Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AZ5600

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
04-01-2007
Zaaknummer
0600270
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

De gevorderde voorziening betreft veroordeling van [geïntimeerde] tot het doen van afstand van het restant van een bankgarantie, welke Schmidt-Bretten ten gunste van [geïntimeerde] heeft doen geven, zulks ter uitvoering van een tussen partijen op 2 februari 2006 ten overstaan van de kantonrechter te Leeuwarden gesloten dading. De bankgarantie strekte ter verzekering van de rechten die [geïntimeerde] uit hoofde van een tussen partijen bestaand hebbende arbeidsovereenkomst op Schmidt-Bretten pretendeerde te hebben. Gegeven de aard van de gevorderde voorziening dienen daaraan dezelfde eisen te worden gesteld als aan een geldvordering in kort geding. [..] In het onderhavige geval heeft Schmidt-Bretten noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep iets omtrent spoedeisend belang bij de gevorderde voorziening, laat staan omtrent feiten en omstandigheden als hiervoor bedoeld, gesteld en daarvan is ook niets gebleken. Schmidt-Bretten is derhalve niet ontvankelijk in haar vordering in kort geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 20 december 2006

Rolnummer 0600270

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

Schmidt-Bretten Nederland B.V.,

gevestigd te Leeuwarden,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: Schmidt-Bretten,

procureur: mr R.A. Schütz,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats geïntimeerde],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr E.W. Franken.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort geding vonnis uitgesproken op 11 mei 2006 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 1 juni 2006 is door Schmidt-Bretten hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 14 juni 2006, met als conclusie:

"het voornoemde vonnis te vernietigen voorzover de vordering is afgewezen en geïntimeerde te veroordelen tot hetgeen in eerste instantie voor het wijzen van het vonnis door appellante is gevorderd, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

De memorie van grieven is genomen.

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"Het vonnis van 11 mei 2006 van de Voorzieningenrecht / Rechtbank Leeuwarden in al haar onderdelen te bekrachtigen en appellante te veroordelen in de kosten van dit hoger beroep, één en ander uitvoerbaar bij voorraad."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

Schmidt-Bretten heeft drie grieven opgeworpen.

De beoordeling

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van de vordering:

1. De gevorderde voorziening betreft veroordeling van [geïntimeerde] tot het doen van afstand van het restant van een bankgarantie, welke Schmidt-Bretten ten gunste van [geïntimeerde] heeft doen geven, zulks ter uitvoering van een tussen partijen op 2 februari 2006 ten overstaan van de kantonrechter te Leeuwarden gesloten dading.

De bankgarantie strekte ter verzekering van de rechten die [geïntimeerde] uit hoofde van een tussen partijen bestaand hebbende arbeidsovereenkomst op Schmidt-Bretten pretendeerde te hebben.

2. Gegeven de aard van de gevorderde voorziening dienen daaraan dezelfde eisen te worden gesteld als aan een geldvordering in kort geding.

3. Krachtens vaste jurisprudentie is met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, terughoudendheid op zijn plaats, en moeten dienaangaande naar behoren feiten en omstandigheden worden aangewezen die meebrengen dat een zodanige voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed geboden is (zie onder meer HR 14 april 2000, NJ 2000/489).

4. In het onderhavige geval heeft Schmidt-Bretten noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep iets omtrent spoedeisend belang bij de gevorderde voorziening, laat staan omtrent feiten en omstandigheden als hiervoor bedoeld, gesteld en daarvan is ook niets gebleken.

5. Schmidt-Bretten is derhalve niet ontvankelijk in haar vordering in kort geding.

6. Geheel ten overvloede overweegt het hof nog het volgende.

7. Onderdeel van de hiervoor bedoelde, tussen partijen gesloten dading was de afspraak dat Schmidt-Bretten de loonbetalingen betreffende januari en februari 2006 voor 1 maart 2006 aan [geïntimeerde] zou doen toekomen en dat Schmidt-Bretten er voor zou zorgen dat [geïntimeerde] voor 31 maart 2006 de eindafrekening van zijn dienstverband met de bijbehorende betaling krijgt.

8. Vastgesteld moet echter worden dat Schmidt-Bretten (zie de toelichting op grief 3 en de producties 7, 8 en 9 bij de memorie van grieven) de eindafrekening afhankelijk heeft gemaakt van een nieuwe (eenzijdig) door haar geformuleerde voorwaarde, te weten een verklaring vooraf waarbij [geïntimeerde] zich verplicht na ontvangst van het in de eindafrekening genoemde bedrag, het restant van de bankgarantie vrij te geven. Impliciet werd [geïntimeerde] aldus gedwongen zijn zekerheid op te geven voor zover deze meer bedroeg dan het in de eindafrekening door Schmidt-Bretten berekende bedrag. Schmidt-Bretten heeft zich derhalve niet onverkort gehouden aan de in de dading vastgelegde afspraak, welke hiervoor is weergegeven. Nu [geïntimeerde] zich op het standpunt stelt dat hem uit hoofde van het dienstverband nog meer geld toekomt dan door Schmidt-Bretten in de eindafrekening was becijferd, was [geïntimeerde] ook allerminst gehouden om de nadere voorwaarde van Schmidt-Bretten te accepteren.

9. Bovendien staat het verschil van mening dat klaarblijkelijk tussen partijen bestaat omtrent de hoogte van het bedrag dat [geïntimeerde] nog uit hoofde van het dienstverband toekomt, ook op zich aan toewijzing van de gevorderde voorziening in de weg, nu voorshands niet duidelijk is wie op dat punt het gelijk aan zijn/haar zijde heeft.

Slotsom

10. Het hof zal de Schmidt-Bretten niet ontvankelijk verklaren in haar vordering, met veroordeling van Schmidt-Bretten in de kosten van deze procedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep (salaris procureur: 1 punt tarief I).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing waarvan beroep, behoudens voor wat betreft de daarbij uitgesproken kostenveroordeling;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

verklaart Schmidt-Bretten niet ontvankelijk in haar vordering;

veroordeelt Schmidt-Bretten in de kosten van deze procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op euro 296,-- aan verschotten en op euro 632,-- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest voor wat de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs Mollema, voorzitter, Kuiper en Zandbergen, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Mellink als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 20 december 2006.