Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AZ5595

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
04-01-2007
Zaaknummer
0600185
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof stelt voorop dat [appellant] tegenover Essent onrechtmatig heeft gehandeld indien overeenkomstig de stellingen van Essent komt vast te staan dat hij opzettelijk derden de gelegenheid heeft gegeven tot diefstal van elektriciteit. De vraag dient zich aan of die stelling deugdelijk is bestreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 20 december 2006

Rolnummer 0600185

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats appellant],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

toevoeging,

procureur: mr J.V. van Ophem,

tegen

Essent Netwerk Noord B.V.,

gevestigd te Groningen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: Essent,

procureur: mr P.R. van den Elst.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 2 maart 2005, 16 november 2005 en 22 maart 2006 door de rechtbank Groningen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 10 april 2006 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van de vonnissen d.d. 16 november 2005 en 22 maart 2006 met dagvaarding van Essent tegen de zitting van 26 april 2006.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"bij arrest, bij voorraad uitvoerbaar, te vernietigen de vonnissen die op 16 november 2005 en 22 maart 2006 door de Rechtbank Groningen tussen partijen zijn gewezen en, opnieuw rechtdoende, geïntimeerde alsnog in haar inleidende vordering niet ontvankelijk te verklaren, danwel de vordering van geïntimeerde af te wijzen met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door Essent verweer gevoerd met als conclusie:

"Tot bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank te Groningen waarvan beroep, zonodig met aanvulling en verbetering van gronden, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft drie grieven opgeworpen.

De beoordeling

Met betrekking tot de feiten

1. Tussen partijen staan de volgende feiten vast als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende weersproken.

1.1. Essent is beheerder van elektriciteits-, gas- en warmtenetwerken in Nederland. In dat kader is Essent onder meer verantwoordelijk voor het transport van elektriciteit in Groningen.

1.2. [appellant] heeft vanaf 1 oktober 2002 de onroerende zaak [adres] (hierna het pakhuis te noemen) gehuurd van [de eigenaar].

1.3. Bij een inval door de Regiopolitie Groningen in het pakhuis van 7 september 2003 is een hennepkwekerij aangetroffen. Ten behoeve van het kweken van circa 1000 hennepplanten waren 39 assimilatielampen, 3 slakkenhuisventilatoren, 3 koolstoffilters, 2 dompelpompen en 2 temperatuurregelaars in gebruik. In het pakhuis waren 2 aparte kabels op de installatie achter de hoofdzekeringen aangesloten. Hierdoor kon buiten de meter om ten behoeve van de kwekerij elektriciteit worden afgenomen.

Essent heeft op 3 oktober 2003 bij de politie aangifte gedaan van diefstal van elektriciteit.

1.4. Ten overstaan van de politie heeft [appellant] op 17 november 2003 onder meer verklaard:

"Ik heb geen werk. Ik krijg een uitkering van de sociale dienst te Groningen. Deze bedraagt 580 euro per maand.

Vanaf 1 oktober 2002 heb ik een pakhuis gehuurd van [de eigenaar]. Ik huurde dit pakhuis voor 1428 euro per maand. Ik had op dat moment geen onderdak. Ik wilde in dit pakhuis gaan wonen en een bedrijf beginnen. Ik wilde een opslagruimte voor diverse koeriersbedrijven. Ik heb daar een paar maanden gewoond tot ongeveer 1 maart 2003. Ik leefde van mijn eigen geld.

Ik at bij mijn moeder en leende geld van mijn moeder en familie en vrienden.

Vanaf 14 maart tot eind maart ben ik bij mijn vriendin geweest in verband met mijn verwondingen die ik (had, hof) opgelopen bij een vechtpartij.

Toen ik bij mijn vriendin was werd ik benaderd door twee jongens wiens naam ik niet wil noemen.

Zij wilden het pakhuis van mij huren. Ik heb hen mijn huurovereenkomst laten zien. Per 4 of 5 mei hebben zij het pakhuis van mij gehuurd. Zij hebben niet gezegd waarvoor zij het pakhuis wilden gebruiken. Ik ben nadien niet weer in het pakhuis geweest.

(...)

Zij hebben de huur steeds aan mij betaald. Ik heb de huur via kasstorting betaald aan [de eigenaar]. Tot september hebben zij de huur aan mij betaald."

1.5. Essent heeft tengevolge van het buiten de meter om gebruiken van elektriciteit schade geleden. Bij brief van 3 oktober 2003 heeft Essent [appellant] aansprakelijk gesteld voor die schade. Bij schrijven van 6 en 15 september 2004 is [appellant] gesommeerd tot betaling van een bedrag van euro 6.520,51

1.6. Bij het bestreden vonnis van 22 maart 2006 is [appellant] veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van euro 5.550,=, te vermeerderen met rente.

Met betrekking tot de grieven

2. Door de inhoud van de grieven wordt het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof onderworpen.

Met betrekking tot de grondslag van de vordering

3. Het hof stelt voorop dat [appellant] tegenover Essent onrechtmatig heeft gehandeld indien overeenkomstig de stellingen van Essent komt vast te staan dat hij opzettelijk derden de gelegenheid heeft gegeven tot diefstal van elektriciteit. De vraag dient zich aan of die stelling deugdelijk is bestreden.

4. [appellant] heeft minst genomen de suggestie gewekt dat hij welbewust als stroman is opgetreden. Hij is immers een huurverplichting aangegaan die zijn financiële mogelijkheden ver te boven ging; hij heeft de huur van meet af aan contant voldaan en [appellant] heeft het pakhuis naar hij beweert mondeling onderverhuurd aan personen van wie hij de namen tegenover de politie niet wenste te noemen en van wie hij de ware identiteit niet kent. Dat hij de huur vanaf oktober 2002 tot mei 2003 uit eigen middelen (contant) heeft betaald - zoals in de geciteerde verklaring wordt gesuggereerd -, heeft hij bovendien niet kunnen verklaren.

5. [appellant] beroept zich inmiddels echter op een gewijzigde lezing van de gang van zaken waarin dergelijke suggesties worden afgezwakt: hij zou al voorafgaand aan de huur, in de zomer van 2002, door de latere onderhuurders zijn benaderd met het voorstel een koeriersbedrijf op te zetten. Op hun verzoek - en met dat doel - zou hij het pakhuis hebben geregeld. De onderhuurders zouden hem daarvoor van meet af aan hebben betaald. [appellant] wijkt verder van de geciteerde verklaring af waar hij opmerkt niet of nauwelijks in het pand aanwezig te zijn geweest en daar op 4 mei 2003 zijn spullen te zijn gaan halen omdat hij kort voordien bij een verkeersongeluk aan zijn hoofd gewond was geraakt. Bij de politie verklaarde hij nog dat hij al in maart bij zijn vriendin was gaan wonen in verband met opgelopen verwondingen - overigens niet ten gevolge van een ongeluk, maar een vechtpartij.

6. Indien er overeenkomstig de laatste lezing al van zou worden uitgegaan dat de huur en de onderhuur gelijktijdig zijn aangevangen, dan nog ontbreekt het aan een plausibele verklaring voor een dergelijke constructie. Dat aan de samenwerking tussen [appellant] en zijn onderhuurders na 4 mei 2003 een einde zou zijn gekomen, zoals in de memorie van grieven valt te lezen, suggereert bovendien enige vorm van samenwerking vóór die datum. Daaromtrent is echter niets gesteld of gebleken. Aan zijn plan (en dat van de onderhuurders) om een koeriersbedrijf op te zetten, is in de lezing van [appellant] helemaal geen uitvoering gegeven, ook niet in de periode van een half jaar die aan het beweerdelijke ongeluk is voorafgegaan. [appellant] zwijgt over de redenen daarvan.

7. Hoewel ook Essent op deze inconsistenties heeft gewezen, gaan ze aan [appellant] geheel voorbij. De thans in hoger beroep door [appellant] geschetste gang van zaken lijkt dan ook vooral bedoeld om ongerijmdheden uit de eerste lezing te maskeren. Bij de huidige stand van zaken kunnen beide verklaringen om die reden bezwaarlijk anders dan als leugenachtig worden aangemerkt voor zover ze dienen tot betwisting van de stellingen van Essent. Daarmee staat als onvoldoende gemotiveerd betwist vast dat [appellant] opzettelijk derden de gelegenheid heeft gegeven tot diefstal van elektriciteit.

Met betrekking tot de hoogte van de schade

1. De vordering van Essent betreft deels arbeids- en materiaalkosten. Deze post heeft zij blijkens haar productie V berekend op een totaal van (6.520,51 - 5.863,62 =) euro 656,89. [appellant] heeft die berekening niet bestreden. Voor het overige heeft de vordering betrekking op schade ter zake van diefstal van elektriciteit. Bij memorie van antwoord heeft Essent zich op het standpunt gesteld dat niet zijzelf, maar Essent Retail daarvan de leverancier is. Behoudens bijzondere omstandigheden, zoals in geval van cessie ter incasso door Essent Retail (waaromtrent niets is gesteld of gebleken) kan zij dus niet het volle tarief aan schade vorderen. Blijkens de onbetwiste inhoud van haar productie III is Essent echter wel gerechtigd tot euro 0,0361 per kWh als vergoeding voor het gebruik van het netwerk. Bij de beoordeling van deze schadepost dient dan ook van dat bedrag te worden uitgegaan.

9. Het hof leest in de grieven en in de daarop gegeven toelichting of in het antwoord voor het overige geen andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en door de rechtbank gemotiveerd verworpen. In zoverre onderschrijft het hof hetgeen de rechtbank ter motivering van haar beslissing heeft overwogen en neemt die motivering over.

1. Een en ander betekent dat de schade met betrekking tot de levering van elektriciteit moet worden bepaald op 98/115 X 39.146 X 0,0361 = euro 1.204,27 exclusief BTW. Dat komt neer op euro 1.433,04,= inclusief BTW. In totaal is derhalve toewijsbaar (656,89 + 1.433,04 =) euro 2.089,93.

De slotsom

11. Het vonnis van 22 maart 2006 waarvan beroep dient te worden vernietigd voor zover [appellant] daarin is veroordeeld tot betaling van euro 5.550,= met rente. Op dit onderdeel zal overeenkomstig het voorgaande worden beslist. Voor het overige zal dit vonnis met het beroepen vonnis van 16 november 2005 worden bekrachtigd.

12. Het hof acht termen aanwezig de kosten van het geding in hoger beroep te compenseren.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis van 22 maart 2006 waarvan beroep voor zover [appellant] daarin is veroordeeld tot betaling van euro 5.550,=, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 september 2003 tot aan de dag der algehele voldoening,

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] tot betaling van euro 2.089,93 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 september 2003 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beroepen vonnissen voor het overige;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het geding in hoger beroep zal dragen.

Aldus gewezen door mrs Kuiper, voorzitter, Breemhaar en Zandbergen, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Mellink als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 20 december 2006.