Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:AZ7993

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-02-2007
Datum publicatie
07-02-2007
Zaaknummer
BK 1020/04 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In beroep is in geschil het antwoord op de vraag of een deel van de in het jaar 2002 betaalde rente ter zake van het flexibel krediet kan worden aangemerkt als rente die is verschuldigd ter zake van een schuld die is aangegaan ter verbetering en onderhoud van de eigen woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007/341
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 1020/04 1 februari 2007

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de Belastingdienst/Noord, kantoor Leeuwarden (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (: IB/PV) over het jaar 2002.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Met dagtekening 6 mei 2004 is aan belanghebbende een aanslag IB/PV over het jaar 2002 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen, van € 11.970, -.

1.2 Op 26 mei 2004 heeft belanghebbende daartegen een bezwaarschrift ingediend.

1.3 Bij de bestreden uitspraak van 1 oktober 2004 heeft de inspecteur de aanslag gehandhaafd en het door belanghebbende ingestelde bezwaar afgewezen.

1.4 Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij een beroepschrift (met bijlage), hetwelk op 12 november 2004 bij het hof is ingekomen.

1.5 Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 24 mei 2005, gehouden te Leeuwarden. Belanghebbende en haar echtgenoot zijn ter zitting verschenen, zomede de heer A namens de inspecteur. Op 20 juni 2005 is van de zijde van belanghebbende een nader stuk (met bijlagen) ingekomen. Op 6 juli 2005 heeft belanghebbende opnieuw nadere stukken ingestuurd. Bij een op 5 augustus 2005 ingekomen stuk heeft de inspecteur hierop schriftelijk gereageerd.

1.6 Ter zitting van 21 november 2005 is het beroep van belanghebbende opnieuw mondeling behandeld, waarbij belanghebbende en de heer A namens de inspecteur zijn verschenen. Ter zitting heeft belanghebbende stukken overgelegd. De mondelinge behandeling is vervolgens opnieuw geschorst. De inspecteur heeft bij nader stuk ingekomen op 23 november 2005 gereageerd op de ter voormelde zitting door belanghebbende overgelegde stukken. De mondelinge behandeling van het beroep is hervat op 9 november 2006. Belanghebbende, haar echtgenoot en de inspecteur de heer A waren daarbij weer aanwezig.

1.7 Op 10 november 2006 heeft de inspecteur een uit het geautomatiseerd systeem van de belastingdienst afkomstig overzicht van de correcties van de onderhavige aanslag ingestuurd, tezamen met een begeleidend schrijven.

1.8 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting stelt het hof als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1 Belanghebbende woont sinds 25 september 2000 met haar echtgenoot aan de a-straat 21 te Z. Daarvoor woonden zij en haar echtgenoot in een huurwoning aan de a-singel 116 te L.

2.2 De eigendom van de woning te Z hebben belanghebbende en/of haar echtgenoot op 8 september 2000 verworven. De ten behoeve daarvan afgesloten hypothecaire lening bedraagt € 87.137, -. De woning vormt voor hen een eigen woning in de zin van artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (: de Wet IB 2001).

2.3 Sinds 1994 hebben belanghebbende en haar echtgenoot een flexibel krediet bij B Bank N.V. (: B). Het contractnummer daarvan is 00.00.00.000. Ultimo 2002, ultimo 2001 en ultimo 2000 bedraagt het saldo daarvan respectievelijk € 19.924,61, € 23.108,22 en € 22.829,28. De met betrekking tot het jaar 2002 berekende rente ter zake van het flexibel krediet bedraagt € 1.678,74.

2.4 Het belastbare inkomen uit werk en woning van belanghebbende is bij aanslag d.d. 6 mei 2004 vastgesteld op € 11.970, -. Het daarin in aanmerking genomen verzamelinkomen vóór persoonsgebonden aftrek in de zin van artikel 6.24, tweede lid, van de Wet IB 2001 bedraagt € 16.225, -. Het (onherroepelijk vastgestelde) verzamelinkomen vóór persoonsgebonden aftrek over het jaar 2002 van de echtgenoot van belanghebbende bedraagt € 11.726, -.

2.5 Teneinde het gezamenlijke bedrag van de onder 2.4 vermelde verzamelinkomens lager te doen vaststellen dan € 27.847, - in verband met de in het tweede lid van artikel 6.24 van de Wet IB 2001 genoemde verhoging van het bedrag van de buitengewone uitgaven heeft belanghebbende in de bezwaarfase een beroep gedaan op aftrek van kosten, die betrekking hebben op verbetering en onderhoud van de eigen woning. Het gaat om de ter zake van het jaar 2002 betaalde rente van het flexibel krediet, waarvan - naar de stelling van belanghebbende - volgende kosten zijn betaald:

- een nota d.d. 9 november 2000 van installatiebedrijf C van circa € 307, -;

- een nota van D, betaald in juni 2001 van circa € 286, -;

- een betalingsbon van E d.d. 18 januari 2002 van circa € 118, -;

- een betalingsbon van E van januari 2002 van circa € 198, -;

- een aantekening van een betaling aan een klusjesman van januari 2002 ad € 91, -;

- een betalingsbon van F van circa € 144;

- een bezorgopdracht d.d. 9 september 2000 met betalingsbewijs van de G van circa € 844, -;

- een factuur van H van 26 april 2001 van circa € 1.816, -.

2.6 Belanghebbende en haar echtgenoot hebben twee bankrekeningen bij B, te weten één met nummer 00.00.00.001 en één met nummer 00.00.00.002. De maandelijks verschuldigde termijnbedragen (rente en aflossing) ter zake van het flexibel krediet worden van deze rekeningnummers afgeschreven. Ook wordt het flexibel krediet gedebiteerd ten gunste van voormelde rekeningnummers. Op één van de rekeningnummers worden de uitkeringen van belanghebbende en haar echtgenoot gestort. Dit geldt ook voor belastingteruggaven. Naast de overschrijvingen van het flexibel krediet naar voormelde rekeningnummers worden er ook bedragen in de vorm van kasopnames opgenomen van het flexibel krediet. Dit geld houdt belanghebbende onder zich om uitgaven te doen op onverwachte tijdstippen.

3. Het geschil en standpunten van partijen

3.1 In beroep is in geschil het antwoord op de vraag of een deel van de in het jaar 2002 betaalde rente ter zake van het flexibel krediet kan worden aangemerkt als rente die is verschuldigd ter zake van een schuld die is aangegaan ter verbetering en onderhoud van de eigen woning.

3.2 Belanghebbende stelt dat zij kosten ter verbetering van de eigen woning heeft gefinancierd door middel van opnamen van het onder 2.3 genoemde flexibel krediet. Zij heeft daartoe de nota’s, die de onder 2.5 opgenomen kosten betreffen, overgelegd. Tevens heeft zij een vijftal (deel) afschriften van het flexibel krediet overgelegd plus een afschrift van “Verslag van uit de kontraktendatabase verwijderde HO-mutaties plus melding van de in 2005 te verwijderen kontrakten en mutaties” van B.

3.3 Primair stelt de inspecteur zich op het standpunt dat belanghebbende niet voldoet aan het zogenaamde oogmerkvereiste. Subsidiair is hij van mening dat geen causaal verband is te leggen tussen het flexibel krediet en de door belanghebbende opgevoerde kosten.

3.4 Voor een meer uitvoerige weergave van de onderbouwing van de standpunten van partijen zij verwezen naar de gedingstukken.

4. De rechtsoverwegingen

4.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 3.120, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001 behoren tot de aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning onder meer renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen, die zijn aangegaan ter verwerving van de eigen woning. Voorts bepaalt artikel 3.123 van de Wet IB 2001 dat tot de schulden die zijn aangegaan ter verwerving van de eigen woning worden gerekend, schulden die zijn aangegaan voor verbetering of onderhoud van de woning voor zover de verbetering en het onderhoud met schriftelijke bescheiden zijn te staven.

4.2 Op belanghebbende rust de bewijslast om – bij betwisting daarvan door de inspecteur – aannemelijk te maken dat tussen de opnames van het flexibel krediet en de onder 2.5 opgenomen kosten een zodanig verband bestaat dat gezegd kan worden dat die opnames hebben plaatsgevonden ter uitvoering van het oogmerk om die kosten daarmee te financieren. Daartoe heeft belanghebbende onder meer vijf (deel)afschriften van het flexibel krediet overgelegd en de bonnen van de onder 2.5 genoemde kosten. Uit de afschriften blijkt dat belanghebbende in de maanden november en december van het jaar 2000 een totaalbedrag van ƒ 20.400, - in de vorm van kasopnames heeft opgenomen van het flexibel krediet. Echter, op grond van de door belanghebbende overgelegde stukken, in samenhang met de onder 2.6 weergegeven geldstromen en de onder 2.3 opgenomen saldi, is geenszins een causaal verband te ontdekken tussen de opnames van het flexibel krediet en de hiervoor bedoelde uitgaven. Bovendien is op basis van de door belanghebbende overgelegde stukken niet na te gaan of en zo ja, in welke mate, de opgenomen bedragen in het jaar 2002 al zijn afgelost. Bovendien dient het hof ook acht te slaan op de opmerking van belanghebbende dat zij de kasopnames gebruikt voor uitgaven op onverwachte tijdstippen, wat er op wijst dat belanghebbende ook andere uitgaven dan die van onderhoud of verbetering van de eigen woning door middel van het flexibel krediet heeft gefinancierd.

4.3 Nu belanghebbende niet in haar bewijslast is geslaagd en al het overige wat zij aanvoert niet tot een lagere aanslag kan leiden, moet haar beroep als ongegrond worden afgedaan.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 1 februari 2007 door mr. J. Huiskes, voorzitter en raadsheer, en op die dag in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. de Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Afschrift aangetekend aan beide partijen verzonden

op: 7 februari 2007