Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AZ5535

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
03-01-2007
Zaaknummer
0400024
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zoals in het tussenarrest van 22 juni 2005 onder 9 is overwogen heeft het hof het voorshands - behoudens door Stad Rotterdam te leveren tegenbewijs - voldoende aannemelijk geacht dat het (gaan) volgen van de opleiding agogie is te beschouwen als een gevolg van het ongeval. [..]

Het hof is van oordeel dat noch uit de getuigenverklaring van [geïntimeerde] noch uit die van [de chi[getuige 2] blijkt van een zodanig concreet gegeven of enige zodanige aanwijzing dat op grond daarvan in voldoende mate twijfel kan ontstaan omtrent de juistheid van het vermoeden dat het hof heeft ontleend aan hetgeen hiervoor onder 2 is weergegeven. Met name kan daaruit niet worden afgeleid dat [geïntimeerde] voor het ongeval reeds concrete stappen had gezet om te komen tot een beroepswisseling en evenmin dat, indien de wens daartoe (kort) voor het ongeval al bij haar zou hebben bestaan, [geïntimeerde] daaraan in de nabije toekomst - zonder ongeval - daadwerkelijk uitvoering zou hebben gegeven. [..]

Het voorgaande betekent dat het gevraagde tegenbewijs niet is geleverd, zodat als vaststaand moet worden aangenomen dat het (gaan) volgen van de opleiding agogie is te beschouwen als een gevolg van het ongeval.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 97
Burgerlijk Wetboek Boek 6 105
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2008, 13
JA 2007/34
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 20 december 2006

Rolnummer 0400024

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

N.V. Maatschappij van Assurantiën, Discontering en Beleening

der Stad Rotterdam Anno 1720,

gevestigd en kantoorhoudende te Rotterdam,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: Stad Rotterdam,

procureur: mr. J.V. van Ophem,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: aanvankelijk mr. V.M.J. Both, thans mr. J.B. Dijkema.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 30 november 2005 wordt hier overgenomen.

Het hof corrigeert hierbij een typefout die is geslopen in het tussenarrest van 22 juni 2005. Aan het slot van rechtsoverweging 12 van dat arrest staat: "Vlg. HR 1 februari 2002, NJ 2002, 112", dat moet echter zijn "Vgl. HR 1 februari 2002, NJ 2002, 122".

Het verdere procesverloop

Ingevolge voormeld tussenarrest van 30 november 2005 zijn aan de zijde van Stad Rotterdam op 7 maart 2006 en 30 mei 2006 getuigen gehoord. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. [geïntimeerde] heeft afgezien van contra-enquête.

Vervolgens hebben beide partijen, eerst Stad Rotterdam onder overlegging van producties en daarna [geïntimeerde], geconcludeerd na enquête.

Ten slotte hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor arrest.

De verdere beoordeling

Wederom met betrekking tot grief I

1. Bij het tussenarrest van 30 november 2005 is Stad Rotterdam toegelaten tot het leveren van het in rechtoverweging 5 van dat arrest bedoelde tegenbewijs. Ter uitvoering daarvan heeft Stad Rotterdam als getuigen doen horen geïntimeerde [geïntimeerde] en de chiropractor [getuige 2], die [geïntimeerde] destijds in verband met haar ongevalsklachten heeft behandeld. Voorts heeft Stad Rotterdam bij haar memorie na enquête nog in het geding gebracht als productie 2 en productie 3 twee verslagen van de controlerend geneeskundige H. Brouwer van respectievelijk 26 maart 1993 en 5 mei 1993 met betrekking tot [geïntimeerde].

2. Zoals in het tussenarrest van 22 juni 2005 onder 9 is overwogen heeft het hof het voorshands - behoudens door Stad Rotterdam te leveren tegenbewijs - voldoende aannemelijk geacht dat het (gaan) volgen van de opleiding agogie is te beschouwen als een gevolg van het ongeval. Daarbij heeft het hof er belang aan gehecht dat [geïntimeerde] zich eerst na het ongeval, in de periode dat zij ten gevolge van ongevalsklachten niet in staat was haar toenmalige werkzaamheden als kapster te verrichten, heeft aangemeld voor de opleiding agogie. Voorts heeft het hof daarbij in aanmerking genomen dat geen feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken, op grond waarvan kan worden aangenomen dat [geïntimeerde] reeds voor het ongeval concrete stappen had gezet om te komen tot een beroepswisseling en evenmin dat, indien de wens daartoe (kort) voor het ongeval al bij haar zou hebben bestaan, [geïntimeerde] daaraan in de nabije toekomst - zonder ongeval - daadwerkelijk uitvoering zou hebben gegeven.

3. Thans dient beoordeeld te worden of Stad Rotterdam is geslaagd in het leveren van bedoeld tegenbewijs. Het hof benadrukt in dat verband dat het daarbij niet zozeer gaat om het bewijs van enige door Stad Rotterdam gestelde lezing van de feiten, maar om de vraag of als gevolg van het tegenbewijs een zodanige twijfel is ontstaan dat het niet meer voldoende aannemelijk is te achten dat het (gaan) volgen van de opleiding agogie is te beschouwen als een gevolg van het ongeval.

4. [geïntimeerde] heeft als getuige - samengevat en voor zover relevant - verklaard dat zij zich begin april 1993 heeft aangemeld voor de cursus agogie en dat zij dat juist toen heeft gedaan omdat zij al van [getuige 2] had vernomen of het wel verstandig was om als kapster door te gaan en zij zelf had geprobeerd om haar werkzaamheden weer te hervatten, maar voelde dat dat niet goed ging. Voorts heeft zij verklaard dat zij voor het ongeval nog nooit had gedacht over inschrijving voor de opleiding agogie, voor haar inschrijving nooit een open dag had bezocht en voor het ongeval geen aanmeldingsformulier voor de opleiding agogie in huis had.

Getuige [getuige 2] heeft - samengevat en voor zover relevant - verklaard dat hij nu niet meer weet of hij met [geïntimeerde] na het ongeval heeft besproken dat de klachten die zij toen had een beletsel zouden kunnen vormen voor de verdere uitoefening van haar beroep van kapster. Hij voegt daaraan toe dat hij wel in het algemeen kan verklaren dat wanneer patiënten van hem klachten hebben die hen hinderen bij hun werkzaamheden, zulks tussen hen en hem open wordt besproken en op basis daarvan tot een bepaalde mening kan worden gekomen. Nadat hem was voorgehouden dat [geïntimeerde] als getuige heeft verklaard dat hij tegen haar heeft gezegd dat het verstandig was met het kappersvak te stoppen, heeft [de chi[getuige 2] verklaard het uitgesloten te achten dat hij dat zo stellig tegen haar heeft gezegd. Hij weet niet meer of [geïntimeerde] indertijd al dan niet aan hem heeft gezegd dat zij een opleiding agogie zou gaan volgen. Hij neemt aan dat als hij dat had geweten hij dat wel in zijn brief van 25 februari 1994 zou hebben vermeld.

5. Het hof is van oordeel dat noch uit de getuigenverklaring van [geïntimeerde] noch uit die van [de chi[getuige 2] blijkt van een zodanig concreet gegeven of enige zodanige aanwijzing dat op grond daarvan in voldoende mate twijfel kan ontstaan omtrent de juistheid van het vermoeden dat het hof heeft ontleend aan hetgeen hiervoor onder 2 is weergegeven. Met name kan daaruit niet worden afgeleid dat [geïntimeerde] voor het ongeval reeds concrete stappen had gezet om te komen tot een beroepswisseling en evenmin dat, indien de wens daartoe (kort) voor het ongeval al bij haar zou hebben bestaan, [geïntimeerde] daaraan in de nabije toekomst - zonder ongeval - daadwerkelijk uitvoering zou hebben gegeven. Hieraan doet niet af dat, nu de verklaring van [geïntimeerde] dat [getuige 2] haar heeft gezegd dat het verstandig was met het kappersvak te stoppen geen eenduidige bevestiging vindt in ander bewijs, niet van de juistheid van die verklaring kan worden uitgegaan.

6. Bij memorie na enquête heeft Stad Rotterdam zich nog beroepen op de hiervoor genoemde verslagen. Daarin heeft de controlerend geneeskundige onder meer vermeld dat [geïntimeerde] van 2 maart 1993 tot en met 29 maart 1993 voor 100% en van 30 maart 1993 tot 9 mei 1993 voor 50% ongeschikt is tot het verrichten van haar beroepswerkzaamheden. Daaruit leidt Stad Rotterdam af dat [geïntimeerde] tot 29 maart 1993 voor 100% arbeidsongeschikt is geweest en dat zij vanaf 30 maart 1993 haar werkzaamheden weer voor 50% heeft hervat. In samenhang daarmee en met het feit dat het aanmeldingsformulier voor de opleiding agogie op 5 april 1993 is ontvangen door het Morgenland College, alsmede met het door Stad Rotterdam veronderstelde tijdstip waarop [geïntimeerde] dat aanmeldingsformulier bij het Morgenland College zou hebben aangevraagd (op dinsdag 30 maart of woensdag 31 maart 1993), betoogt Stad Rotterdam dat het feitelijk onmogelijk is dat - zo begrijpt het hof - [geïntimeerde] eerst na het ongeval zou hebben besloten het beroep van kapster achter zich te laten en de opleiding agogie te gaan volgen.

7. Het hof volgt Stad Rotterdam niet in dat betoog. Ook indien ervan wordt uitgegaan dat er slechts enkele dagen zijn verlopen tussen de gedeeltelijke werkhervatting en het aanvragen van het aanmeldingsformulier, brengt dat niet zonder meer mee dat [geïntimeerde] haar onderhavige besluit reeds voor het ongeval zou hebben genomen of dat het waarschijnlijk is dat zij dat zou hebben gedaan. [geïntimeerde] was een 17-jarige kapster, die na het ongeval tengevolge daarvan bijna een maand volledig ongeschikt was voor haar beroepswerkzaamheden en na haar gedeeltelijke werkhervatting het gevoel had dat dat niet goed ging en aan wier arbeidscontract voor bepaalde tijd op een termijn van enkele weken een einde zou komen, behoudens een voortzetting daarvan, die evenwel niet in de rede lag gelet op het vaststaande feit dat [geïntimeerde] vanaf het ongeval tot het einde van het dienstverband bij kapsalon De Vries feitelijk niet meer als kapster heeft gewerkt. In het licht van die omstandigheden acht het hof het noch onmogelijk noch onwaarschijnlijk dat een 17-jarige, die pas aan het begin van haar loopbaan staat, zoals in dit geval [geïntimeerde], in een tijdsbestek van enkele dagen tot een (definitief) besluit komt om het, al was het maar om het zekere voor het onzekere te nemen, over een andere boeg te gooien en daaraan vlot uitvoering te geven door zich aan te melden voor een opleiding. Dat klemt temeer nu, en daarop heeft Stad Rotterdam bij herhaling gewezen, er in de hier bedoelde periode nog geen sprake was van een medische eindtoestand en het voor [geïntimeerde] derhalve onduidelijk was of en in hoeverre de ongevalsklachten die haar toen nog beletten om als kapster te werken zouden verdwijnen.

8. Het voorgaande betekent dat het gevraagde tegenbewijs niet is geleverd, zodat als vaststaand moet worden aangenomen dat het (gaan) volgen van de opleiding agogie is te beschouwen als een gevolg van het ongeval. Hieruit vloeit voort (zie het slot van rechtsoverweging 9 van het tussenarrest d.d. 22 juni 2005) dat voldoende aannemelijk is dat de daarmee samenhangende inkomensvermindering tijdens de duur van de opleiding en de aan de opleiding verbonden kosten, dit tot de door de rechtbank bij het eindvonnis van 16 juli 2003 ter zake van inkomensschade toegewezen bedrag van euro 16.146,53 over de jaren 1993 tot en met 1996 en het ter zake van opleidingskosten toegewezen bedrag van euro 544,54, aan het ongeval zijn toe te rekenen.

9. De grief faalt.

Wederom met betrekking tot grief II

10. Over deze, subsidiaire grief welke moet worden behandeld nu grief I faalt, kan het hof kort zijn na hetgeen reeds is overwogen in het tussenarrest van 22 juni 2005 onder 11 tot en met 13, waarnaar het hof hier verwijst.

11. Partijen hebben zich na voormeld tussenarrest niet uitgelaten over de in rechtsoverweging 13 van dat arrest opgeworpen vraag, welke hierna zal worden beantwoord, of het door Stad Rotterdam gestelde voordeel, waarvan zij verrekening met de te vergoeden schade wenst, een voordeel betreft dat daadwerkelijk is genoten of naar redelijke verwachting genoten zal worden. Het hof gaat er thans op basis van de gegevens omtrent het inkomen dat [geïntimeerde] in de jaren 1997 tot en met 2000 zonder het ongeval als kapster zou hebben verdiend en het inkomen dat zij na afronding van de opleiding agogie feitelijk heeft genoten, zoals vermeld in productie 13 bij de pleitnota d.d. 19 augustus 2002 aan de zijde van [geïntimeerde], vanuit dat [geïntimeerde] in de eerste jaren na het afronden van haar opleiding geen hoger inkomen heeft genoten dan zij zonder het ongeval als kapster zou hebben verdiend. Over de jaren na 2000 zijn geen gegevens overgelegd die een vergelijking tussen het feitelijke en het hypothetische inkomen mogelijk maken. Er is evenwel geen aanleiding om te veronderstellen dat het eerstbedoelde inkomen na 2000 hoger is geweest dan het laatstbedoelde. Dit betekent dat het er voor gehouden moet worden dat het voordeel dat Stad Rotterdam in rekening wenst te brengen - kort gezegd: het hogere inkomen dat [geïntimeerde] als agoge kan genieten - een voordeel is dat niet werkelijk door [geïntimeerde] is genoten, of naar redelijke verwachting daadwerkelijk genoten zal worden, zodat reeds daarom van verrekening geen sprake kan zijn, nu daarvoor vereist is dat een voordeel daadwerkelijk is genoten, of naar redelijke verwachting daadwerkelijk genoten zal worden, aan welk vereiste in casu niet is voldaan.

12. Grief II kan derhalve niet leiden tot vernietiging van de bestreden vonnissen en mist in die zin belang.

Met betrekking tot grief III

13. De grief mist zelfstandige betekenis. Ook zij faalt.

Slotsom

14. Stad Rotterdam zal niet ontvankelijk worden verklaard in haar appel tegen het vonnis van 13 maart 2001. De vonnissen van 15 oktober 2002 en van 16 juli 2003 zullen - voor zover in appel aangevochten - worden bekrachtigd. Stad Rotterdam zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in appel (tarief II; max. 3 punten).

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart Stad Rotterdam niet ontvankelijk in haar hoger beroep van het vonnis van 13 maart 2001;

bekrachtigt de vonnissen van 15 oktober 2002 en 16 juli 2003;

veroordeelt Stad Rotterdam in de kosten van het geding in hoger beroep die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op euro 670,-- aan verschotten en euro 2.682,-- aan salaris voor de procureur.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Zuidema en Kuiper, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Mellink als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 20 december 2006.