Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AZ5405

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-11-2006
Datum publicatie
02-01-2007
Zaaknummer
WAHV 06-00595
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan de betrokkene is een administratieve sanctie opgelegd ter zake van "niet opvolgen van in bijlage II RVV 1990 vastgestelde aanwijzingen gegeven door daartoe bevoegde en als zodanig kenbare ambtenaren". De inleidende beschikking is gebaseerd op artikel 82, eerste lid, jo bijlage II van het RVV 1990. De in casu door de verbalisant gegeven aanwijzing komt niet voor in genoemde bijlage. Dat staat echter niet in de weg aan het oordeel dat de gedraging is verricht. Uit artikel 82 RVV 1990 blijkt immers - met name uit de woorden "voor zover mogelijk" in het tweede lid, dat ook andere aanwijzingen dan die uit de bijlage opgevolgd dienen te worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Verkeer 2006/234
Jwr 2007/18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 06/00595

21 november 2006

CJIB 89085108391

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Assen

van 26 april 2006

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Assen ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 95,- opgelegd ter zake van "niet opvolgen v. in bijl. II RVV 1990 vastgest. aanwijzingen gegeven door daartoe bevoegde en als zodanig kenb. ambtenaren", welke gedraging zou zijn verricht op 18 juni 2005 om 07.09 uur op de rijksweg A28 te Beilen.

3.2. De inleidende beschikking is gebaseerd op artikel 82, eerste lid, jo bijlage II van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Deze bepaling luidt als volgt:

"1. Weggebruikers zijn verplicht de aanwijzingen op te volgen die mondeling of door middel van gebaren worden gegeven door:

a. de daartoe bevoegde en als zodanig kenbare ambtenaren

(...)

2. Bij het geven van aanwijzingen door middel van gebaren worden, voor zover mogelijk, de in bijlage II vastgestelde aanwijzingen gegeven.".

3.3. De betrokkene ontkent niet dat hij de aanwijzing van de verbalisant om de afslag Beilen te nemen heeft genegeerd. Naar het hof begrijpt is de betrokkene van mening dat de gedraging is verricht onder omstandigheden welke het opleggen van een sanctie niet billijken. Daartoe voert hij aan dat hij niets te zoeken had in Beilen en er bovendien 800 meter voorbij de afslag een tankstation was waar hij ook kon stoppen. Voorts klaagt de betrokkene over de vele fouten die in de aankondiging van beschikking staan. Zo zouden het jaartal in de datum van de overtreding, de aanduiding van de pleeglocatie en het adres van de betrokkene niet correct zijn weergegeven.

3.4. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt onder meer het volgende in:

"Ik reed in politiemotorkleding op opvallende motor. Ter hoogte van de afslag Beilen gaf ik bestuurder het teken de afslag te nemen. We reden toen op de rechter rijstrook. Betrokkene gaf richting aan naar links en ging op de linkerrijstrook rijden. Zelfs toen ik voor betrokkene ging rijden en naar de afrit wees bleef betrokkene doorrijden om vervolgens bij het tankstation te stoppen.".

3.5. Gelet op de verklaringen van de verbalisant en de betrokkene zelf is genoegzaam komen vast te staan dat de betrokkene in strijd met artikel 82, eerste lid, RVV 1990 een aanwijzing van een daartoe bevoegde en als zodanig herkenbare ambtenaar niet heeft opgevolgd. Het hof merkt daarbij op dat - anders dan in de inleidende beschikking is vermeld - het niet gaat om een aanwijzing zoals vastgesteld in bijlage II van het RVV 1990. Dat staat echter niet in de weg aan het oordeel dat de gedraging is verricht. Uit artikel 82 RVV 1990 blijkt immers duidelijk - met name ook uit de woorden "voor zover mogelijk" in het tweede lid - dat ook andere aanwijzingen dan die uit de bijlage opgevolgd dienen te worden. Voorts wordt de omschrijving van de gedraging in de beschikking opgenomen in het belang van de betrokkene zodat hij weet welke "verkeersfout" hem verweten wordt. Uit de stukken is reeds genoegzaam gebleken dat daaromtrent bij de betrokkene geen misverstand is ontstaan.

3.6. Het absolute karakter van de overtreden bepaling brengt mee dat het de betrokkene niet vrijstaat om naar eigen inzicht af te wijken van een door de verbalisant gegeven aanwijzing. De enkele omstandigheid dat de betrokkene er de voorkeur aan gaf om bij het tankstation te stoppen in plaats van de snelweg te verlaten via de afslag Beilen is niet van dien aard dat het opleggen van een sanctie niet billijk is dan wel dat matiging van de sanctie gerechtvaardigd is. De door de betrokkene gestelde onjuistheden in de aankondiging van beschikking - wat daar verder ook van zij - zijn dat evenmin. Naar het oordeel van het hof kan immers bij de betrokkene, nu hij is staandegehouden, redelijkerwijs geen misverstand zijn ontstaan omtrent de vraag op welke gedraging de hem opgelegde sanctie betrekking heeft en waartegen hij zich moet verdedigen. Jegens de betrokkene is dan ook geen rechtens te respecteren belang geschaad.

3.7. Gelet op het vorenoverwogene zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Wagtendonk, in tegenwoordigheid van De Ruijter als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.