Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AZ4025

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-12-2006
Datum publicatie
11-12-2006
Zaaknummer
0400004
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorop gesteld moet worden dat de bestuurder van een vennootschap op grond van onrechtmatig handelen persoonlijk jegens een schuldeiser van de vennootschap onder meer aansprakelijk is, indien hem ervan een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt dat de vennootschap de verplichtingen uit een bestaande overeenkomst tegenover die schuldeiser niet is nagekomen.

Het hof komt tot de conclusie dat niet van zodanige concrete omstandigheden sprake is, dat geïntimeerde 1 uit hoofde van de niet-nakoming van de verplichtingen van de werkgever ter zake van de pensioenregeling een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 6 december 2006

Rolnummer 0400004

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

Stichting Verhaal Pensioenschade Oud-werknemers PBR,

gevestigd te Adorp,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: de Stichting,

procureur: mr P.R. van den Elst,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [geïntimeerde 1],

procureur: mr J.V van Ophem,

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [geïntimeerde 2],

procureur: mr T.H. Pasma,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden]

De inhoud van het tussenarrest d.d. 1 januari 2006 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Ingevolge het genoemde tussenarrest heeft de Stichting onder overlegging van producties een akte genomen, waarop [geïntimeerde 2] met een antwoord-akte heeft gereageerd.

Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd en heeft het hof een dag bepaald voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

Met betrekking tot de vaststaande feiten

1. Het hof constateert dat in het genoemde tussenarrest de vaststaande feiten niet juist zijn vermeld, voor zover zij in r.o. 5 van bedoeld tussenarrest onder (iii) en tot en met (vi) zijn weergegeven.

2. Die rechtsoverweging moet in zoverre als volgt worden gelezen:

'(iii) Pharma Bio-Research International B.V., Pharma Bio-Research Clinics B.V., Pharma Bio-Research Laboratories B.V. en Pharma Bio-Research Consultancy B.V. waren voor 100% dochtermaatschappijen van Pharma Bio-Research Group B.V., statutair gevestigd te Assen en kantoorhoudende te Zuidlaren.

(iv) [geïntimeerde 1] bezat 99% van de aandelen van van Pharma Bio-Research Group B.V.; [geïntimeerde 2] had in deze vennootschap een minderheidsbelang van 1% van de aandelen.

(v) [geïntimeerde 2] had 100% van de aandelen in Pharma Sciences International B.V.

(vi) Pharma Bio-Research International B.V., Pharma Bio-Research Clinics B.V., Pharma Bio-Research Laboratories B.V., Pharma Bio-Research Consultancy B.V. en Pharma Sciences International B.V. vormden op juli 1999, zijnde de datum waarop zij in staat van faillissement zijn verklaard, feitelijk één onderneming.'

3. Voorts is als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet voldoende betwist in hoger beroep komen vast te staan :

(i) De lastgevers van de stichting, hierna te noemen de werknemers, zijn in dienst geweest van één der vennootschappen Pharma Bio-Research International B.V., Pharma Bio-Research Clinics B.V., Pharma Bio-Research Laboratories B.V., Pharma Bio-Research Consultancy B.V., hierna gezamenlijk te noemen de PBR-vennootschappen, en Pharma Sciences International B.V., hierna te noemen PSI. De PBR-vennootschappen en PSI worden hierna gezamenlijk in enkelvoud aangeduid als de werkgever.

(ii) Ten tijde van het faillissementen besloeg de achterstand in de betaling aan Aegon van de premies, waarvan het werknemersaandeel op de gebruikelijke manier werd ingehouden op de salarissen van de werknemers, een periode van bijna twee jaar.

(iii) Een door [betrokkene 1], bestuurder van de PBR-vennootschappen, aan de Ondernemingsraad gerichte brief d.d. 18 februari 1999 vermeldt onder meer:

'Concluderend, hoewel [geïntimeerde 1] in het eerste halfjaar van 1998 misschien niet precies op de hoogte was van de te betalen pensioenpremies, was hij dat zeker wel in de tweede helft van het jaar, en met name vanaf halverwege het derde kwartaal, toen de pensioenpremies werden opgevoerd op de dagelijkse overzichten en er betaalschema's werden voorgesteld. Hij bemoeide zich ook zelf met de financiële afhandeling van deze kwestie.'

De vorderingen van de Stichting als oorspronkelijk eiseres:

4. De Stichting vordert bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad:

[geïntimeerde 1] te veroordelen om aan haar te betalen een bedrag van euro 753.156,90, althans een bedrag van euro 129.572,56, en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hoofdelijk te veroordelen, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om aan haar te betalen een bedrag van euro 66.372,45, althans een bedrag van euro 28.294,91, althans [geïntimeerde 1] te veroordelen om haar te betalen een bedrag van euro 64.781,72 en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hoofdelijk te veroordelen om aan haar te betalen een bedrag van euro 14.147,46, althans zodanig bedrag c.q. bedragen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren, alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 1999 tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de kosten van de procedure in beide instanties.

Voorts met betrekking tot de grieven:

De ontvankelijkheid van de Stichting in haar vorderingen als oorspronkelijk eiseres

5. Aangezien de Stichting alsnog schriftelijke lastgevingen van [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4] en [betrokkene 5] heeft overgelegd, is zij ook in zoverre in haar vorderingen als oorspronkelijk eiseres ontvankelijk.

6. Nu de Stichting heeft gesteld dat zij niet in staat is een schriftelijke lastgeving van

[betrokkene 6] respectievelijk [betrokkene 7] - in het genoemde

tussenarrest ten onrechte aangeduid als '[verkeerde naam]' - over te leggen, is het

hof met de kantonrechter van oordeel dat de Stichting in haar vorderingen als

oorspronkelijk eiseres niet-ontvankelijk is, voor zover zij die als gepretendeerd

lasthebster van [betrokkene 6] en [betrokkene 7] heeft ingesteld.

7. Voorts heeft de Stichting onvoldoende weersproken gesteld dat het bij '[betrokkene 8]'

en '[betrokkene 9]' gaat om [betrokkene 10] respectievelijk [betrokkene 11], zodat de

Stichting in zoverre in haar vorderingen als oorspronkelijk eiseres

ontvankelijk is.

8. De grieven zijn derhalve grotendeels terecht opgeworpen. Of dit de

Stichting zal baten, zal hierna blijken.

9. Duidelijkheidshalve overweegt het hof nog het volgende. Gelet op het hiervoor overwogene en de bij memorie van grieven als productie 1 overgelegde specificatie, gaat het, voor zover de Stichting in haar vorderingen niet-ontvankelijk is, bij het gevorderde bedrag van euro 753.156,90, om een gedeelte, groot euro 1.228,61, bij het gevorderde bedrag van euro 129.572,56 om een gedeelte, groot euro 124,07, en bij het gevorderde bedrag van euro 64.781,72 om een gedeelte, groot euro 62,04.

De grondslag van de vorderingen van de Stichting als oorspronkelijk eiseres, voor

zover zij daarin ontvankelijk is

10. De Stichting heeft naast de vaststaande feiten aan het thans ter beoordeling ten gronde voorliggende deel van haar vorderingen - voor zover te dezen van belang en zakelijk weergegeven - de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

(i) [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben onrechtmatig jegens de werknemers gehandeld, ten gevolge waarvan deze schade hebben geleden.

(ii) Zij wisten, althans zij konden redelijkerwijs weten dan wel behoorden te weten dat de werkgever sedert 1997 niet meer aan pensioenverplichtingen jegens de werknemers kon of wilde voldoen. Intussen heeft de werkgever al die tijd gebruik gemaakt van de diensten van de werknemers zonder hen daaromtrent te informeren.

(iii) De kredietopzegging - en als gevolg daarvan de niet-nakoming van de pensioenverplichtingen - is bewust bewerkstelligd, althans op de koop toegenomen door [geïntimeerde 1] (en [geïntimeerde 2]), met name omdat [geïntimeerde 1] onvoldoende afstand tot de onderneming heeft bewaard en in strijd met de afspraken heeft nagelaten de wijzigingen met betrekking tot bestuur en management in het handelsregister te effectueren.

(iv) De geleden schade beloopt voor zover het gaat om werknemers in dienst van de PBR-vennootschappen in totaal een bedrag van euro 751.928,29 en voor zover het gaat om werknemers in dienst van PSI in totaal een bedrag van euro 66.372,45, zijnde deze respectievelijke bedragen gelijk aan het totaal van het bedrag van de door de PBR-vennootschappen respectievelijk PSI niet afgedragen premie en het beloop van de ten tijde van het ontslag voor de PBR-vennootschappen respectievelijk PSI bestaande financieringsverplichting, althans een bedrag van euro 129.448,49, respectievelijk een bedrag van euro 28.294,91, zijnde deze respectievelijk bedragen gelijk aan het bedrag van de niet afgedragen premie, althans een bedrag van euro 64.719,68 respectievelijk een bedrag van euro 14.147,46, zijnde deze respectievelijke bedragen gelijk aan het niet afgedragen werknemersaandeel van de premie.

11. Aan zijn verweer heeft [geïntimeerde 1] - voor zover te dezen van belang en zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd:

(i) Hij betwist de stelling van de Stichting dat hij wist, althans redelijkerwijs kon weten dan wel behoorde te weten dat de werkgever sedert 1997 niet meer aan pensioenverplichtingen jegens de werknemers kon of wilde voldoen.

(ii) Hij is er eerst in december 1998 van op de hoogte geraakt, dat de pensioenpremies onbetaald bleven. Daarop is op zijn instigatie op 13 januari 1999 met Aegon een betalingsregeling getroffen. De betalingsregeling is tot het tijdstip waarop de faillissementen zijn uitgesproken, nagekomen.

(iii) PBR was het levenswerk van [geïntimeerde 1], en het faillissement is niet door hem of door zijn aanblijven veroorzaakt; in maart 1999 werd weer winst gemaakt. De toekomstverwachtingen waren toen positief. [geïntimeerde 1] is bovendien wel degelijk als statutair bestuurder afgetreden.

ABN AMRO had het krediet dan ook nimmer mogen opzeggen op grond van zijn vermeende weigering als statutair directeur te vertrekken.

12. [geïntimeerde 2] heeft de vorderingen van de Stichting eveneens betwist.

De beoordeling door het hof

13. Voorop gesteld moet worden dat de bestuurder van een vennootschap op grond van onrechtmatig handelen persoonlijk jegens een schuldeiser van de vennootschap onder meer aansprakelijk is, indien hem ervan een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt dat de vennootschap de verplichtingen uit een bestaande overeenkomst tegenover die schuldeiser niet is nagekomen. Het zal van de concrete omstandigheden van het geval afhangen, of het verwijt dat hij heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap de verplichtingen uit die overeenkomst niet is nagekomen, voldoende ernstig is (HR 18 februari 2000, NJ 2000, 295). Met de bestuurder van een vennootschap is te dezen naar het oordeel van het hof gelijk te stellen degene die het beleid van de vennootschap heeft bepaald als ware hij bestuurder.

14. De Stichting heeft bij conclusie van repliek het gemotiveerde verweer van [geïntimeerde 1] bestreden. Zij betwist dat [geïntimeerde 1] eerst in december 1998 van de achterstand in de betaling van de pensioenpremies op de hoogte is geraakt, zoals [geïntimeerde 1] bij wijze van verweer heeft aangevoerd. Naar haar stellingen zou [geïntimeerde 1] reeds in februari 1998, althans in mei 1998 dan wel medio augustus 1998 daarvan op de hoogte zijn geraakt. Bij conclusie van dupliek heeft [geïntimeerde 1] het bij conclusie van antwoord opgeworpen verweer dat hij eerst in december 1998 van de achterstand in de betaling van de premies op de hoogte is geraakt, gehandhaafd.

15. Bij inleidende dagvaarding heeft de Stichting bewijs aangeboden van de gang van zaken met betrekking tot het gestelde wanbeleid van gedaagden en het in de wind slaan van reorganisatieadviezen, alsmede van het niet treffen van pensioenvoorzieningen, het niet afdragen van pensioenpremies en het achterwege laten van informatie daarover. Een bewijsaanbod dat is toegesneden op het voor de vordering essentiële standpunt dat [geïntimeerde 1] van de genoemde betalingsachterstand reeds in februari 1998, althans in mei 1998 dan wel medio augustus 1998 op de hoogte is geraakt, en in november daaropvolgend de opdracht heeft gegeven deze premieschuld uit de liquiditeitsoverzichten te halen, is toen niet gedaan. Bij conclusie van repliek is het eerder genoemde bewijsaanbod zonder toevoeging herhaald, en ook in hoger beroep ligt een specifiek bewijsaanbod als hiervoor bedoeld niet voor. Het hof moet aan het in algemene bewoordingen gestelde bewijsaanbod van de Stichting als zijnde te vaag voorbij gaan. Voor het bewijs van haar genoemd standpunt acht het hof de inhoud van de hiervoor in r.o. 3 onder (iii) gedeeltelijk weergegeven brief, dat de Stichting ter staving daarvan heeft overlegd, onvoldoende. Het hof houdt het er daarom voor dat [geïntimeerde 1] eerst in december 1998 van de achterstand in de betaling van de premies op de hoogte is geraakt.

16. De door [geïntimeerde 1] bij conclusie van antwoord opgeworpen stelling dat de betalingsregeling met Aegon is nagekomen tot het tijdstip waarop de faillissementen zijn uitgesproken, is door de Stichting niet gemotiveerd betwist,

zodat het hof ook daarvan uitgaat.

17. Het vorenstaande leidt naar het oordeel van het hof tot de conclusie dat niet van zodanige concrete omstandigheden sprake is als in r.o. 13 bedoeld, dat [geïntimeerde 1] uit hoofde van de niet-nakoming van de verplichtingen van de werkgever ter zake van de pensioenregeling een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Bij dit oordeel heeft het hof in aanmerking genomen dat niet (subsidiair) is gesteld of gebleken dat nadat [geïntimeerde 1] in december 1998 van de achterstand in de betaling van de pensioenpremies op de hoogte was geraakt en - naar [geïntimeerde 1] niet voldoende weersproken heeft gesteld - op zijn instigatie op 13 januari 1999 met Aegon een betalingsregeling was getroffen, de werknemers, onwetend van de achterstand in de betaling van de pensioenpremies aan Aegon, gedurende langere periode hun arbeidsprestatie zou hebben laten verrichten. Evenmin is gesteld of gebleken dat de werkgever voldoende financieel draagkrachtig was om in plaats van een betalingsregeling te treffen de achterstand in de betaling van de premies aan Aegon in één keer te voldoen.

18. Voor zover de Stichting zou trachten ingang te doen vinden dat [geïntimeerde 1] zich aan een onrechtmatige daad jegens de werknemers schuldig heeft gemaakt, omdat hij er niet op toe heeft gezien dat de verplichtingen tegenover de werknemers ten

aanzien van het pensioen werden nagekomen, kan het hof de Stichting niet

volgen, aangezien in het algemeen niet kan worden gezegd dat de bestuurder van een vennootschap zich aan een onrechtmatige daad jegens een schuldeiser schuldig maakt indien hij er niet op toeziet dat de vennootschap haar verplichtingen tegenover de schuldeiser nakomt.

19. Voor zover de Stichting zou trachten ingang te doen vinden dat [geïntimeerde 1] tegenover de werknemers persoonlijk aansprakelijk is uit onrechtmatige daad, omdat in de faillissementen van een tekort sprake zou zijn ten gevolge van kennelijk onbehoorlijk bestuur, moet dat standpunt naar het oordeel van het hof eveneens worden verworpen, aangezien voor dat geval uitsluitend aan de curator een actie toekomt.

20. De Stichting heeft naar het oordeel van het hof niet zodanige feiten gesteld,

dat - zo die feiten in rechte zouden komen vast te staan - daaraan de

gevolgtrekking kan worden verbonden dat [geïntimeerde 2] er een voldoende ernstig

verwijt als bedoeld in r.o. 13 van kan worden gemaakt, dat de verplichtingen van

de werkgever ter zake van de pensioenregeling jegens de werknemers niet zijn

nagekomen.

21. De vorderingen van de Stichting moeten derhalve, voor zover zij daarin ontvankelijk is, worden afgewezen.

De slotsom

1. Het bestreden vonnis van 20 augustus 2003 moet worden bekrachtigd, voor zover de Stichting niet-ontvankelijk is verklaard in haar vorderingen voor zover zij zijn ingesteld namens [betrokkene 6] en [betrokkene 7], en voor zover de Stichting in de kosten van het geding in eerste aanleg is veroordeeld, en voor het overige worden vernietigd . Opnieuw rechtdoende moeten de vorderingen van de Stichting voor het overige worden afgewezen. De Stichting moet als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep worden veroordeeld. Deze kosten zullen worden berekend volgens het liquidatietarief voor de hoven (voor wat [geïntimeerde 1] betreft: tarief VII; 1 pt. à euro 2.580,--; voor wat [geïntimeerde 2] betreft: tarief IV; 1 pt. à euro 1.631,--).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het bestreden vonnis van 20 augustus 2003, voor zover de Stichting niet-ontvankelijk is verklaard in haar vorderingen voor zover zij zijn ingesteld namens [betrokkene 6] en [betrokkene 7], en voor zover de Stichting in de kosten van het geding in eerste aanleg is veroordeeld;

vernietigt dat vonnis voor het overige;

en inzoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van de Stichting voor het overige af;

veroordeelt de Stichting in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde 1] op euro 925,-- aan verschotten en euro 2.580,-- aan salaris voor de procureur en aan de zijde van [geïntimeerde 2] op euro 925,-- aan verschotten en euro 1.631,-- aan salaris voor de procureur.

Aldus gewezen door mrs Mollema, voorzitter, Breemhaar en Zandbergen, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 6 december 2006.