Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AZ5520

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
03-01-2007
Zaaknummer
0600110
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

[appellante] heeft [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] op 3 september 2004 voor de rechtbank Leeuwarden gedagvaard. Daarin heeft zij vernietiging gevorderd van de afstandsverklaring, alsmede hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot betaling van een schadevergoeding van euro 1.099.735,69 te vermeerderen met wettelijke rente, en voorts voor recht te verklaren dat het voorkeursrecht van [appellante] van kracht is gebleven voor wat betreft de buiten de verkoop van de hoeve gebleven percelen. [..]

De rechtbank heeft bij vonnis waarvan beroep voor recht verklaard dat het voorkeursrecht van [appellante] van kracht is gebleven voor wat betreft de percelen die eigendom zijn gebleven van [geïntimeerde 1], en heeft de vorderingen van [appellante] voor het overige afgewezen, met veroordeling van haar in de proceskosten alsmede in de kosten van de vrijwaringsprocedure. [..]

Blijkens de toelichting op de algemene grief I beoogt [appellante] daarmee het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen. Dit is onvoldoende om aan te nemen dat een door [appellante] niet vermeld geschilpunt naast andere wel door haar nader omlijnde bezwaren, in hoger beroep opnieuw aan de orde worden geacht te zijn gesteld, tenzij dit voor [geïntimeerde 1] of [geïntimeerde 2] kenbaar is. Omdat de grief zelfstandige betekenis ontbeert, faalt ze. [..]

Het hof leest in de grieven II t/m X en in de daarop gegeven toelichting geen andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en door de rechtbank gemotiveerd verworpen. Het hof onderschrijft hetgeen de rechtbank ter motivering van haar beslissing heeft overwogen en neemt die motivering over.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 20 december 2006

Rolnummer 0600110

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats] ([land]),

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [appellante],

procureur: mr. J.V. van Ophem,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats] ([land]),

hierna te noemen: [geïntimeerde 1],

procureur: mr. A.H. Lanting,

2. [geïntimeerde 2],

wonende en kantoorhoudende te [plaats],

hierna te noemen: [geïntimeerde 2],

procureur: mr. S.A. Roodhof,

geïntimeerden,

in eerste aanleg gedaagden.

De inhoud van het in het door [geïntimeerde 2] opgeworpen incident oproeping in vrijwaring ex art. 210 j° 353 Rv gewezen arrest d.d. 23 augustus 2006 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Ingevolge 's hofs eerdergemeld tussenarrest is de zaak voor voortprocederen naar de rolzitting verwezen.

Vervolgens hebben partijen verzocht arrest te wijzen, waartoe zij de stukken wederom hebben overgelegd.

De grieven

[appellante] heeft tegen het vonnis waarvan beroep twee als zodanig aangeduide algemene grieven, en tien specifieke grieven aangevoerd.

De beoordeling

Met betrekking tot de feiten

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of niet voldoende weersproken, dan wel op grond van de inhoud van de overgelegde niet bestreden producties staat in dit geding het volgende vast.

1.1. Bij akte van 26 maart 1993 heeft [appellante] aan [geïntimeerde 1], haar neef, in verpachte staat overgedragen de te [plaats] gelegen boerderij met stallen en weiland, groot 37.99.15 hectare (genaamd de Constantiahoeve) tegen een koopsom van ƒ 625.500,--. De verplichting tot betaling van de koopsom is, bij wijze van afstand om baat, omgezet in een schuld voor eenzelfde bedrag.

1.2. Bij de overdracht is ten behoeve van [appellante] een voorkeursrecht van koop gevestigd, luidende voor zover thans relevant:

"Indien koper het gekochte geheel of gedeeltelijk wenst te verkopen voor een januari tweeduizend twintig, is hij verplicht het gekochte voor dezelfde prijs als waarvoor hij het thans heeft gekocht te koop aan te bieden aan de verkoopster (...)"

1.3. In verband met het voornemen van de pachter, [betrokkene 1], om zijn bedrijf te beëindigen, heeft hij in de loop van 2001 met [geïntimeerde 1] onderhandeld over de voorwaarden daartoe, welke met name betroffen de verdeling van de verkoop-opbrengst van het melkquotum en de door [geïntimeerde 1] te betalen vergoeding voor pachtersinvesteringen. [appellante] is in ieder geval in maart 2001 in kennis gesteld van het voornemen tot verkoop van de Constantiahoeve.

1.4. Op 25 januari 2002 hebben [geïntimeerde 1] en [betrokkene 1] een beëindigings-overeenkomst gesloten.

1.5. Op 16 februari 2002 heeft [geïntimeerde 1] een openbaar aanbod gedaan tot inschrijving op de hoeve c.a. Instrumenterend notaris was [geïntimeerde 2].

1.6. [geïntimeerde 2] heeft een verklaring opgesteld, welke onder meer inhoudt dat [geïntimeerde 1] voornemens is het voornoemde registergoed, met een totale oppervlakte van 32.68.20 hectare, te verkopen en dat [appellante] afstand doet van haar voorkeursrecht als hiervoor omschreven, zodat [geïntimeerde 1] mitsdien vrij is het registergoed te verkopen en in eigendom over te dragen (prod. 2 bij inleidende dagvaarding).

1.7. Deze verklaring (hierna: afstandsverklaring) is op 22 februari 2002 door de vader van [geïntimeerde 1] ter ondertekening aan [appellante] overhandigd. Naar aanleiding hiervan heeft [appellante] op 1 maart 2002 een drietal personen geraadpleegd.

1.8. [appellante] heeft de afstandsverklaring op 5 maart 2002 ondertekend en aan [geïntimeerde 2] geretourneerd.

1.9. De openbare inschrijving op de hoeve is neergelegd in een proces-verbaal van

28 maart 2002, terwijl de akte van gunning op 2 april 2002 is opgemaakt. Bij akte van kwijting van 1 mei 2002, verleden ten overstaan van [geïntimeerde 2], is de hoeve c.a. gedeeltelijk overgedragen, in die zin dat daarvan een gedeelte van 5.30.95 hectare buiten de verkoop is gebleven.

Met betrekking tot het geschil

2. [appellante] heeft [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] op 3 september 2004 voor de rechtbank Leeuwarden gedagvaard. Daarin heeft zij vernietiging gevorderd van de afstandsverklaring, alsmede hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot betaling van een schadevergoeding van euro 1.099.735,69 te vermeerderen met wettelijke rente, en voorts voor recht te verklaren dat het voorkeursrecht van [appellante] van kracht is gebleven voor wat betreft de buiten de verkoop van de hoeve gebleven percelen.

2.1. Aan de vordering tegen [geïntimeerde 1] is de stelling ten grondslag gelegd dat de ondertekening van de afstandsverklaring louter tot stand heeft kunnen komen door misbruik van omstandigheden en overigens een foute, zelfs bedrieglijke, voorstelling van zaken zijdens [geïntimeerde 1], dat die verklaring onder dwang is getekend en dat overigens is gedwaald ten aanzien van de feiten en omstandigheden die aan de vereiste ondertekening daarvan ten grondslag zouden hebben gelegen alsook de (rechts)gevolgen van die ondertekening.

2.2. [appellante] verwijt [geïntimeerde 2] niet te hebben voldaan aan zijn "Belehrungspflicht" en aldus is tekortgeschoten in het betrachten van de zorgvuldigheid waartoe hij jegens [appellante] is gehouden, als gevolg waarvan hij aansprakelijk is voor de daaruit voor [appellante] voortvloeiende schade.

2.3. Bij vonnis van 5 januari 2005 heeft de rechtbank het incidentele verzoek van [geïntimeerde 2] tot oproeping in vrijwaring van [geïntimeerde 1] toegestaan.

2.4. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben de vorderingen van [appellante] weersproken.

2.5. De rechtbank heeft bij vonnis waarvan beroep voor recht verklaard dat het voorkeursrecht van [appellante] van kracht is gebleven voor wat betreft de percelen die eigendom zijn gebleven van [geïntimeerde 1], en heeft de vorderingen van [appellante] voor het overige afgewezen, met veroordeling van haar in de proceskosten alsmede in de kosten van de vrijwaringsprocedure.

Met betrekking tot de algemene grieven

3. Blijkens de toelichting op de algemene grief I beoogt [appellante] daarmee het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen. Dit is onvoldoende om aan te nemen dat een door [appellante] niet vermeld geschilpunt naast andere wel door haar nader omlijnde bezwaren, in hoger beroep opnieuw aan de orde worden geacht te zijn gesteld, tenzij dit voor [geïntimeerde 1] of [geïntimeerde 2] kenbaar is.

3.1. Omdat de grief zelfstandige betekenis ontbeert, faalt ze.

4. In de algemene grief II stelt [appellante] dat ten onrechte de rechtbank ongemotiveerd voorbijgegaan is aan de nadrukkelijk door [appellante] aan haar vordering ten grondslag gelegde stelling dat met de ondertekening van de afstandsverklaring feitelijk een (materiële) schenking c.q. gift van betekenis gemoeid was, en dat het in dat verband aangeboden bewijs ten onrechte ongemotiveerd is gepasseerd.

4.1. Wat de schenking c.q. gift betreft is er geen sprake van het instellen door [appellante] van een tot restitutie strekkende vordering, gebaseerd op de eventuele nietigheid van de gestelde schenking c.q. gift. De vordering tot betaling is immers gegrond op het niet-nakomen door [geïntimeerde 1] van de uit het voorkeursrecht van [appellante] voor hem voortvloeiende verplichting, respectievelijk op onrechtmatige daad. In zoverre kan de vraag of sprake is van een schenking c.q. gift geen rol spelen in dezen.

4.2. Reeds om deze reden faalt de grief, wat daarvan overigens zij.

Met betrekking tot de specifieke grieven

5. In grief I wordt geklaagd dat de rechtbank ten onrechte als vaststaande heeft aangenomen dat [appellante] op 1 maart 2002 een drietal adviseurs - in het vonnis ook als deskundige(n) aangehaald - geraadpleegd heeft.

5.1. Nu het hof de feiten zelf heeft vastgesteld, heeft [appellante] bij de behandeling van deze grief geen belang.

5.2. De grief is dan ook tevergeefs voorgedragen.

6. Het hof leest in de grieven II t/m X en in de daarop gegeven toelichting geen andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en door de rechtbank gemotiveerd verworpen. Het hof onderschrijft hetgeen de rechtbank ter motivering van haar beslissing heeft overwogen en neemt die motivering over.

6.1. De vordering van [appellante] tot - hoofdelijke - veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot betaling van schadevergoeding is derhalve niet toewijsbaar. Aan beantwoording van de vraag of [appellante] als gevolg van het ondertekenen van de afstandsverklaring schade heeft geleden en zo ja, tot welk bedrag, komt het hof dan ook niet toe.

Slotsom

7. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd.

[appellante] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep worden veroordeeld (berekend voor elk der geïntimeerden op 1 procespunt volgens tarief VIII).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die tot aan deze uitspraak:

-aan de zijde van [geïntimeerde 1] op euro 1.120,-- aan verschotten en op euro 4.580,-- aan salaris voor de procureur;

-aan de zijde van [geïntimeerde 2] op euro 1.120,-- aan verschotten en op euro 4.580,-- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Breemhaar en Hidma, raden, en uitgesproken door mr. Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Mellink als griffier, ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 20 december 2006.