Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AZ5123

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-12-2006
Datum publicatie
22-12-2006
Zaaknummer
24-001418-05
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BC6273, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2008:BC6273
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gerechtshof te Leeuwarden heeft een 48-jarige man veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf wegens moord op een 52-jarige oud-leraar te Groningen. De man werd doodgeschoten in de hal van zijn eigen woning, nadat hij eerder was bedreigd. Verdachte handelde in opdracht van een misdadige organisatie, die het gemunt had op de zuster van het slachtoffer, die werd verdacht van diefstal van een partij drugs. Omdat het slachtoffer geen informatie gaf over de verblijfplaats van zijn zus werd hij om het leven gebracht. Hij was volkomen onschuldig; hij had op geen enkele wijze bemoeienis met criminele activiteiten.

Het hof noemt de moord een buitengewoon ernstig feit. In een uitvoerige strafmotivering wijst het hof op de noodzaak deze inbreuk op de rechtsorde en het leed voor de nabestaanden te vergelden. Verder dient naar het oordeel van het hof van zijn uitspraak een afschrikkende werking uit te gaan naar anderen die zich geroepen zouden voelen hier te lande zulke ernstige misdaden te plegen. Het hof overweegt dat de rechter grote terughoudendheid moet betrachten bij de oplegging van de zwaarste straf die ons recht kent. In dit geval is terugkeer in de samenleving van de veroordeelde echter onaanvaardbaar. Daarbij is overwogen dat veroordeelde in 1978 in Engeland ook al voor moord is veroordeeld en dat er een gerede kans bestaat dat hij zich wederom schuldig zal maken aan een levensdelict of een ander ernstig geweldsmisdrijf.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 339
Wetboek van Strafvordering 359
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2007/56
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001418-05

Parketnummer eerste aanleg: 18-030463-03

Arrest van 22 december 2006 van het gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Groningen van

7 juli 2005 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1958] te [geboorteplaats],

zonder bekende woonplaats hier te lande,

verblijvende in P.I. Flevoland, HvB Lelystad te Lelystad,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadslieden mr. T. van der Goot en

mr. W. Anker, beiden advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft de verdachte bij het vonnis, voor zover aan hoger beroep onderworpen, wegens misdrijven veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf, heeft een maatregel opgelegd en heeft beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Omvang van het hoger beroep

De raadman van verdachte mr. T. van der Goot heeft verklaard dat zijn cliënt geen hoger beroep heeft willen instellen tegen de vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde.

Het hof zal het hoger beroep aldus beperkt opvatten.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van het onder 1,

2 primair en 4 ten laste gelegde zal veroordelen tot een levenslange gevangenisstraf. Zij heeft voorts gevorderd dat het hof de in beslag genomen goederen zal verbeurdverklaren en de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 7.554,51 zal toewijzen met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis, voor zover aan hoger beroep onderworpen, vernietigen en in zoverre opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - als voor dit hoger beroep van belang - ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 28 november 2002 in de gemeente Groningen te zamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen 8, althans meerdere, kogels op die [slachtoffer 1] afgevuurd, waarbij die [slachtoffer 1] meermalen (in de buik en overigens in het lichaam) is getroffen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2 primair

hij op of omstreeks 24 november 2002 in de gemeente Groningen, te zamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met openlijk geweld met verenigde krachten tegen personen en/of goederen en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is/zijn verdachte en/of diens mededader(s) opzettelijk dreigend

- de woning, althans de hal van de woning, van die [slachtoffer 1] binnengedrongen, althans

binnengelopen, althans binnengegaan, en/of heeft/hebben verdachte en/of diens mededader(s) opzettelijk

dreigend

- die [slachtoffer 1] gevraagd naar zijn zus dan wel dochter [naam 1] en naar [naam 2] en/of (met name) naar

de verblijfplaats van die [naam 1] en/of [naam 2], en/of

- die [slachtoffer 1] een papiertje overhandigd met daarop een telefoonnummer, en/of

- die [slachtoffer 1] gezegd dat hij ([slachtoffer 1]) genoemd telefoonnummer moest bellen, om te

vertellen "waar [naam 1] is", en/of dat, indien hij ([slachtoffer 1]) dat niet zou doen, de mannen terug zouden

komen en het niet bij praten alleen zouden houden, althans uitlatingen van gelijke dreigende aard of

strekking,

waarbij verdachte en/of diens mededaders door zijn/hun gezamenlijk en/of intimiderend optreden, voor die [slachtoffer 1] een -extra- dreigende situatie heeft/hebben doen ontstaan;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2 subsidiair

hij op of omstreeks 24 november 2002 in de gemeente Groningen te zamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 1], door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 1] en/of diens familie, althans gezin, wederrechtelijk heeft gedwongen om een telefoonnummer te bellen en/of om (vervolgens, aan de ontvanger) te zeggen waar [naam 1] is, immers is/zijn verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

- de woning, althans de hal van de woning, van die [slachtoffer 1] binnengedrongen, althans

binnengelopen, althans binnengegaan, en/of heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn

mededader(s)

- die [slachtoffer 1] gevraagd naar zijn zus dan wel dochter [naam 1] en naar [naam 2] en/of (met name) naar

de verblijfplaats van die [naam 1] en/of [naam 2], en/of

- die [slachtoffer 1] een papiertje overhandigd met daarop een telefoonnummer, en/of

- die [slachtoffer 1] gezegd dat hij ([slachtoffer 1]) genoemd telefoonnummer moest bellen, om te

vertellen "waar [naam 1] is", en/of dat, indien hij ([slachtoffer 1]) dat niet zou doen, de mannen terug zouden

komen en het niet bij praten alleen zouden houden, althans uitlatingen van gelijke dreigende aard of

strekking,

waarbij verdachte en/of diens mededaders door zijn/hun gezamenlijk en/of intimiderend optreden, voor die [slachtoffer 1] een -extra- dreigende situatie heeft/hebben doen ontstaan;

art 284 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2 meer subsidiair

hij op of omstreeks 24 november 2002 in de gemeente Groningen te zamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het (tezamen en in vereniging) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1], door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 1] en/of diens familie, althans gezin, wederrechtelijk te dwingen om een telefoonnummer te bellen en (vervolgens, aan de ontvanger) te zeggen waar [naam 1] is,

- naar de woning van die [slachtoffer 1] is gegaan, en/of

- de (hal van de) woning van die [slachtoffer 1] is binnengedrongen, althans is binnengelopen, althans is

binnengegaan, en/of die [slachtoffer 1] heeft gevraagd naar zijn zus danwel dochter [naam 1] en naar [naam

2] en/of (met name) naar de verblijfplaats van die [naam 1] en/of [naam 2], en/of

- die [slachtoffer 1] een papiertje heeft overhandigd met daarop een telefoonnummer, en/of

- die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat hij ([slachtoffer 1]) genoemd telefoonnummer moest bellen, om te

vertellen "waar [naam 1] is", en/of dat, indien hij ([slachtoffer 1]) dat niet zou doen, de mannen terug zouden

komen en het niet bij praten alleen zouden houden, althans uitlatingen van gelijke dreigende aard of

strekking,

waarbij verdachte en/of diens mededaders door zijn/hun gezamenlijk en/of intimiderend optreden, voor die [slachtoffer 1] een -extra- dreigende situatie heeft/hebben doen ontstaan, zijnde de uitvoering van dat misdrijf niet voltooid;

art 284 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4

hij in of omstreeks de periode 01 januari 2002 tot en met 08 december 2003 in de gemeente(n) Amsterdam, Breda en/of Groningen en/of elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het (tezamen en in vereniging) binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen

als bedoeld in de bij de Opiumwet bedoelde lijst(en) I en/of II, en/of

- het (tezamen en in vereniging) verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig

hebben van middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet bedoelde lijst(en) I en/of II, en/of

- het voorhanden hebben en/of overdragen van wapens en/of munitie als bedoeld in de in artikel 2 van de Wet

wapens en munitie opgenomen categorieën II en/of III, en/of

- plegen van misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid (onder meer bedreiging van

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]) en/of misdrijven tegen het leven gericht (onder meer het doodschieten van

[slachtoffer 1] op 28 november 2002),

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

waarin de wijziging is aangebracht, die de eerste rechter heeft toegelaten.

Vrijspraak

Het hof acht niet bewezen hetgeen onder 2 primair aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Bruikbaarheid van de verklaringen van de getuige [medeverdachte 1]

De raadsman van verdachte, mr. T. van der Goot, heeft ter terechtzitting aangevoerd dat het bewijs van de aan verdachte ten laste gelegde moord niet mede mag worden gebaseerd op de verklaringen van de getuige [medeverdachte 1]. Verdachte ontkent dit feit en betwist dus de juistheid van de getuigenis van [medeverdachte 1], hierop neerkomende dat hij, verdachte, deze moord wel degelijk heeft gepleegd.

Het hof heeft de verklaring van [medeverdachte 1], mede in het licht van deze betwisting, met behoedzaamheid gehanteerd. In dit verband is het onderzoek ter terechtzitting op 19 april 2006 geschorst om de - op videobanden en in processen-verbaal vastgelegde - verhoren van deze getuige te doen onderzoeken door een of meer deskundigen. Voor de aanwijzing van die deskundige(n) en voor de begeleiding van het verdere traject is mr. M. Koers-van der Linden als raadsheer-commissaris aangewezen. De raadsheer-commissaris heeft hierop - in overleg met de advocaat-generaal en de raadslieden - de volgende onderzoeksopdracht geformuleerd:

"Geeft de deskundige opdracht een onderzoek in te stellen naar en te rapporteren over de betrouwbaarheid en consistentie van de verklaringen van [medeverdachte 1], die als getuige is gehoord in opgemelde zaak. Het gaat daarbij om de politieverhoren van de getuige, zoals deze zijn opgenomen op videobanden.

Verzoekt de deskundige met name aandacht te besteden aan de verhoorsituatie, de wijze van vraagstelling, de duur van de verhoren en voorts te onderzoeken al datgene, wat de deskundige van belang acht voor de beoordeling van de kwaliteit van de verhoren en de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen".

De raadsheer-commissaris heeft prof. dr. P.J. van Koppen en dr. R. Horselenberg op

16 juni 2006 als deskundigen benoemd. Zij zijn op 19 juni 2006 respectievelijk

21 juni 2006 als (getuige-) deskundige beëdigd.

Het hof heeft zich - onder meer door kennis te nemen van hun curricula vitae met de daarbij gevoegde lijst van publicaties op de relevante vakgebieden - ervan vergewist dat zij over voldoende kwalificaties beschikken om het gevraagde onderzoek naar, kort gezegd, de betrouwbaarheid en validiteit van de verklaringen van [medeverdachte 1] te kunnen verrichten.

Die kwalificaties zijn overigens niet bestreden, noch door de verdediging, noch door de advocaat-generaal.

Op 29 november 2006 hebben de deskundigen hun bevindingen in een rapport vastgelegd. Zij constateren dat de verhoren van de getuige [medeverdachte 1] over het algemeen correct zijn verlopen. Er zijn geen of onvoldoende klemmende aanwijzingen gevonden dat [medeverdachte 1] onder druk is gezet of te hard of anderszins onrechtmatig is verhoord. De deskundigen hebben erop gewezen dat [medeverdachte 1] niet altijd in gelijke zin heeft verklaard. Ter terechtzitting hebben zij echter ter toelichting op hun rapportage naar voren gebracht, dat niet kan worden aangetoond dat de voor verdachte belastende verklaringen op leugens berusten of dat deze zijn verkregen door sturing van de zijde van de politie, hierin bestaande dat hem gegevens zijn voorgehouden die bij de politie al bekend waren. Zij hebben, al het materiaal dat op de verhoren van [medeverdachte 1] betrekking heeft overziende, hieraan toegevoegd dat 'het alternatieve scenario' dat de getuige op het hoofdpunt van verdachtes betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer 1] een verklaring heeft afgelegd die niet op eigen oorspronkelijke wetenschap steunde, niet zo sterk aanwezig moet worden geacht, dat aan die verklaring geen geloof zou kunnen en mogen worden gehecht. De geloofwaardigheid van de getuige is uiteindelijk een zaak van het hof, aldus de deskundigen, enerzijds omdat bij die beoordeling niet alleen gelet moet worden op de betrouwbaarheid en de validiteit van de verklaringen zelf, maar ook op al het overige materiaal dat zich in het dossier bevindt, waarover de deskundigen zich geen oordeel hebben gevormd, en anderzijds omdat dit nu eenmaal de opdracht van de rechter is te beslissen of hij aan de verklaring van een getuige geloof kan en wil hechten. Het hof maakt deze bevindingen en oordelen van de deskundigen tot de zijne en stelt vast dat het door hen verrichte onderzoek onvoldoende aanknopingspunten biedt om de verklaringen van [medeverdachte 1], voor zover deze voor verdachte belastend zijn, niet valide of niet betrouwbaar te achten. Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen of moeten leiden.

De conclusie moet zijn dat, voor zover [medeverdachte 1] verdachte aanvankelijk niet of niet rechtstreeks heeft belast, dit aan de betrouwbaarheid en validiteit van de belastende verklaringen niet afdoet. Voor de bruikbaarheid van die verklaringen en in het bijzonder voor de geloofwaardigheid ervan is nog het volgende van belang. Het hof heeft [medeverdachte 1] ter terechtzitting gehoord. Bij die gelegenheid gaf hij er blijk van dat hij wilde volstaan bij zijn eerder afgelegde verklaringen, zonder daarbij precies aan te geven welke verklaringen hij bedoelde.

Hij heeft echter ook geen afstand genomen van de verklaringen die belastend voor verdachte zijn. De verklaring van [medeverdachte 1] over zijn eigen rol en de rol van verdachte

bij de moord op [slachtoffer 1] wordt voorts op essentiële onderdelen bevestigd door andere bewijsmiddelen. Zo wordt de aanwezigheid van de door hem bestuurde auto in de directe omgeving van de woning van [slachtoffer 1] op het moment van de moord ondersteund door verklaringen van getuigen. Verdachte zelf bevestigt de verklaringen van [medeverdachte 1] over het gebeuren op 24 november 2002, toen [slachtoffer 1] door onder anderen verdachte werd geïntimideerd en over het kopen van krant, omdat, zo begrijpt het hof, tegenover de organisatie waarvan verdachte lid was, bewijs van deze misdaad moest worden geleverd. Het hof acht de desbetreffende verklaringen van [medeverdachte 1] per saldo bruikbaar voor het bewijs, omdat er, al het voorgaande in aanmerking genomen, onvoldoende redenen zijn om aan hun betrouwbaarheid, validiteit en geloofwaardigheid te twijfelen. De Pro Justitia rapportage over de geestvermogens van [medeverdachte 1], die met diens toestemming en die van de desbetreffende psychiater op verzoek van de verdediging aan het dossier is toegevoegd, bevat geen gegevens die, op zichzelf beschouwd of in samenhang met het overige materiaal, redelijkerwijs tot een andere slotsom zouden moeten leiden. Het hof gaat dus voorbij aan de betwisting van de verklaringen van [medeverdachte 1] van de zijde van de verdediging. aan hun betrouwbaarheid, vali

Voorbedachte raad

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat er ter zake van het onder 1 ten laste gelegde levensdelict, indien het al zou kunnen worden bewezen, niet gehandeld is met voorbedachte raad.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Vanaf het moment dat verdachte besloot, in opdracht van de criminele organisatie waarvoor hij werkzaamheden verrichtte en waarvan hij deel uitmaakte, vanuit Amsterdam met een vuurwapen naar de woning van [slachtoffer 1] in Groningen te gaan, heeft hij voldoende tijd gehad zich te beraden op het te nemen respectievelijk genomen besluit [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven. Op grond hiervan staat naar het oordeel van het hof vast dat de gelegenheid heeft bestaan dat verdachte over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Het hof verwerpt het verweer.

Bedreiging met geweld

Het hof acht de onder 2 subsidiair onder meer ten laste gelegde bedreiging met geweld bewezen, omdat de mededeling dat, als [slachtoffer 1] niet zou doen wat er van hem gevraagd werd, de mannen terug zouden komen en het niet bij praten alleen zouden laten, in de context van het gebeuren op 24 november 2002 redelijkerwijs niet anders kan worden verstaan dan als een bedreiging met geweld. [slachtoffer 1] heeft deze mededeling ook als zodanig ervaren, zoals niet alleen blijkt uit de verklaring die hij zelf nog tegenover de politie heeft kunnen afleggen over het gebeurde op die dag en uit hetgeen hij zijn vrouw verteld heeft, maar ook uit de verklaring van zijn toen ook thuis aanwezige zoon [naam 3], die heeft verklaard dat er aan de deur op 'zeer indringende manier gesproken werd' en dat hij zijn vader tegen de mannen aan de deur heeft horen zeggen: 'Weet je wel wat je zegt, je bedreigt me in mijn eigen huis' en even later tegen hemzelf: 'Ik ben net (...) bedreigd door een paar mannen'. [naam 3] heeft ook verklaard dat zijn vader geschrokken was en niet thuis wilde slapen.

(Dossierpagina's E 130, G 22 en G 26, blz. 7, 8 en 9)

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 subsidiair en 4 bewezen verklaarde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1

hij op 28 november 2002 in de gemeente Groningen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen kogels op die [slachtoffer 1] afgevuurd, waarbij die [slachtoffer 1] meermalen in het lichaam is getroffen, tengevolge waarvan hij is overleden;

2 subsidiair

hij op 24 november 2002 in de gemeente Groningen te zamen en in vereniging met een ander [slachtoffer 1], door enige feitelijkheid en door bedreiging met geweld gericht tegen die [slachtoffer 1], wederrechtelijk heeft gedwongen om een telefoonnummer te bellen, immers is verdachte of zijn mededader

- de woning van die [slachtoffer 1] binnengedrongen, althans binnengegaan,

en heeft verdachte of zijn mededader

- die [slachtoffer 1] gevraagd naar zijn zus dan wel dochter [naam 1] en naar haar verblijfplaats en

- die [slachtoffer 1] een papiertje overhandigd met daarop een telefoonnummer, en

- die [slachtoffer 1] gezegd dat hij ([slachtoffer 1]) genoemd telefoonnummer moest bellen om te

vertellen "waar [naam 1] is", en dat, indien hij ([slachtoffer 1]) dat niet zou doen, de mannen terug zouden

komen en het niet bij praten alleen zouden houden,

waarbij verdachte en diens mededader door hun gezamenlijk en intimiderend optreden, voor die [slachtoffer 1] een -extra- dreigende situatie hebben doen ontstaan;

4

hij in de periode 1 januari 2002 tot en met 8 december 2003 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen verdachte en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het (te zamen en in vereniging) buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen als bedoeld in

de bij de Opiumwet bedoelde lijst(en) I en/of II, en

- het (te zamen en in vereniging) afleveren en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van middelen als bedoeld

in de bij de Opiumwet bedoelde lijst(en) I en/of II, en

- het voorhanden hebben van een of meer wapens en munitie als bedoeld in de in artikel 2 van de Wet

wapens en munitie opgenomen categorieën II en/of III, en

- plegen van misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid (bedreiging van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]) en

misdrijven tegen het leven gericht (het doodschieten van [slachtoffer 1] op 28 november 2002).

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2 subsidiair en 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

onder 1:

moord;

onder 2 subsidiair:

medeplegen van een ander door enige feitelijkheid en bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen;

onder 4:

het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Ofschoon de drie bewezen verklaarde feiten met elkaar samenhangen, heeft het hof zich bij de bepaling van de strafsoort en strafmaat voornamelijk laten leiden door het onder 1 bewezen verklaarde feit, omdat dit buitengewoon ernstig is. Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 28 november 2002 in de gemeente Groningen schuldig gemaakt aan de moord op [slachtoffer 1], een tweeënvijftigjarige leraar, die feitelijk niet meer als zodanig werkzaam was, doch zich richtte op zijn gezin naast een werkzaamheid op het gebied van computers. Verdachte heeft hem van het leven beroofd in opdracht van de criminele organisatie waarvan hij deel uitmaakte. Enkele dagen voor de moord, op 24 november 2002, heeft verdachte samen met anderen [slachtoffer 1] in of bij zijn eigen woning gedwongen om een telefoonnummer te bellen om te vertellen waar zijn zus verbleef. Als hij dit niet zou doen, zouden de mannen terugkomen en zou het niet bij praten blijven.

[slachtoffer 1] was echter niet op de hoogte van de verblijfplaats van zijn zus en heeft, als hij al van plan is geweest gevolg te geven aan de druk die op hem is uitgeoefend, derhalve niet de informatie kunnen geven die de organisatie wilde hebben.

De organisatie wilde met de zus van [slachtoffer 1] afrekenen in verband met de diefstal van de partij drugs, waarvan de organisatie haar verdacht. Nu zij onvindbaar was, heeft de organisatie een voorbeeld willen stellen door een onschuldig familielid te (laten) liquideren. [slachtoffer 1] had niets te maken met de criminele organisatie en de eventuele activiteiten van zijn zus met betrekking tot die organisatie.

Het opzettelijk en met voorbedachten rade benemen van het leven van een ander behoort tot de zwaarste categorie feiten die de wet kent. De wijze waarop deze moord is voorbereid en ten uitvoer gelegd is, getuigt bovendien van gewetenloosheid en grove minachting voor het leven van een ander. Het misdrijf betekent een onaanvaardbare inbreuk op de rechtsorde en heeft veel onrust en angst in de samenleving opgeroepen.

Verdachte heeft de nabestaanden van [slachtoffer 1], in het bijzonder diens echtgenote [naam 4] en hun beide kinderen [naam 3] en [naam 5], een onherstelbaar groot leed berokkend, hetgeen laatstgenoemde treffend tot uitdrukking heeft gebracht in haar schriftelijke slachtofferverklaring van 14 juni 2005. Naar de ervaring leert, is het moeten leven met het feit dat een naast familielid is vermoord voor nabestaanden ondraaglijk.

Hetgeen hiervoor is overwogen kan niet tot een ander oordeel leiden dan dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur dient te worden opgelegd, alleen al ter vergelding van de inbreuk op de rechtsorde en het leed dat verdachte de nabestaanden heeft aangedaan.

De moord op [slachtoffer 1] is gepleegd in opdracht van een organisatie die zich richt op het plegen van misdrijven en die daarbij in het kader van een afrekening het plegen van moord op een onschuldig slachtoffer als middel heeft ingezet. Het bestaan van een dergelijke organisatie is naar het oordeel van het hof maatschappelijk intolerabel en vormt een ernstige aantasting van de gevoelens van veiligheid in de samenleving. Verdachte heeft zich in Engeland onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een hem opgelegde levenslange gevangenisstraf.

Die omstandigheid zal ertoe hebben bijgedragen dat hij zich, eenmaal in Nederland aangeland, aansloot bij de misdadige organisatie en dat hij in zijn maatschappelijk ontwrichte positie, die geen uitzicht bood op legale bezigheden, gemakkelijk bereid kon worden gevonden mee te werken aan de realisering van de niets ontziende doelstellingen van deze organisatie. Hij heeft verklaard, dat hij geen vragen heeft gesteld over het hoe en waarom van de opdrachten die hij van de leiding kreeg - en dus kennelijk ook niet over de morele merites daarvan - en dat hij zich houdt aan de afgesproken gedragscodes. Die codes brengen onder meer mee dat hij over de identiteit van zijn opdrachtgevers geen informatie verstrekt en weinig tot niets loslaat over de precieze bedoelingen en activiteiten van de organisatie. Verdachte heeft als een ware desperado aangetoond uiterst koelbloedig en gewetenloos te kunnen zijn bij het uitvoeren van de opdrachten die hij kreeg. Het na eerdere bedreigingen in de hal van zijn eigen woning neerschieten van een onschuldige burger onder de omstandigheden van dit geval getuigt van een in ons land tot dusver nog zelden getoonde wreedheid, die kenmerkend is voor de allerergste vormen van criminaliteit.

Naast de vergelding voor de inbreuk op de rechtsorde en voor het leed dat de nabestaanden van [slachtoffer 1] is aangedaan, dringt zich aldus de afschrikking van anderen die zich geroepen zouden voelen hier te lande zulke ernstige misdaden te plegen, als strafdoel op. Ook in dit licht dient in deze zaak een zeer lange gevangenisstraf te worden opgelegd.

Het hof heeft met belangstelling en erkentelijkheid kennis genomen van de uitvoerige beschouwingen van de raadsman van verdachte, mr. W. Anker, over de bezwaren die kunnen worden ingebracht tegen de oplegging en tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf. Het hof is met de raadsman van oordeel, dat veroordeelden tot gevangenisstraf uit humanitaire overwegingen in beginsel het uitzicht op terugkeer en reïntegratie in de samenleving dienen te behouden. Dat geldt ook voor veroordeelden

die zich aan ernstige misdrijven hebben schuldig gemaakt en daarvoor tot zeer lange gevangenisstraffen zijn veroordeeld. De gedachte daarachter is dat een veroordeelde tot inkeer kan komen en dat zijn gedrag en levenshouding ten goede kunnen veranderen. Maar er kunnen ook andere goede redenen zijn om de duur van een lange gevangenisstraf bij de rechterlijke uitspraak te beperken.

Zo leert de ervaring dat alle (andere) doelen die met de strafoplegging worden nagestreefd op enig moment kunnen zijn uitgewerkt. Omdat levenslang in Nederland behoudens de mogelijkheid van gratie - waaromtrent, zo voegt het hof toe, de rechter niet kan en mag speculeren, omdat hij zijn eigen verantwoordelijkheid moet nemen - ook werkelijk levenslang is en niet is voorzien in een toetsing door de onafhankelijke rechter, zoals die voor ter beschikking gestelden wél bestaat, moet aldus de raadsman grote terughoudendheid worden betracht bij het opleggen van deze, in ons recht, ultieme sanctie. Het hof is ook dit met de raadsman eens en voegt hieraan toe zich er van bewust te zijn dat in de laatste jaren vaker levenslang is opgelegd dan vroeger gebruikelijk was. Dit betekent niet zonder meer dat het strafklimaat veranderd is of verhard, in die zin dat de strafrechter zijn terughoudendheid bij het opleggen van levenslange gevangenisstraf heeft laten varen.

Het kan ook iets zeggen over de zwaarte van de misdrijven die worden gepleegd en het ontbreken van alternatieven. Daarbij komt dat de wetgever de levenslange gevangenisstraf niet uit het arsenaal van straffen heeft willen schrappen en dus uitdrukkelijk de mogelijkheid van oplegging van deze ultieme straf heeft willen openlaten.

De hiervoor omschreven grote terughoudendheid van de rechter brengt echter mede dat de levenslange gevangenisstraf in de praktijk van de strafrechtspleging gereserveerd moet blijven voor - kennelijk toch ook door de raadsman mogelijk geachte (pleitnota 19 april 2006, blz. 45, sub 5) - gevallen waarin moet worden geoordeeld dat terugkeer in de samenleving onaanvaardbaar is. Een dergelijk uitzonderlijk geval doet zich hier naar het oordeel van het hof voor. Verdachte heeft na de moord waarvoor hij in 1978 in Engeland tot een levenslange gevangenisstraf is veroordeeld thans wederom een moord gepleegd. Een tijdelijke, zij het zeer lange, gevangenisstraf zou onvoldoende recht zou doen aan het gevaar dat verdachte zich wederom aan soortgelijke ernstige feiten zal schuldig maken. Het hof overweegt hieromtrent nog het volgende.

Het hof is van oordeel dat, in het geval de verdachte uit gevangenschap zou worden ontslagen, er een gerede kans bestaat dat hij zich wederom schuldig zal maken aan een levensdelict of een ander ernstig geweldsdelict. Uit de moord op [slachtoffer 1] is gebleken waartoe verdachte in staat is. Ook de loyaliteit jegens de organisatie waarbij hij zich heeft aangesloten doet het ergste vrezen.

Het hof neemt mede in aanmerking het reeds vermelde gegeven dat verdachte in 1978 in Engeland al is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf ter zake van een in 1977 gepleegde moord en dat, zoals uit de op verzoek van het hof uit Engeland ontvangen bescheiden blijkt, ten laste van hem ook nog andere ernstige misdrijven zijn bewezen verklaard, waarvoor hem nog afzonderlijke, ofschoon kennelijk gelijktijdig ten uitvoer te leggen, gevangenisstraffen zijn opgelegd. Daarbij komt dat verdachte onvoldoende inzicht heeft willen geven in zijn persoonlijkheid en geestvermogens. Aan een psychologische en/of psychiatrische rapportage heeft hij geen medewerking willen verlenen. Het hof moet het er bij gebreke van aanwijzingen van het tegendeel voor houden dat hem de bewezen verklaarde feiten volledig moeten worden toegerekend. Er is bij dit alles voorshands geen enkel aanknopingspunt voor de verwachting dat de recidivekans door behandeling of door enkel tijdsverloop zal verminderen. Bij deze stand van zaken kan naar de inschatting van het hof geen termijn worden bepaald waarop de kans op herhaling van levensdelicten of andere geweldsdelicten naar redelijke verwachting zal zijn afgenomen en dat verdachte geen gevaar meer oplevert voor de samenleving.

Hieruit volgt dat de bescherming van de maatschappij tegen deze dader voorrang dient te hebben boven het perspectief van vrijlating op enige termijn en dat derhalve terugkeer in de samenleving onaanvaardbaar is. Dit leidt tot de conclusie dat het oordeel van de rechtbank moet worden gevolgd, met dien verstande dat niet met een tijdelijke vrijheidsstraf van zeer lange duur kan worden volstaan, maar dat een levenslange gevangenisstraf moet worden opgelegd.

Verbeurdverklaring

De door het hof verbeurd te verklaren voorwerpen zijn daarvoor vatbaar. Immers met behulp van die voorwerpen zijn de hiervoor onder 1, 2 subsidiair en 4 bewezen verklaarde feiten voorbereid, terwijl uit het onderzoek ter zitting van het hof is gebleken, dat zij toebehoren aan verdachte.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter zitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij [benadeelde partij] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat haar vordering in eerste aanleg geheel is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van haar gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort. Blijkens het voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces vordert de benadeelde partij vergoeding van schade tot een bedrag van € 7.554,51.

Het hof acht de vordering van de benadeelde partij tot het bedrag van € 7.554,51 toewijsbaar, nu naar het oordeel van het hof voldoende is komen vast te staan dat door het onder 1 bewezen verklaarde feit aan de benadeelde partij tot dat bedrag schade is berokkend en dat de schade aan verdachte kan worden toegerekend.

Gelet op het voorgaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Het hof overweegt dat op grond van het onderzoek ter zitting van het hof vast staat,dat door het onder 1 bewezen verklaarde feit aan het slachtoffer [benadeelde partij] schade is toegebracht, waarvoor verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Aan verdachte zal derhalve de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van € 7.554,51 ten behoeve van de benadeelde partij.

Opheffing van de voorlopige hechtenis

Aan het slot van de laatste zittingsdag in hoger beroep heeft de raadsman van verdachte, mr. T. van der Goot, de opheffing van de voorlopige hechtenis van zijn cliënt en als gevolg daarvan diens onmiddellijke invrijheidstelling bepleit. Hij heeft ermee ingestemd dat het hof op dit verzoek bij dit arrest zou beslissen. Uit al het voorgaande volgt dat de verdenking, bezwaren en gronden die tot het bevel tot voorlopige hechtenis hebben

geleid, nog onverkort aanwezig zijn. Het verzoek moet dus worden afgewezen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 36f, 47, 57, 140 (oud), 284 en 289 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, voor zover aan hoger beroep onderworpen, en in zoverre opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 2 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte onder 1, 2 subsidiair en 4 ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2 subsidiair en 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot levenslange gevangenisstraf;

verklaart verbeurd: een notitieboek, losse papieren en een telefoonboekje IZI GO met nummers;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde partij], Uranusstraat wonende te Groningen, tot een bedrag van zevenduizend vijfhonderdvierenvijftig euro en eenenvijftig cent;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van zevenduizend vijfhonderdvierenvijftig euro en eenenvijftig cent ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van honderdeenenvijftig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Dit arrest is aldus gewezen door prof. mr. Hermans, vice-president als voorzitter, mr. Roes en mr. Koers-van der Linden, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. Lok als griffier.