Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:AZ7627

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
31-01-2007
Datum publicatie
28-02-2007
Zaaknummer
0600343
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat de in r.o. 2 onder (iv) genoemde brief van 11 maart 2005 als aan MJD gericht kan worden aangemerkt, is het hof met de kantonrechter van oordeel dat er geen, althans onvoldoende grond bestaat dat MJD de in die brief gedane uitlatingen, meer in het bijzondere de hiervoor weergegeven uitlatingen daarin, als een beroep op de nietigheid van het ontslag op staande voet heeft moeten opvatten. In deze brief is niet aangegeven dat [appellante] het niet eens is met het haar gegeven ontslag. Evenmin valt er in te lezen dat [appellante] haar werkzaamheden weer wil hervatten. Nu niet is gesteld of gebleken dat [appellante] anderszins binnen zes maanden na het ontslag op staande voet, de nietigheid ervan heeft ingeroepen, moet van de geldigheid van het ontslag worden uitgegaan. Het hof ziet daarom geen aanleiding om te onderzoeken of aan het ontslag op staande voet een dringende reden, als bedoeld in art. 7:677 lid 1 BW, zou hebben ontbroken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 31 januari 2007

Rolnummer 0600343

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [appellante],

toevoeging,

procureur: mr P.R. van den Elst,

tegen

Stichting Maatschappelijke en Juridische Dienstverlening Groningen,

gevestigd te Groningen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: MJD,

procureur: mr J.F. Rouwé-Danes.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 13 april 2006 door de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen, hierna te noemen de kantonrechter.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 7 juli 2006 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van MJD tegen de zitting van 26 juli 2006.

De conclusie van de memorie van grieven, waarbij tevens producties zijn overgelegd, luidt:

"bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de Rechtbank Groningen, sector Kanton, locatie Groningen, waarvan ten dele appèl is ingesteld te vernietigen, en opnieuw recht doende in appèl [appellante] in haar vorderingen ontvankelijk te verklaren, en, voor zover uw Hof aan die beoordeling toekomt voor recht te verklaren dat het aan [appellante] op 08 februari 2005 aangezegde ontslag op staande voet nietig is, zodat MJD gehouden is aan [appellante] het haar toekomende salaris over de periode van 08 februari 2005 tot 01 april 2005 door te betalen, zulks vermeerderd met de wetttelijke verhoging ex. artikel 7:625 BW ad 50%, althans enig percentage in goede justitie te bepalen, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente, dit alles met veroordeling van MJD in de kosten van beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door MJD verweer gevoerd met als conclusie:

"het vonnis van de Rechtbank te Groningen, sector kanton, locatie Groningen op 13 april 2005 tussen partijen onder rolnummer 279922 CV EXPL 05-13466 gewezen zonodig met verbetering en/of aanvulling van gronden te bekrachtigen, zulks met veroordeling van appellante in de kosten van beide instanties."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd en heeft het hof een dag bepaald voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellante] heeft twee grieven opgeworpen.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in overweging 1 van het genoemde vonnis van 13 april 2006 zijn geen grieven opgeworpen, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Deze feiten worden hierna, voor zover ter zake doende, herhaald onder aanvulling van enkele feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan.

2. Bedoelde vaststaande feiten zijn de volgende:

(i) [appellante] is op 1 april 2004 voor de duur van één jaar in dienst getreden van MJD. Het laatstelijk genoten bruto maandsalaris beliep euro 1.598,--.

(ii) Op de arbeidsovereenkomst is de collectieve arbeidsovereenkomst voor Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening van toepassing.

(iii) Bij een door [betrokkene 1], directeur van MJD, namens deze aan haar

gerichte brief van 8 februari 2005 is [appellante] op staande voet ontslagen wegens het zich herhaaldelijk niet houden aan de afspraken omtrent aanwezigheid.

(iv) Een door [appellante] aan [betrokkene 2], werkzaam op de afdeling P & O van MJD, gerichte brief van 11 maart 2005 (prod. 5 bij conclusie van antwoord) vermeldt onder meer:

'Het is nooit mijn bedoeling geweest dat dit allemaal op deze manier is gegaan. (...). Teveel is gebeurd voor mijn vakantie en ik had echt gehoopt om tijdens mijn vakantie, de vakantie van mijn leven te hebben zodat ik na mijn vakantie met een frisse start kan beginnen!'

De omschrijving van het geschil

3. Tussen partijen is in geschil of [appellante] bij de hiervoor in r.o. 2 onder (iv) genoemde brief van 11 maart 2005 de nietigheid van het ontslag op staande voet heeft ingeroepen.

Met betrekking tot de grieven

4. De grieven leggen het hiervoor omschreven geschil in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor. Het hof zal de grieven daarom gezamenlijk behandelen.

5. Voorop gesteld moet worden dat voor het inroepen van de nietigheid van een ontslag op staande voet, als bedoeld in art. 9 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945, voldoende is dat de werkgever de betreffende uitlatingen, door of namens de werknemer gedaan, redelijkerwijs in die zin heeft moeten opvatten dat daarmee een beroep op nietigheid van het ontslag wordt gedaan (HR 17 april 1998, NJ 1998, 495).

6. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat de in r.o. 2 onder (iv) genoemde brief van 11 maart 2005 als aan MJD gericht kan worden aangemerkt, is het hof met de kantonrechter van oordeel dat er geen, althans onvoldoende grond bestaat dat MJD de in die brief gedane uitlatingen, meer in het bijzondere de hiervoor weergegeven uitlatingen daarin, als een beroep op de nietigheid van het ontslag op staande voet heeft moeten opvatten. In deze brief is niet aangegeven dat [appellante] het niet eens is met het haar gegeven ontslag. Evenmin valt er in te lezen dat [appellante] haar werkzaamheden weer wil hervatten.

7. Nu niet is gesteld of gebleken dat [appellante] anderszins binnen zes maanden na het ontslag op staande voet, de nietigheid ervan heeft ingeroepen, moet van de geldigheid van het ontslag worden uitgegaan. Het hof ziet daarom geen aanleiding om te onderzoeken of aan het ontslag op staande voet een dringende reden, als bedoeld in art. 7:677 lid 1 BW, zou hebben ontbroken.

8. De grieven treffen derhalve geen doel.

De slotsom

9. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. [appellante] moet als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep worden veroordeeld. Deze kosten zullen worden berekend naar het liquidatietarief voor de hoven (tarief I; 1 punt à euro 632,--).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot deze tot aan deze uitspraak aan de zijde van MJD op euro 248,-- aan verschotten en euro 632,-- aan salaris voor de procureur.

Aldus gewezen door mrs Zuidema, voorzitter, Kuiper en Breemhaar, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Van den Bosch als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 31 januari 2007.