Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2007:AZ6283

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-01-2007
Datum publicatie
17-01-2007
Zaaknummer
BK 1018/04 BPM
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BJ2012, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of voor de berekening van de BPM in het kader van de tegenbewijsregeling uitgegaan moet worden van de inkoopwaarde die in de handel pleegt te worden gebruikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/21.1.3
FutD 2007-0126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. BK 1018/04 12 januari 2007

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Douane Noord/kantoor Groningen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de door hem gedane betaling op eigen aangifte d.d. 28 januari 2003 ter zake van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (: BPM).

1. Ontstaan en loop van het geding.

1.1 Belanghebbende heeft op grond van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (: de Wet) BPM op aangifte voldaan tot een bedrag van € 11.539, -.

1.2 Het namens belanghebbende tijdig ingediende bezwaar tegen de aangifte heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 8 oktober 2004 ongegrond verklaard.

1.3 Namens belanghebbende is tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij een pro forma beroepschrift (met bijlagen) hetwelk op 12 november 2004 is ingekomen en is aangevuld bij schrijven (met bijlagen) van 8 december 2004.

1.4 Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 6 maart 2006, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren als de gemachtigden van belanghebbende de heer A en de heer B (: de gemachtigden), zomede namens de inspecteur C, bijgestaan door een medewerker van de belastingdienst. Ter zitting waren eveneens aanwezig de heren D en E als bestuurders van Stichting F.

1.5 Ter voormelde zitting hebben de gemachtigden van belanghebbende een pleitnota (met bijlage) overgelegd en voorgelezen. Tegen overlegging van de bijlage heeft de inspecteur bezwaar gemaakt. De mondelinge behandeling van de zaak is vervolgens gesloten. De voorzitter heeft ter zitting meegedeeld dat in deze zaak een schriftelijke uitspraak zal worden gedaan. Partijen hebben vervolgens het hof op diens verzoek (in verband met het overlijden van prof. mr. E. Aardema) schriftelijk toestemming verleend om zonder nadere mondelinge behandeling in een andere samenstelling van de meervoudige kamer uitspraak te doen.

1.6 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Belanghebbende, een particulier, heeft vanuit Duitsland een gebruikt personenvoertuig van het merk Mercedes, type E 220, (: de personenauto) in Nederland binnengebracht met een kilometerstand van ongeveer 18.500 km. De datum van eerste toelating (in Duitsland) van de personenauto is 16 maart 2002.

2.2 Ter zake van de registratie van de personenauto in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens heeft belanghebbende overeenkomstig de artikelen 9 en 10 van de Wet € 11.539, - aan BPM op aangifte voldaan. Daarbij is rekening gehouden met een netto catalogusprijs van de personenauto van € 32.867, -. Voor de berekening van de korting in verband met leeftijd is ingevolge de tabel van artikel 10, tweede lid, van de Wet een percentage van 24 toegepast.

2.3 Tegen de aangifte is namens belanghebbende bezwaar gemaakt, welk bezwaar de inspecteur heeft afgewezen. Vervolgens is namens belanghebbende beroep ingesteld tegen voormelde uitspraak op bezwaar.

3. Het geschil.

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of voor de berekening van de BPM in het kader van de tegenbewijsregeling uitgegaan moet worden van de inkoopwaarde die in de handel pleegt te worden gebruikt.

3.2 Als de vraag onder 3.1 bevestigend wordt beantwoord is in geschil het antwoord op de vraag of het door belanghebbende naar voren gebrachte programma XRAY (: XRAY) een aanvaardbare waardebepaling geeft en als uitgangspunt kan worden genomen voor de berekening van de verschuldigde BPM.

3.3 Of de in artikel 10, tweede lid, van de Wet opgenomen forfaitaire tabel in strijd is met het EG-Verdrag houdt partijen niet verdeeld.

4. De standpunten van partijen.

4.1 Ter onderbouwing van zijn stelling dat uitgegaan moet worden van de inkoopwaarde zoals die door de handel wordt gehanteerd verwijst belanghebbende naar rechtsoverweging 4 van het arrest van de Hoge Raad van 6 december 2002, nr. 37.666. Belanghebbende veronderstelt dat de Hoge Raad in dit arrest al rekening heeft gehouden met de overwegingen van het Hof van Justitie EG 19 september 2002, nr. C-101/00 (HvJ Tulliasiamies & Siilin). Tevens verwijst hij naar de in artikel 9, lid 3, van de Wet opgenomen omschrijving van de netto catalogusprijs als maatstaf voor de heffing van BPM. Voorts heeft belanghebbende ter zitting het rapport van ECORYS Transport, opgesteld in opdracht van het Ministerie van Financiën, d.d. 25 juli 2003, overgelegd ter ondersteuning van zijn standpunt dat de waardevermindering moet worden gebaseerd op de inkoopprijs en niet op de verkoopprijs. Bovendien stelt hij dat dit rapport aangeeft dat de forfaitaire afschrijvingstabel van artikel 10, tweede lid, van de Wet gebaseerd is op gemiddelde inkoopprijzen. Tevens maakt belanghebbende gebruik van twee rekenvoorbeelden ter ondersteuning van zijn standpunt. Met betrekking tot het onder 3.2 vermelde geschilpunt stelt belanghebbende zich op het standpunt dat XRAY een zeer betrouwbaar en bruikbaar instrument is om te bepalen of de forfaitaire afschrijvingstabel van artikel 10, tweede lid, van de Wet in voorkomende gevallen - zoals deze - tot een te laag verminderingspercentage leidt. Redengevend daarvoor is dat XRAY een landelijk erkend bepalingssysteem voor inruilwaarden is waarvan reële handelswaarden de basis vormen. De handelsprijzen van 5.500 verschillende autotypen worden periodiek verzameld en berekend door middel van meer dan 140.000 prijsnotaties die per taxatieronde worden aangeleverd door een grote groep geselecteerde bonafide autohandelaren. Belanghebbende concludeert tot een vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot een mindering van de op aangifte voldane BPM van € 3.974, -.

4.2 De inspecteur heeft daartegenover op gronden, gelijk weergegeven in zijn verweerschrift, het standpunt verdedigd dat het arrest van de Hoge Raad van 6 december 2002, nr. 37.666, niet ziet op de in het onderhavige geval toegepaste afschrijvingstabel zoals die per 1 mei 1999 in opgenomen in artikel 10, tweede lid, van de Wet. Bovendien heeft de Hoge Raad in voormeld arrest aangegeven dat voor het inbrengen van gegevens, waaruit kan blijken hoe de voldane BPM zich verhoudt tot het restant aan BPM dat nog drukt op vergelijkbare, reeds in Nederland geregistreerde auto’s, de inspecteur een facultatieve vrijheid heeft. Hij kan die gegevens eventueel verschaffen aan de hand van koerslijsten met richtprijzen, zoals die bij de inkoop van gebruikte auto’s in de handel plegen te worden gehanteerd. De inspecteur vindt dat de huidige afschrijvingslijn met de door het bestuursorgaan geboden mogelijkheid tot tegenbewijs voldoet aan het EG-recht. Verder moet voor een goede vergelijking uitgegaan worden van een prijs in een vergelijkbaar handelsstadium, te weten het in de Wet gehanteerde handelsstadium van de verkoop aan particulieren. XRAY geeft juist de inkoopwaarde van tweedehands auto’s weer bij de verkoop tussen autohandelaren onderling. Aangezien dit een ander handelsstadium is dan het handelsstadium aan particulieren voldoet XRAY niet aan het EG-recht, aldus de inspecteur.

4.3 Partijen hebben ter zitting hun onderscheidene standpunten gehandhaafd.

5. De overwegingen omtrent het geschil.

5.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 1, eerste tot en met derde lid, van de Wet wordt de BPM geheven met betrekking tot personenauto’s, waarbij de belasting verschuldigd is ter zake van de registratie van een personenauto in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens.

5.2 In artikel 9 van de Wet is bepaald tot welke omvang de belasting wordt berekend, op welk belastingbedrag, ingeval het gaat om gebruikte personenauto’s - gelijk te dezen het geval is - ingevolge het bepaalde in artikel 10 van de Wet een vermindering in verband met de waardevermindering van gebruikte voertuigen wordt toegepast. In artikel 10, tweede lid, van de Wet is bepaald dat de vermindering wordt berekend op een percentage van de belasting, welk percentage volgt uit een aldaar vermelde tabel. Deze tabel is gebaseerd op de tijdsduur die is verstreken na het tijdstip waarop de personenauto voor het eerst in gebruik is genomen. Of de in het tweede lid van artikel 10 van de Wet vervatte tabel in strijd is met EG-recht is te dezen tussen partijen geen punt van geschil.

5.3 Wanneer een lidstaat op uit andere lidstaten ingevoerde gebruikte voertuigen een stelsel van belastingheffing toepast waarin de werkelijke waardevermindering van voertuigen op algemene en abstracte wijze op basis van nationaalrechtelijke criteria is vastgelegd - zoals in de tabel van artikel 10, tweede lid, van de Wet - vereist artikel 90 van het EG-Verdrag dat dit stelsel van belastingheffing in dier voege wordt opgezet dat, redelijke schattingen die inherent zijn aan een stelsel van dit type daargelaten, iedere discriminerende werking is uitgesloten. Dit vereiste veronderstelt dat de eigenaar van een uit een andere lidstaat ingevoerd gebruikt voertuig de toepassing van een forfaitaire berekening kan aanvechten (zie onder meer het arrest van het Hof van Justitie EG van 19 september 2002, Tulliasiamies & Siilin, nr. C-101/00, punt 89). Van deze mogelijkheid van afwijking van de tabel van artikel 10, tweede lid, van de Wet, zoals ook gegeven in het Besluit van 3 december 2003, nr. DGB2003/6752M, Stcrt. 238, maakt belanghebbende gebruik en op hem rust dan ook, naar het oordeel van het hof, de last feiten of omstandigheden te stellen en - bij betwisting door de inspecteur - aannemelijk te maken die de afwijking rechtvaardigen.

5.4 In het kader van zijn tegenbewijs stelt belanghebbende dat uitgegaan moet worden van de inkoopwaarde van gebruikte auto’s die de handel pleegt te gebruiken, daarbij verwijzend naar rechtsoverweging 4 van het arrest van de Hoge Raad van 6 december 2002, nr. 37.666 en naar XRAY. Ingevolge artikel 9, eerste, derde en vierde lid, van de Wet vormt de catalogusprijs, verminderd met de daarin begrepen omzetbelasting, de maatstaf van heffing, zijnde de in Nederland door de fabrikant of importeur aan wederverkopers kenbaar gemaakte prijs welke naar zijn inzicht bij verkoop aan de uiteindelijke afnemer valt te berekenen. Naar het oordeel van het hof is dit de in Nederland geadviseerde verkoopprijs aan consumenten. Ook voor belanghebbende, die als particulier vanuit Duitsland de gebruikte personenauto heeft binnengebracht, geldt deze maatstaf.

5.5 Een lidstaat mag volgens artikel 90 van het Verdrag op uit een andere lidstaat ingevoerde gebruikte voertuigen een stelsel van belastingheffing toepassen waarbij de belastbare waarde varieert naargelang van het handelsstadium waarin de importeur van het voertuig optreedt, mits het bedrag van de belasting op ingevoerde gebruikte voertuigen niet hoger ligt dan de belasting die nog rust op de waarde van een vergelijkbaar, reeds op het nationale grondgebied geregistreerd voertuig (zie het arrest van het Hof van Justitie EG van 19 september 2002, Tulliasiamies & Siilin, nr. C-101/00, punt 61). Met zijn verwijzing naar rechtsoverweging 4 van het arrest van de Hoge Raad van 6 december 2002, nr. 37.666, heeft belanghebbende niet aannemelijk weten te maken dat de inruilwaarde zoals de handel die pleegt te hanteren als uitgangspunt voor de berekening van de onderhavige verschuldigde BPM moet worden genomen, aangezien dit arrest is gewezen ten aanzien van een persoon die handelt in gebruikte auto’s. Deze persoon verkeert in een ander handelsstadium dan belanghebbende, zijnde een consument. Ook de door belanghebbende gemaakte berekeningen maken niet dat zijn standpunt, te weten dat wanneer niet de inruilwaarden worden gehanteerd de belasting op ingevoerde gebruikte voertuigen hoger is dan de belasting die nog rust op de waarde van een vergelijkbaar, reeds op het nationale grondgebied geregistreerd voertuig belasting, in het onderhavige geval gevolgd dient te worden. De ene berekening betreft namelijk niet een grensoverschrijdende situatie en de andere berekening ziet niet op het handelsstadium van consumenten. Belanghebbendes verwijzing naar XRAY treft eveneens geen doel daar, blijkens hetgeen partijen omtrent dit programma naar voren brengen, dit programma ook ziet op een ander handelsstadium dan dat waarin belanghebbende opereeerde. Het door belanghebbende overgelegde rapport van ECORYS Transport, opgesteld in opdracht van het Ministerie van Financiën, d.d. 25 juli 2003, kan evenmin als ondersteuning van zijn standpunt gelden. Zijn stelling dat dit rapport bevestigt dat de forfaitaire afschrijvingstabel van artikel 10, tweede lid, van de Wet gebaseerd is op gemiddelde inkoopprijzen, valt overigens geenszins hieruit op te maken.

5.6 Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat de vraag onder 3.1 negatief moet worden beantwoord. Het hof komt niet toe aan de beoordeling van het tweede geschilpunt. Het beroep is ongegrond.

5.7 Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 12 januari 2007 door mr. J. Huiskes, raadsheer en voorzitter, mr. F.J.W. Drion en mr. H. Bakker, raadsheren-plaatsvervangers, en in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. de Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde voorzitter en door de griffier.

Op 17 januari 2007 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.