Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AZ0114

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-10-2006
Datum publicatie
16-10-2006
Zaaknummer
0500603
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil inzake schade aan inboedel die na ontruiming wegens huurachterstand door gemeente is opgehaald en vernietigd. Geen verrekening mogelijk van schade met verschuldigde huur wegens onvoldoende samenhang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 11 oktober 2006

Rolnummer 0500603

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats appellant],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie,

tevens eiser in reconventie,

hierna te noemen: [appellant],

toevoeging,

procureur: mr J.V. van Ophem,

tegen

Stichting Corporatieholding Friesland,

gevestigd te Grou,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie,

tevens verweerster in reconventie,

hierna te noemen: SCF,

procureur: mr M.M. Hoelen.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 29 april 2005 en 1 juli 2005 door de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Leeuwarden (hierna aan te duiden als de kantonrechter).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 29 september 2005 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 1 juli 2005 met dagvaarding van SCF tegen de zitting van 7 december 2005.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

bij arrest, bij voorraad uitvoerbaar, de op 29 april 2005 en 1 juli 2005 door de Rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Leeuwarden in conventie en reconventie de tussen partijen gewezen vonnissen te vernietigen, en, opnieuw rechtdoende, in conventie alsnog geïntimeerde in haar inleidende vordering ontvankelijk te verklaren dan wel de vordering af te wijzen en in reconventie alsnog:

1. te verklaren van recht dat geïntimeerde toerekenbaar jegens appellant tekort is geschoten door in weerwil van de gemaakte afspraken dat er pas 27 augustus 2004 te 12.00 uur tot ontruiming zou worden overgegaan, er al eerder tot ontruiming is overgegaan;

2. Geïntimeerde te veroordelen om de daaruit voor appellant voortgevloeide schade te vergoeden middels betaling van een bedrag van euro 10.000,=;

3. te verklaren van recht dat geïntimeerde toerekenbaar jegens appellant tekort is geschoten door niet op 27 augustus 2004 terstond een andere woning aan appellant te verhuren;

4. geïntimeerde te veroordelen de daaruit voor appellant voortvloeiende schade te vergoeden middels betaling van een bedrag van euro 1.500,=;

5. geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door SCF verweer gevoerd met als conclusie:

"de vonnissen van de Rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Leeuwarden van 29 april 2005 en 1 juli 2005 onder rolnummer 161829 gewezen, te bekrachtigen, zonnodig onder aanvulling en/of verbetering van de gronden waarop het steunt en [appellant] niet ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, althans de vorderingen af te wijzen zulks met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties, één en ander uitvoerbaar bij voorraad."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft drie grieven opgeworpen.

De beoordeling

Met betrekking tot de omvang van de rechtsstrijd

1. De grieven richten zich mede tegen het genoemde vonnis van 29 april 2005, zodat ook dat vonnis in het hoger beroep is betrokken.

Met betrekking tot de vaststaande feiten

2. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in het vonnis van 29 april 2005 is behoudens (zo kan grief I althans worden gelezen) omtrent de afwezigheid van [appellant] bij de ontruiming geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan, zulks met inachtneming van hetgeen hierna met betrekking tot grief 1 zal worden overwogen. Voor zover dat voor de beoordeling van dit geschil nog van belang is, zal het hof die feiten hierna weergeven, aangevuld met feiten die in hoger beroep als vaststaand kunnen worden aangemerkt.

2.1. Bij vonnis van 6 augustus 2004 heeft de kantonrechter de tussen partijen indertijd bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het pand gelegen aan de [adres] (hierna de sloopwoning te noemen) in verband met een huurachterstand ontbonden en [appellant] veroordeeld tot ontruiming van die woning. De sloopwoning is door SCF op of omstreeks 27 augustus 2004 om 8.00 uur ontruimd. SCF heeft de zich in de woning bevindende zaken aan de kant van de weg gezet. De gemeente Leeuwarden heeft deze zaken vervolgens opgehaald.

1.2. SCF heeft met [appellant] later een nieuwe huurovereenkomst gesloten met betrekking tot een woning aan de [adres 1] tegen een maandhuur van euro 304,32. Op 3 juni 2005 bedroeg de huurachterstand euro 3.071,17. Bij vonnis van 1 juli 2005 heeft de kantonrechter om die reden ook deze overeenkomst ontbonden en [appellant] andermaal tot ontruiming veroordeeld. De reconventionele vordering van [appellant] ter zake van schadevergoeding is door de kantonrechter in datzelfde vonnis afgewezen. Dit vonnis is door SCF eveneens ten uitvoer gelegd.

Met betrekking tot de grieven

1. [appellant] heeft onder meer geconcludeerd tot tot het geven van een verklaring voor recht dat SCF jegens hem toerekenbaar is tekortgeschoten door niet op 27 augustus 2004 terstond een andere woning aan hem te verhuren, met veroordeling van SCF tot betaling van de daaruit voor hem voortvloeiende schade ad euro 1.500,=. Nu echter geen grieven zijn aangevoerd tegen de desbetreffende afwijzende beslissing in reconventie of de overwegingen die ertoe hebben geleid, moet het er in hoger beroep voor worden gehouden dat de vorderingen wat dat betreft terecht zijn afgewezen.

4. Aan alle grieven ligt slechts de door [appellant] gehandhaafde stelling ten grondslag dat hij schade heeft geleden bestaande uit de vernietiging van de uit de sloopwoning verwijderde inboedel. [appellant] voert omtrent de toerekenbaarheid van die schade onder meer aan dat SCF hem de toezegging heeft gedaan dat hij (tenminste) tot 12.00 uur de tijd had zijn woning te ontruimen. De ontruiming vond echter al om 8.00 uur plaats.

5. Omtrent de vraag of hij bij de ontruiming aanwezig is geweest, spreekt [appellant] zichzelf in de toelichting op zijn eerste grief tegen. Enerzijds merkt hij op dat hij zich om circa 08.00 bij de woning meldde, om tot zijn niet geringe verbazing te merken dat de verhuurder al tot ontruiming was overgegaan en dat zijn spullen waren afgevoerd. Anderzijds erkent hij enige alinea's later wel bij de ontruiming aanwezig te zijn geweest. Hij zou echter niet terstond actie hebben kunnen ondernemen omdat hij met vrij harde hand uit de woning werd gehouden en (dus) niet in de gelegenheid werd gesteld zijn spullen uit huis te halen. Deze feitelijke tegenspraak leidt tot de conclusie dat [appellant] niet - eenduidig - feiten heeft gesteld die, indien zij komen vast te staan, de conclusie kunnen dragen dat de inboedel kon worden afgevoerd doordat SCF afspraken heeft geschonden die zij met [appellant] omtrent het tijdstip van ontruiming heeft gemaakt.

6. Omtrent de tweede versie van de gebeurtenissen ([appellant] werd uit de woning geweerd) overweegt het hof nog het volgende. Vast staat dat de inboedel eerst aan de kant van de weg is gezet en pas daarna door de gemeente is opgehaald. Als het al zo is dat [appellant] bij gelegenheid van de ontruiming is tegengewerkt, dan valt zonder nadere toelichting - die ontbreekt - niet in te zien dat hij niet in staat is geweest de vervolgens aan de straat gezette inboedel alsnog mee te nemen.

7. Voorts overweegt het hof dat, zouden de grieven enige kans van slagen willen hebben, [appellant] in hoger beroep niet alleen een deugdelijke feitelijke onderbouwing had moeten verschaffen aan zijn stelling dat hij op enigerlei wijze is gefrustreerd in zijn voornemen zijn spullen mee te nemen; van deze betwiste stelling - op basis van welke feitelijke variant dan ook - had hij bovendien bewijs aan dienen te bieden. Aan die verplichting heeft hij evenmin voldaan, nu in dit verband een gespecificeerd bewijsaanbod ontbreekt.

8. Op het voorgaande stranden de grieven.

Met betrekking tot de in conventie gevoerde weren

9. Indien er al veronderstellenderwijs van zou worden uitgegaan dat de grieven slagen, en dat vast komt te staan dat [appellant] een vordering op SCF heeft ter zake van inboedelschade, dan nog zou het verweer dat hij in conventie heeft gevoerd geen stand houden. [appellant] heeft zich immers op het standpunt gesteld dat hij bevoegd is geweest de betaling van huurpenningen op te schorten totdat voldoening van deze schadevordering zou plaatsvinden (verrekening behoort in zijn woorden 'op zich niet tot de mogelijkheden'). Vereist is dan echter dat tussen de schadevordering enerzijds en de verbintenis tot betaling van huur anderzijds voldoende samenhang bestaat om deze opschorting te rechtvaardigen. Dat is echter naar het oordeel van het hof niet het geval: de schadevordering vloeit voort uit een beweerdelijk tussen partijen gemaakte afspraak ter zake van de ontruiming van [adres] en strekt tot vergoeding van inboedelschade na een rechtmatige ontruiming van dat pand; de vordering van SCF betreft huurpenningen ten aanzien van een later gehuurde woning aan de [adres 1]. Die omstandigheden staan in een te ver verwijderd verband, waardoor aan het eerder genoemde vereiste niet is voldaan.

De slotsom.

10. De bestreden vonnissen dienen te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (tarief 2, 1 punt).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de bestreden vonnissen;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van SCF tot aan deze uitspraak op euro 244,= aan verschotten en euro 894,= aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs Mollema, voorzitter, Breemhaar en Zandbergen, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 11 oktober 2006.