Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:AZ7193

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
26-01-2007
Datum publicatie
29-01-2007
Zaaknummer
24-000755-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich fysiek verzet tegen een tweetal opsporingsambtenaren dat hem wilde aanhouden op verdenking van het hebben gepleegd van het niet voldoen aan een krachtens de Wet op de economische delicten gedane vordering. Verdachte heeft door zijn handelen overlast veroorzaakt en de betreffende ambtenaren belemmerd in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. De omstandigheid dat verdachte zijn aanhouding niet terecht vond doet niet af aan de strafwaardigheid van zijn handelen.

Wetsverwijzingen
Wet op de economische delicten
Wet op de economische delicten 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2007/94
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000755-06

Parketnummer eerste aanleg: 17-690013-05

Arrest van 26 januari 2007 van het gerechtshof te Leeuwarden, economische kamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 14 maart 2006 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1949 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep

De economische politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en op een vordering tot tenuitvoerlegging beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen wegens de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten tot een geldboete van euro 750,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis, en dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder aan verdachte voorwaardelijk opgelegde geldboete van euro 170,-- zal toewijzen.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan dit arrest is gehecht een fotokopie van de inleidende dagvaarding. De inhoud van de tenlastelegging wordt geacht hier te zijn overgenomen.

Vrijspraak

Het hof acht niet bewezen hetgeen onder 1 aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. Meer in het bijzonder acht het hof niet bewezen dat bij verdachte het opzet heeft bestaan op het niet voldoen aan een vordering gedaan krachtens artikel 20 van de Wet op de economische delicten, althans enig voorschrift van die wet.

Naast artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) kent de Wet op de economische delicten (hierna: WED) een vergelijkbare strafbaarstelling die is neergelegd in artikel 26. Anders dan artikel 184 Sr., heeft artikel 26 WED enkel betrekking op het niet voldoen aan een vordering krachtens de WED gedaan. Bovendien dient, gelet op de plaatsing van het woord "opzettelijk" in de delictsomschrijving van artikel 26 WED, het opzet van verdachte te zijn gericht op het niet voldoen aan een krachtens de WED gedane vordering. Verdachte moet derhalve ten minste bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de tot hem gerichte vordering berustte op de WED. Juist vanwege de verstrekkendheid van de in de WED voorkomende bevoegdheden van opsporingsambtenaren, dienen in het kader van artikel 26 WED hoge eisen te worden gesteld aan opsporingsambtenaren voor wat betreft hetgeen zij aan verdachten dienen mee te delen omtrent de grondslag van die bevoegdheden.

Verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat de verbalisanten hem slechts hebben meegedeeld dat zij het recht hadden om zijn bedrijf te betreden, zonder daarbij te vermelden op grond van welke wettelijke bepaling zij over die bevoegdheid beschikten. De verbalisanten zouden daarbij hebben aangegeven dat zij een brandmelding kwamen onderzoeken. Verdachte heeft voorts steeds verklaard dat hij om allerlei redenen twijfelde aan de bevoegdheden van de verbalisanten en die twijfels ook kenbaar heeft gemaakt aan verbalisanten.

Het proces-verbaal van aanhouding van verdachte, d.d. 16 december 2004 op ambtseed opgemaakt door de verbalisanten F.J. Wiersma en C.S. de Zwart, brigadier, respectievelijk hoofdagent van politie, team Achtkarspelen-Kollumerland c.a., houdt met betrekking tot hetgeen verbalisanten aan verdachte hebben meegedeeld omtrent de grondslag van hun bevoegdheid slechts in dat zij aan verdachte hebben meegedeeld dat zij iedere plaats behalve de woning mochten betreden in het kader van de handhaving van en het toezicht op de bepalingen gesteld in de milieuwetgeving. Het hof acht aannemelijk dat de verbalisanten niet meer duidelijkheid hebben verschaft omtrent de grondslag van hun bevoegdheid op grond van de WED iedere plaats te mogen betreden.

Het hof is van oordeel dat op grond van vorenstaande niet bewezen kan worden dat verdachte wist, althans dat hij welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, dat de vordering waaraan hij opzettelijk niet voldeed werd gedaan krachtens een voorschrift van de WED.

Weliswaar heeft verbalisant Wiersma op 15 december 2005 tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij en zijn collega aan verdachte hebben meegedeeld dat zij onderzoek in het bedrijfspand wilden doen omdat zij bij economische delicten toegang hebben tot iedere plaats, doch het hof hecht meer geloof aan hetgeen onder andere diezelfde verbalisant Wiersma daaromtrent in het proces-verbaal van aanhouding heeft vermeld, nu dit proces-verbaal twee dagen na de aanhouding van verdachte is opgemaakt en voornoemde verklaring bij de rechter-commissaris een jaar na dato is afgelegd.

Bewijsverweer feit 2

Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman van verdachte aangevoerd dat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken, nu niet bewezen kan worden dat verbalisanten handelden in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Ter onderbouwing daarvan heeft de raadsman ten eerste gesteld dat, gelet op hetgeen hij ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde heeft aangevoerd, voornoemd bestanddeel niet bewezen kan worden. Ten tweede heeft de raadsman betoogd dat verbalisanten verdachte bij zijn aanhouding dermate hardhandig hebben vastgegrepen dat daarmee de grenzen van proportionaliteit zijn overschreden, zodat ook om die reden voormeld bestanddeel niet bewezen kan worden.

Hetgeen de raadsman van verdachte ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde heeft aangevoerd, heeft - kort gezegd - betrekking op de bevoegdheid van de opsporingsambtenaren het bedrijf van verdachte te betreden en de vraag of gebruikmaking van die bevoegdheid redelijkerwijs noodzakelijk was, alsmede op het opzet van verdachte op het niet voldoen aan een vordering van de opsporingsambtenaren in het kader van de WED.

Het onder 2 tenlastegelegde ziet op door verdachte gepleegde handelingen van verzet tegen zijn aanhouding op heterdaad door de daar genoemde opsporingsambtenaren. Ter beoordeling ligt dan voor of bedoelde opsporingsambtenaren ter zake van de aanhouding van verdachte handelden in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Daarvan is naar het oordeel van het hof sprake, nu er - nadat verdachte de verbalisanten de toegang tot zijn pand had geweigerd - sprake was van een redelijk vermoeden dat verdachte zich schuldig maakte aan ambtsbelemmeringen als bedoeld in artikel 26 van de WED. Het hof is van oordeel dat de door de raadsman gestelde gebreken ten aanzien van de wijze van uitoefening van de bevoegdheid van verbalisanten tot het betreden van het bedrijf van verdachte (onder meer het niet melden door de verbalisanten dat de bevoegdheid is gebaseerd op de WED, welk gegeven ten grondslag ligt aan de vrijspraak van het onder 1 vermelde feit), aan de rechtmatigheid van de bediening van verbalisanten ten aanzien van de aanhouding van verdachte niet afdoet.

Met betrekking tot de wijze waarop verdachte is aangehouden, overweegt het hof het volgende. Uit de stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat - teneinde verdachte geboeid in de gereed staande politiewagen plaats te laten nemen - door de politieambtenaren, die de aanhouding van verdachte verrichtten, enig geweld is gebruikt, ten gevolge waarvan verdachte letsel heeft bekomen, in de vorm van bloeduitstortingen op zijn bovenarm. Mede gelet op de aard en de duur van het door verdachte gepleegde verzet, zoals naar voren komt uit het proces-verbaal van aanhouding, is de wijze van aanhouding naar het oordeel van het hof niet dermate disproportioneel dat daardoor de rechtmatigheid aan het optreden van de politieambtenaren komt te ontvallen.

Op grond van het vorenstaande dient het verweer te worden verworpen.

Bewezenverklaring

(zie de aangehechte, uitgestreepte tenlastelegging)

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

onder 2: wederspannigheid.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de straf bepaald op grond van de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, alsmede zijn draagkracht. Het hof heeft daarbij in het bijzonder gelet op het volgende.

Verdachte heeft zich fysiek verzet tegen een tweetal opsporingsambtenaren dat hem wilde aanhouden op verdenking van het hebben gepleegd van het niet voldoen aan een krachtens de WED gedane vordering. Verdachte heeft door zijn handelen overlast veroorzaakt en de betreffende ambtenaren belemmerd in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. De omstandigheid dat verdachte zijn aanhouding niet terecht vond doet niet af aan de strafwaardigheid van zijn handelen.

Het hof heeft voorts gelet op het verdachte betreffende uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 16 november 2006, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld wegens strafbare feiten.

Het hof acht - alles overwegende - een geheel onvoorwaardelijke geldboete een passende sanctie.

Motivering van de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 20 maart 2003, is veroordeelde veroordeeld tot een geldboete van euro 340,-- (subsidiair 6 dagen hechtenis), waarvan euro 170,-- (subsidiair 3 dagen hechtenis) voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Blijkens het onderzoek ter 's hofs terechtzitting is voormeld vonnis onherroepelijk geworden op 4 april 2003. De proeftijd is ingegaan op 4 april 2003.

De officier van justitie heeft op 11 februari 2005 gevorderd dat last zal worden gegeven tot tenuitvoerlegging van voormelde straf, ten aanzien waarvan bij voormeld vonnis bevel was gegeven dat deze voorwaardelijk niet zou worden ten uitvoer gelegd, omdat veroordeelde zich voor het einde van voormelde proeftijd heeft schuldig gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

Nu gebleken is dat veroordeelde het hiervoor onder 2 bewezen verklaarde feit heeft begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd, zal het hof op grond van het vorenstaande de tenuitvoerlegging gelasten van voormelde straf.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 23 (oud), 24, 24c en 180 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte onder 2 ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van driehonderdvijfenzeventig euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van zeven dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

gelast de tenuitvoerlegging van de aan veroordeelde bij vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 20 maart 2003 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten:

een geldboete van honderdzeventig euro, met bevel voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van drie dagen zal worden toegepast.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.H.A. Fransen, voorzitter, mr. O. Anjewierden en mr. T. Knoop, in tegenwoordigheid van mr. N.A. Vlietstra als griffier, zijnde mr. Knoop voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.