Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AZ0536

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
18-10-2006
Datum publicatie
20-10-2006
Zaaknummer
0600381
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

[appellant] heeft ter toelichting op de grieven aangevoerd dat het gebruikelijk is dat bij een procedure tussen gewezen echtgenoten de proceskosten worden gecom-penseerd. Hij heeft daaraan toegevoegd dat compensatie van de kosten te meer voor de hand had gelegen omdat hij alles in het werk heeft gesteld om aan de eisen van [geïntimeerde] tegemoet te kunnen komen.

Hoofdregel van art. 237 lid 1 Rv is dat de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, in de proceskosten wordt veroordeeld. Weliswaar biedt de tweede volzin van dat artikellid de rechter de mogelijkheid om de proceskosten geheel of gedeeltelijk te compenseren tussen - onder meer - (gewezen) echtgenoten, doch het gaat hier om een discretionaire bevoegdheid van de rechter.

De vordering van [geïntimeerde] is door de voorzieningenrechter volledig toewijsbaar geoordeeld. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder 1.1 is overwogen, staat dit oordeel in hoger beroep niet ter discussie. [appellant] moet derhalve als de in eerste aanleg in het ongelijk gestelde partij worden aangemerkt.

Nu de wet niet voorschrijft de proceskosten te compenseren indien partijen (gewezen) echtelieden zijn, schaart het hof zich, in het licht van al hetgeen in dat opzicht relevant is, achter het oordeel van de voorzieningenrechter.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 237
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2006/498
RFR 2006, 127

Uitspraak

Arrest d.d. 18 oktober 2006

Rolnummer 0600381

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats appellant],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. W. Huizing,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats geïntimeerde],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr. P. Sipma.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kortgeding-vonnis uitgesproken op 10 juli 2006 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 4 augustus 2006 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd kortgedingvonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 23 augustus 2006.

Het petitum van de appeldagvaarding, tevens houdende de grieven, luidt:

"dat het Gerechtshof het vonnis van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank te Leeuwarden d.d. 10 juli 2006 (kort gedingnummer: 76780KGZA06-183), tussen partijen gewezen, vernietigt voor zover daarin is bepaald dat [appellant] in de kosten van het geding wordt veroordeeld, tot aan de uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op euro 2.271,31 aan verschotten en euro 816,00 aan salaris procureur, en opnieuw recht doende, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, de kosten van het geding in eerste en in tweede instantie tussen partijen te compenseren."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"het vonnis van de Voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden, d.d. 10 juli 2006, te bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties."

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft acht grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. Gelet op de formulering van het petitum van de appeldagvaarding beperkt dit hoger beroep zich uitsluitend tot de vraag of de voorzieningenrechter in plaats van [appellant] in de proceskosten te veroordelen, die kosten tussen partijen had dienen te compenseren.

1.1. Het hof dient zich daarom te onthouden van een inhoudelijke behandeling van de grieven I t/m VI, die zich richten tegen het oordeel van de voorzieningenrechter aangaande de vordering tot betaling door [appellant] aan [geïntimeerde] van een voorschot op de boedelverdeling.

2. Vooropgesteld moet worden dat het belang van [appellant] bij dit hoger beroep in voldoende mate is gegeven door de in het beroepen kortgedingvonnis ten laste van hem uitgesproken kostenveroordeling. Aan dat belang van [appellant] behoeft niet de eis te worden gesteld dat dit spoedeisend is, nu in kort geding de beoordeling aangaande de spoedeisendheid van de zaak is beperkt tot de vordering ten aanzien waarvan door de oorspronkelijk eisende partij een voorziening bij voorraad is gevraagd en die in een bodemprocedure nader aan de orde kan worden gesteld.

3. De grieven VII en VIII, die zich lenen voor gezamenlijke beoordeling, zijn gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten dient te worden veroordeeld.

3.1. [appellant] heeft ter toelichting op de grieven aangevoerd dat het gebruikelijk is dat bij een procedure tussen gewezen echtgenoten de proceskosten worden gecom-penseerd. Hij heeft daaraan toegevoegd dat compensatie van de kosten te meer voor de hand had gelegen omdat hij alles in het werk heeft gesteld om aan de eisen van [geïntimeerde] tegemoet te kunnen komen.

3.2. Hoofdregel van art. 237 lid 1 Rv is dat de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, in de proceskosten wordt veroordeeld. Weliswaar biedt de tweede volzin van dat artikellid de rechter de mogelijkheid om de proceskosten geheel of gedeeltelijk te compenseren tussen - onder meer - (gewezen) echtgenoten, doch het gaat hier om een discretionaire bevoegdheid van de rechter.

3.3. De vordering van [geïntimeerde] is door de voorzieningenrechter volledig toewijsbaar geoordeeld. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder 1.1 is overwogen, staat dit oordeel in hoger beroep niet ter discussie. [appellant] moet derhalve als de in eerste aanleg in het ongelijk gestelde partij worden aangemerkt.

3.4. Nu de wet niet voorschrijft de proceskosten te compenseren indien partijen (gewezen) echtelieden zijn, schaart het hof zich, in het licht van al hetgeen in dat opzicht relevant is, achter het oordeel van de voorzieningenrechter.

3.5. De grieven falen.

Slotsom

4. Het kortgedingvonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd.

[appellant] moet als de in het ongelijk te stellen partij worden beschouwd en zal daarom worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, welke het hof wegens de geringe omvang van de zaak enigermate zal matigen (1 procespunt,

tarief I). In de omstandigheden van het geval ziet het hof geen aanleiding de proceskosten te compenseren.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het kortgedingvonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] op euro 296,-- aan verschotten en op

euro 632,-- aan salaris voor de procureur.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Breemhaar en Zandbergen, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Mellink als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 18 oktober 2006.