 1] geantwoord: "ongeveer vier weken" en [medewerker 2]: "meer dan 2 weken".

1.9 In antwoord op de vraag of er in het verleden reeds andere collega's over de balk waren gestruikeld heeft [medewerker 1] verklaard:

"Naar mijn weten zijn er geen mensen gestruikeld over de balk. Ik zelf in ieder geval niet.

Het antwoord van [medewerker 2] luidde:

"Hier heb ik niets van vernomen maar ben zelf wel een keer bijna gestrompeld over deze balk."

1.10 Naar aanleiding van de slotvraag: "Kunt u anderszins nog iets mededelen dat wellicht van belang kan zijn voor de beoordeling van één en ander?" heeft [medewerker 1] onder meer verklaard:

"De balk lag er voor productie, aan de ene kant zou je dus kunnen zeggen, je weet dat de balk er ligt, dus doe voorzichtig. Maar aan de andere kant had de balk er ook wel wat eerder weg kunnen zijn."

[medewerker 2] heeft naar aanleiding van laatstgenoemde vraag het volgende verklaard:

"Achteraf gezien was het misschien beter geweest de balk buiten te laten liggen."

1.11 [appellant] heeft van Schoonebeek vergoeding gevorderd van de door hem geleden en nog te lijden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] afgewezen.

De kern van het geschil

2. De kern van het geschil behelst de vraag of Schoonebeek heeft voldaan aan de op grond van artikel 7:658 leden 1 en 4 Burgerlijk Wetboek (BW) op haar rustende verplichting om, kort gezegd, datgene te doen dat redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat [appellant] in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.

Met betrekking tot de grieven

3. De grieven leggen het geschil in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor. Het hof zal ze daarom gezamenlijk behandelen.

4. Bij de beoordeling van de grieven dient het volgende voorop te worden gesteld.

De werkgever is uit hoofde van artikel 7:658 lid 1 BW verplicht de lokalen waarin hij de arbeid doet verrichten op zodanige wijze in te richten en te onderhouden alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.

Volgens vaste rechtspraak houdt deze verplichting een zorgplicht in die niet beperkt is tot het enkel naleven van wettelijke veiligheidsvoorschriften, maar afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval. Relevante omstandigheden zijn onder meer de aard van de werkzaamheden, de kenbaarheid van het gevaar, de te verwachten onoplettendheid van de werknemer en de bezwaarlijkheid van te nemen maatregelen. De zorgplicht vindt haar grens in hetgeen 'redelijkerwijs nodig is'; van een absolute waarborg voor de veiligheid van de werknemer is geen sprake.

5. De werkgever is op grond van het tweede lid van artikel 7:658 BW aansprakelijk voor schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij hij aantoont dat hij de in lid 1 genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

6. Het vierde lid van artikel 7:658 BW bepaalt dat een zelfde aansprakelijkheid rust op degene die in de uitoefening van zijn bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft, voor schade die deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt.

7. [appellant] heeft in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade geleden.

Nu gesteld noch gebleken is dat het ongeval van [appellant] het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van [appellant], is Schoonebeek voor deze schade aansprakelijk, tenzij zij aantoont dat zij aan haar uit artikel 7:658 BW lid 1 juncto lid 4 voortvloeiende zorgplicht heeft voldaan.

8. [appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat Schoonebeek tekort is geschoten in haar zorgplicht doordat zij een gevaarlijke arbeidssituatie heeft gecreëerd en gehandhaafd door de (kortste) looproute te blokkeren middels een groot obstakel.

9. Schoonebeek heeft betwist dat van een gevaarlijke situatie sprake was. Zij heeft aangevoerd dat het inherent is aan een metaalconstructiebedrijf dat her en der materialen op de vloer liggen opgeslagen en dat [appellant] gelet op zijn werkervaring in de branche met dat fenomeen bekend was. Schoonebeek is van mening dat het ongeval enkel aan onoplettendheid van [appellant] te wijten was en door geen enkele voorzorgsmaatregel voorkomen had kunnen worden.

10. Het hof is van oordeel dat Schoonebeek niet aan de op haar rustende zorgplicht heeft voldaan. Door een ijzeren balk van 12 meter lang en meer dan 25 centimeter hoog (de 25 centimeter hoge balk was immers op houten blokjes geplaatst) in een looproute te leggen die - naar [appellant] onweersproken heeft gesteld - dagelijks vele malen door de werknemers van Schoonebeek werd afgelegd, heeft Schoonebeek het gevaar in het leven geroepen dat haar werknemers over deze balk zouden struikelen en ten val zouden komen.

11. Schoonebeek heeft erop gewezen dat men via de andere hal de werkplaats kon betreden, om de balk heen kon lopen of over de balk heen kon stappen.

12. De mogelijkheid om via de andere hal (hal 3) naar de werkplaats te lopen, was naar het oordeel van het hof een weinig voor de hand liggend alternatief. Uit de in het geding gebrachte situatieschetsen blijkt immers dat men daartoe een hele omweg moest maken.

13. Om de balk heen lopen was volgens de verklaring van [medewerker 1] lastig. Uit de door hem en [medewerker 2] vervaardigde situatieschetsen blijkt ook dat de ruimte tussen de deuropening en de balk zeer gering was.

14. Bovendien lieten de in de rechtsoverweging 12 en 13 genoemde alternatieven de mogelijkheid dat de werknemers van Schoonebeek de kortste looproute zouden volgen en mitsdien rechtdoor zouden lopen, onverlet.

Dat Schoonebeek zich van die mogelijkheid bewust is geweest, blijkt wel uit het feit dat zij benadrukt heeft dat men over de balk heen kon stappen.

15. In die mogelijkheid school nu juist het gevaar dat zich verwezenlijkt heeft.

Gezien de locatie van de balk - midden in het looppad - en de hoogte daarvan - meer dan 25 centimeter - was het gevaar dat een werknemer op enig moment over de balk zou struikelen en ten val zou komen naar het oordeel van het hof kenbaar voor Schoonebeek.

16. Het is immers een ervaringsfeit dat werknemers niet steeds voldoende oplettend zijn. Schoonebeek had daar als werkgever rekening mee moeten houden.

Uit de verklaring van [medewerker 2] (geciteerd in rechtsoverweging 1.9) blijkt dat hij een keer bijna over de balk is gestruikeld. In het geval van [appellant] heeft het gevaar zich daadwerkelijk verwezenlijkt. Partijen zijn het erover eens dat [appellant] de balk- alhoewel hij wist dat deze ter plekke lag opgeslagen - vlak voor zijn val niet heeft opgemerkt.

17. Het argument van Schoonebeek dat het in de branche gebruikelijk is 'her en der' materialen op de vloer op te slaan, kan haar niet baten, evenmin als het feit dat de balk zich reeds sedert enkele weken op deze plaats bevond. De enkele omstandigheid dat een bepaalde situatie gangbaar is, of al enige tijd voortduurt, ontheft de werkgever immers niet van zijn aansprakelijkheid ex artikel 7:658 lid 2 BW.

18. De omstandigheid dat de Arbeidsinspectie - in een uiterst summier rapport - heeft geconstateerd dat geen overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet heeft plaatsgevonden, doet aan het vorenstaande evenmin af. Voor de voldoening aan de zorgplicht van artikel 7:658 lid 1 BW is het enkel naleven van wettelijke voorschriften immers niet voldoende.

19. Schoonebeek had het gevaar naar het oordeel van het hof eenvoudig kunnen afwenden door de balk in afwachting van haar bewerking elders op te slaan, bijvoorbeeld door deze buiten te laten liggen zoals [medewerker 2] heeft geopperd.

Door zulks na te laten en ook overigens geen maatregelen te nemen om het kenbare gevaar af te wenden, is Schoonebeek tekort geschoten in haar zorgplicht.

Uit hetgeen Schoonebeek heeft aangevoerd - de balk moest in hal 1 gezaagd worden en was daar opgeslagen omdat hij zo het makkelijkst verplaatst kon worden naar de zaagmachine - blijkt niet dat het elders opslaan van de balk in afwachting van haar bewerking op zodanige bezwaren stuitte dat dit in redelijkheid niet van Schoonebeek gevergd kon worden. Ook overigens is het hof van dergelijke bezwaren niet gebleken.

20. Schoonebeek heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die, mits bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden. Haar bewijsaanbod zal om die reden als niet ter zake doende worden gepasseerd.

Slotsom

21. Het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd. De vordering van [appellant] om Schoonebeek te veroordelen tot schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet zal alsnog worden toegewezen.

Ten aanzien van de rente

22. [appellant] vordert reeds thans wettelijke rente over het in de schadestaatprocedure vast te stellen bedrag aan schadevergoeding en wel vanaf de datum van het ongeval. De wettelijke rente gaat in geval van een vordering tot schadevergoeding lopen op het moment dat de schade geacht wordt te zijn geleden.

Of voor alle onderdelen van de door [appellant] te vorderen schadevergoeding geldt dat dit de datum van het ongeval is, laat zich thans - bij gebreke van een gespecificeerde vordering - nog niet beoordelen. Bovendien kan de wijze waarop de schade wordt begroot van doorslaggevend belang zijn voor de ingangsdatum van de wettelijke rente. Nu een en ander in de schadestaatprocedure aan de orde komt, zal het hof dit onderdeel van de vordering van [appellant] thans toewijzen op de wijze als in het dictum is vermeld.

Ten aanzien van de kosten - wijziging van eis

23. [appellant] heeft zowel bij inleidende dagvaarding als bij appeldagvaarding gevorderd Schoonebeek in de kosten van het geding te veroordelen. Bij memorie van grieven heeft [appellant] zijn vordering op dit punt evenwel vermeerderd in die zin dat hij heeft gevorderd Schoonebeek in de - concrete - (naar het hof begrijpt: de werkelijk gemaakte) kosten van beide instanties, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te veroordelen.

Tegen deze vermeerdering van eis heeft Schoonebeek zich niet verzet, zodat het hof dit onderdeel van de vordering op deze gewijzigde grondslag heeft te beoordelen.

24. Het hof zal Schoonebeek als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van beide instanties. Het hof ziet noch in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd noch in de aard van de procedure aanleiding om daarbij af te wijken van de van toepassing zijnde liquidatietarieven. De kosten van de procedure in eerste aanleg worden voor wat betreft het salaris begroot op 2 punten van euro 200,-- per punt en de kosten van de procedure in hoger beroep worden voor wat betreft het salaris begroot op 1 punt naar tarief II.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis van 7 december 2005 waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Schoonebeek om aan [appellant] te vergoeden de schade voortvloeiende uit het hem op 21 mei 2002 overkomen arbeidsongeval, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de in de schadestaatprocedure vast te stellen datum/data van opeisbaarheid;

veroordeelt Schoonebeek in de kosten van het geding in beide instanties en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant]:

in eerste aanleg op euro 187,87 aan verschotten en euro 400,-- aan salaris voor de gemachtigde,

in hoger beroep op euro 319,93 aan verschotten en op euro 894,-- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs Zuidema, voorzitter, Zandbergen en Onnes-Wind, raden, en uitgesproken door mr Mollema lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 7 februari 2007.