Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AZ5606

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
04-01-2007
Zaaknummer
0400563
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij [appellante] die het beroep van tandarts uitoefende, is door een skiongeval blijvende invaliditeit aan haar duim ontstaan. Hierdoor is [appellante] arbeidsongeschikt geworden voor het beroep van tandarts. [..] Het geschil betreft de uitleg van de tussen partijen gesloten overeenkomst van verzekering tegen ongevallen, in het bijzonder de daarvan uitmakende polisclausule 411 in samenhang met artikel 1.3 en artikel 2.2.1 van de polisvoorwaarden. [..] Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het bij de uitleg van de toepasselijke polisclausules aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan de clausules mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Hierbij speelt de taalkundige uitleg van de bewoordingen van de polisclausules een rol, maar deze behoeft niet doorslaggevend te zijn. [..] Wat [appellante] in aanvulling op haar stellingen in eerste aanleg nog heeft aangevoerd strekt ter onderbouwing van haar standpunt dat bij het bepalen van de hoogte van de uitkering haar arbeidsongeschiktheid een bijzondere omstandigheid is die voor de uitleg van de polisclausule van belang is. Dit stuit echter af op het door het hof onderschreven oordeel van de rechtbank dat de onderhavige verzekering niet bedoeld is om het risico van arbeidsongeschiktheid te dekken, maar dat van een ongeval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 20 december 2006

Rolnummer 0400563

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats en -gemeente appellante],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [appellante],

procureur: mr J.V. van Ophem,

tegen

AEGON Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te Leeuwarden,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: Aegon,

procureur: mr V.M.J. Both.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 21 april 2004 en 20 oktober 2004 door de rechtbank te Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 2 december 2004 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 20 oktober 2004 met dagvaarding van Aegon tegen de zitting van 15 december 2004.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"het vonnis van de Rechtbank te Leeuwarden van 20 oktober 2004 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [appellante] alsnog toe te wijzen, met veroordeling van Aegon in de kosten van beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door Aegon verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, zonodig met aanvulling of verbetering van gronden, te bekrachtigen het vonnis op 20 oktober 2004 door de rechtbank te Leeuwarden onder zaak- en rolnummer 62681 / HA ZA 04-144 tussen partijen gewezen, en [appellante] te veroordelen in de kosten van deze procedure."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellante] heeft één grief opgeworpen.

De beoordeling

Met betrekking tot de feiten

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.6) van genoemd vonnis van 20 oktober 2004 is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

Met betrekking tot de grief

2. De grief heeft de strekking het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen.

3. Bij [appellante] die het beroep van tandarts uitoefende, is door een skiongeval blijvende invaliditeit aan haar duim ontstaan. Hierdoor is [appellante] arbeidsongeschikt geworden voor het beroep van tandarts.

4. Het geschil betreft de uitleg van de tussen partijen gesloten overeenkomst van verzekering tegen ongevallen, in het bijzonder de daarvan uitmakende polisclausule 411 in samenhang met artikel 1.3 en artikel 2.2.1 van de polisvoorwaarden (zie voor de tekst van deze clausules het aangehechte vonnis van de rechtbank van 20 oktober 2004).

5. De blijvende invaliditeit van [appellante] is uiteindelijk door Aegon op grond van de polis vastgesteld op 23%; op grond hiervan is aan [appellante] een uitkering gedaan. [appellante] maakt echter aanspraak op een uitkering van 100% van het voor blijvende invaliditeit verzekerde bedrag, stellende dat op grond van clausule 411 bij functieverlies van een duim recht bestaat op een uitkering van 100% van het verzekerde bedrag, ongeacht of er sprake is van algeheel dan wel van gedeeltelijk functieverlies.

6. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het bij de uitleg van de toepasselijke polisclausules aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan de clausules mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Hierbij speelt de taalkundige uitleg van de bewoordingen van de polisclausules een rol, maar deze behoeft niet doorslaggevend te zijn.

7. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de door Aegon gegeven uitleg van clausule 411 juist is, zodat Aegon op juiste gronden tot uitkering van 23% van het maximum van het verzekerde bedrag is overgegaan. Het hof neemt over de door de rechtbank hiervoor gegeven motivering (rechtsoverwegingen 6 en 7 van het vonnis van 20 oktober 2004).

8. Wat [appellante] in aanvulling op haar stellingen in eerste aanleg nog heeft aangevoerd strekt ter onderbouwing van haar standpunt dat bij het bepalen van de hoogte van de uitkering haar arbeidsongeschiktheid een bijzondere omstandigheid is die voor de uitleg van de polisclausule van belang is. Dit stuit echter af op het door het hof onderschreven oordeel van de rechtbank dat de onderhavige verzekering niet bedoeld is om het risico van arbeidsongeschiktheid te dekken, maar dat van een ongeval. Het door [appellante] in het verband van haar stellingen gedane bewijsaanbod kan in verband hiermee onbesproken blijven.

8.1. Volledigheidshalve merkt het hof nog op dat, voor zover [appellante] voor haar standpunt een argument meent te kunnen ontlenen aan artikel 2.2.2 van de polis, waarin - kort gezegd - wordt bepaald dat een mate van blijvende invaliditeit wordt bepaald door ten gunste van de verzekerde wel of geen rekening te houden met het beroep van de verzekerde, dit faalt. Het gaat in die bepaling immers om de mate van (functie)verlies van niet afzonderlijk genoemde organen of lichaamsdelen, terwijl het in casu gaat om (gedeeltelijk) functieverlies van een lichaamsdeel waarvoor een afzonderlijke regeling is overeengekomen.

9. De grief faalt.

De slotsom.

10. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellante] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep ( tarief III, 1 punt).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van Aegon tot aan deze uitspraak op euro 1.360,-- aan verschotten en euro 1.158,-- aan salaris voor de procureur;

verklaart deze veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs Streppel, voorzitter, Verschuur en Kuiper, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Mellink als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 20 december 2006.