Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:AZ7631

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
24-01-2007
Datum publicatie
01-02-2007
Zaaknummer
0600202
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De vroegere Rijks Luchtvaartschool te Eelde was van oudsher het opleidingsinstituut voor verkeersvliegers in Nederland. In 1991 is deze opleiding geprivatiseerd en overgenomen door de Koninklijke Luchtvaartmaatschappij NV (de KLM). KLS is een 100% dochter van de KLM. Zij leidt leerlingen op tot verkeersvlieger. Tot medio 2000 gold voor leerlingen die de opleiding tot verkeersvlieger bij KLS met goed gevolg hadden doorlopen, op basis van afspraken tussen KLS en de KLM, een baangarantie op grond waarvan zij in aanmerking kwamen voor een betrekking als verkeersvlieger bij de KLM. Nadien is deze baangarantie komen te vervallen. De leerlingen zonder baangarantie worden door RLS aangeduid als "eigen risico leerlingen". [appellant] behoorde tot die categorie. [..] Op 16 september 2004 is [appellant] door de KLM uitgenodigd "voor een gesprek in verband met uw (eventuele) indiensttreding als verkeersvlieger bij onze Maatschappij". [appellant] is op de uitnodiging ingegaan; op 1 november 2004 heeft de KLM hem tijdens het gesprek meegedeeld dat hij niet in aanmerking kwam voor indiensttreding bij haar als verkeersvlieger, hetgeen bij brief van 3 november 2004 is bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 24 januari 2007

Rolnummer 0600202

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. A.H. Lanting,

tegen

KLM Luchtvaartschool B.V.,

gevestigd te Eelde, gemeente Tynaarlo,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: KLS,

procureur: mr. P.R. van den Elst.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 18 mei 2005 en 15 februari 2006 door de rechtbank Assen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 6 april 2006 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 15 februari 2006 met dagvaarding van KLS tegen de zitting van 3 mei 2006.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"Tot volharding."

Bij memorie van antwoord is door KLS, onder overlegging van een productie, verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van [appellant] in hoger beroep af te wijzen en het vonnis a quo te bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft vier grieven opgeworpen.

De beoordeling

Ten aanzien van de feiten

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 1 van genoemd vonnis d.d. 15 februari 2006 is, behoudens grief I, geen grief ontwikkeld. Het hof zal ook van die feiten uitgaan, voor zover in hoger beroep relevant, en deze hierna weergeven, aangevuld met enige feiten die in hoger beroep tevens als vaststaand hebben te gelden.

1.1. De vroegere Rijks Luchtvaartschool te Eelde was van oudsher het opleidingsinstituut voor verkeersvliegers in Nederland.

In 1991 is deze opleiding geprivatiseerd en overgenomen door de Koninklijke Luchtvaartmaatschappij NV (de KLM). KLS is een 100% dochter van de KLM. Zij leidt leerlingen op tot verkeersvlieger.

1.2. Tot medio 2000 gold voor leerlingen die de opleiding tot verkeersvlieger bij KLS met goed gevolg hadden doorlopen, op basis van afspraken tussen KLS en de KLM, een baangarantie op grond waarvan zij in aanmerking kwamen voor een betrekking als verkeersvlieger bij de KLM.

1.3. Nadien is deze baangarantie komen te vervallen. De leerlingen zonder baangarantie worden door RLS aangeduid als "eigen risico leerlingen". [appellant] behoorde tot die categorie.

1.4. [appellant] is, na een uitgebreide selectie (COVA-selectie), door KLS als leerling toegelaten tot haar "Algemene Opleiding tot Verkeersvlieger" (de AOV) met ingang van 11 december 2000.

1.5. Tussen KLS en [appellant] is op 26 april 2001 een leerlingencontract afgesloten, welke als productie 1 bij de akte na dagvaarding in eerste aanleg is overgelegd.

Dit contract bepaalt, voor zover van belang, het volgende:

Artikel I.9

Tussen KLS en KLM zijn afspraken gemaakt over de mogelijke omzetting van de opleidingsovereenkomst c.q. het aanbieden van een arbeidsovereenkomst. Deze afspraken zijn als volgt geformuleerd:

"Wanneer de KLM behoefte aan ab-initio vliegers gedurende of na de opleiding van deze studenten toeneemt zal de KLM alsnog opleidingscontracten c.q. arbeidsovereenkomsten aan deze studenten aanbieden op voorwaarde dat deze studenten de COVA-selectie met positief resultaat hebben doorlopen. Daarbij geldt dat de student die het langst op de wachtlijst staat het eerst in aanmerking komt."

Wanneer de behoefte van de KLM aan ab-initio vliegers gelijk blijft of afneemt dient de student zich in te spannen om zo spoedig mogelijk na afronding van de opleiding een dienstverband als verkeersvlieger bij een andere luchtvaartmaatschappij dan de KLM te verkrijgen. De KLS zal daarbij ondersteuning bieden.

Indien de marktomstandigheden zodanig zijn dat er sprake is van voldoende vraag en de student spant zich naar het oordeel van KLS onvoldoende in om een dienstverband als verkeersvlieger te verkrijgen dan kan KLS in overleg met KLM besluiten de duur van de plaatsing op voornoemde wachtlijst te beperken. Wanneer de student een baan aanvaardt bij een andere luchtvaartmaatschappij vervalt zijn/haar plaats op de wachtlijst.

Artikel I.10

De student wordt in de gelegenheid gesteld om voor de financiering van de opleidingskosten een overeenkomst te sluiten waarop de voorwaarden voor Borgstelling door de Stichting Garantiefonds KLM Luchtvaartschool van toepassing zijn.

1.6. [appellant] is brildragend en is 1,98 meter lang. Veel andere luchtvaartmaatschappijen dan de KLM nemen geen brildragende verkeersvliegers dan wel verkeersvliegers langer dan 1,95 meter in dienst.

1.7. [appellant] heeft de kosten van de opleiding, ten bedrage van ƒ 185.123,00, aan KLS voldaan.

1.8. [appellant] heeft de AOV met succes afgerond op 7 september 2003.

De KLM heeft [appellant] na voltooiing van zijn opleiding geplaatst op de wachtlijst voor nieuwe ab-initio vliegers. De volgorde op deze wachtlijst werd bepaald door de datum van voltooiing van de opleiding.

1.9. Op 16 september 2004 is [appellant] door de KLM uitgenodigd "voor een gesprek in verband met uw (eventuele) indiensttreding als verkeersvlieger bij onze Maatschappij".

1.10. [appellant] is op de uitnodiging ingegaan; op 1 november 2004 heeft de KLM hem tijdens het gesprek meegedeeld dat hij niet in aanmerking kwam voor indiensttreding bij haar als verkeersvlieger, hetgeen bij brief van 3 november 2004 is bevestigd.

Met betrekking tot grief I

2. Deze grief richt zich tegen de vaststelling door de rechtbank dat KLS van oudsher het opleidingsinstituut was voor verkeersvliegers. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 1.1. is overwogen, constateert het hof dat de weergave van de rechtbank op dit punt iets te beknopt was. Deze vaststelling is evenwel niet dragend voor de beslissing van de rechtbank, zodat de grief niet tot vernietiging van het vonnis kan leiden.

Met betrekking tot de grieven II tot en met IV

3. Deze grieven beogen, gelijk in de toelichting onder punt 13 van de memorie van grieven is vermeld, het geschil in volle omvang aan de beoordeling van het hof voor te leggen.

4. [appellant] heeft betoogd dat artikel 1.9 van het leerlingencontract aldus moet worden uitgelegd dat dit inhoudt dat KLS er jegens [appellant] voor instaat dat de KLM hem een baan als verkeersvlieger aanbiedt, op voorwaarde dat er een vacature is voor een beginnend (ab-initio) verkeersvlieger en dat hij bovenaan de wachtlijst staat.

5. Het hof onderschrijft hetgeen de rechtbank heeft overwogen omtrent de uitleg van overeenkomsten en de hier toe te passen Haviltex-maatstaf, erop neerkomende dat de vraag wat partijen zijn overeengekomen niet enkel kan worden beantwoord op grond van de taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst en dat het steeds aan komt op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

6. Artikel I.9 van het leerlingencontract, zoals hiervoor onder 1.5 geciteerd, bevat, gelijk [appellant] onder punt 30 van zijn memorie van grieven ook erkent, naar de letter geen verbintenis van KLS waarbij zij [appellant] garandeert dat de KLM aan [appellant] een baan als verkeersvlieger aanbiedt wanneer hij bovenaan de wachtlijst staat.

7. [appellant] heeft betoogd dat deze bepaling toch in die zin moet worden uitgelegd, omdat KLS een 100% dochter van de KLM is. Het hof kan [appellant] in dit betoog evenwel niet volgen. De moeder-dochter verhouding alleen maakt niet dat KLS en de KLM met elkaar kunnen worden vereenzelvigd. Evenmin levert deze concernband als zodanig reden op om in artikel I.9 een garantie te lezen die er niet in staat.

8. [appellant] heeft zich voorts op artikel 6:238 BW, tweede lid, beroepen, welk artikel bepaalt dat bij een overeenkomst tussen een consument en een wederpartij die gebruik maakt van algemene voorwaarden, bij twijfel over de betekenis van een beding de voor de consument gunstigste uitleg prevaleert.

Ook als artikel I.9 als een algemene voorwaarde moet worden aangemerkt, kan dit beroep [appellant] niet baten, aangezien er geen twijfel over bestaat dat dit artikel geen garantie inhoudt van KLS dat de KLM aan [appellant] een baan als verkeersvlieger aanbiedt wanneer hij bovenaan de wachtlijst staat.

9. Andere omstandigheden op grond waarvan deze bepaling toch als een garantiebepaling moet worden uitgelegd, zijn door [appellant] niet gesteld.

Dat [appellant] het niet redelijk acht dat hij KLS niet kan aanspreken op de weigering van de KLM hem in dienst te nemen, is geen toereikende grond voor de door hem bepleite uitleg.

10. Aangezien het hof [appellant] in de door hem gestelde uitleg niet kan volgen en het hof geen garantieovereenkomst aanwezig acht, is de vordering, die uitsluitend op een tekortkoming in de nakoming van die overeenkomst is gestoeld, niet toewijsbaar.

11. Grief III richt zich tegen de overweging van de rechtbank, door haar als buiten de omvang van het geschil vallend aangemerkt, dat artikel I.9 als een derdenbeding zou kunnen worden gekwalificeerd, waarbij de KLM jegens [appellant] de verplichting op zich heeft genomen hem een arbeidscontract aan te bieden als hij bovenaan de wachtlijst staat.

12. Nu het hier om een overweging ten overvloede gaat die de in eerste aanleg gegeven beslissing geenszins draagt, kan deze grief niet tot vernietiging van het vonnis leiden. Aangezien de KLM geen partij is in dit geding acht het hof het niet opportuun verder op deze overweging in te gaan. Eveneens gaat het het bestek van dit geding te buiten in hoeverre [appellant] mogelijk, overeenkomstig het gestelde in punt 9 van de memorie van antwoord, een beroep kan doen op het Garantiefonds als bedoeld in artikel I.10 van het leerlingencontract indien hij er blijvend niet in slaagt een betrekking als verkeersvlieger te vinden.

13. De grieven kunnen de vernietiging van het aangevallen vonnis niet bewerkstelligen.

De slotsom.

14. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep, voor wat het salaris betreft te begroten op 1 procespunt naar tarief II.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van KLS tot aan deze uitspraak op euro 296.-- aan verschotten en euro 894,-- aan salaris voor de procureur en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs Mollema, voorzitter, Zuidema en Kuiper, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 24 januari 2007.