Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AY9578

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
04-10-2006
Datum publicatie
06-10-2006
Zaaknummer
0500356
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof kan in het midden laten of de aan [betrokkene] jr. verweten gedraging onrechtmatig is en of - voor zover met name in grief 2 gelezen moet worden dat hiertegen is opgekomen - de door de rechtbank gegeven verklaring voor recht dat er onrechtmatig is gehandeld "door het doen van een onjuiste mededeling", waar was gevorderd "door het publiceren van aperte leugens en valselijke beschuldigingen". Het hof is namelijk van oordeel dat de gevorderde verklaring voor recht bij gebrek aan rechtens te respecteren belang van Farmer Hoeve c.s. dient te worden afgewezen, nu de rechtbank in rechtsoverweging 5 van het vonnis van 15 juni 2005 heeft vastgesteld dat Farmer Hoeve c.s. geen schade hebben geleden. Deze vaststelling houdt in hoger beroep stand, zoals hieronder zal blijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 427

Uitspraak

Arrest d.d. 4 oktober 2006

Rolnummer 0500356

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

VDL-Stud Im- en Export B.V.,

gevestigd te Bears, gemeente Littenseradiel,

appellante in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: VDL,

procureur: mr H.A. van Beilen,

tegen

1. Farmer Hoeve B.V.,

gevestigd te Oss,

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats geïntimeerde 2],

3. [geïntimeerde 3],

wonende te [woonplaats geïntimeerde 3],

geïntimeerden in het principaal en appellanten in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: Farmer Hoeve c.s.,

procureur: mr J.V. van Ophem.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 25 april 2001, 5 juni 2002, 16 oktober 2002, 8 januari 2003, 21 mei 2003, 6 augustus 2003, 7 april 2004 en 15 juni 2005 door de rechtbank te Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 8 juli 2005 is door VDL hoger beroep ingesteld van de genoemde vonnissen van 25 april 2001, 5 juni 2002, 16 oktober 2002, 8 januari 2003, 21 mei 2003, 7 april 2004 en 15 juni 2005 met dagvaarding van Farmer Hoeve c.s. tegen de zitting van 27 juli 2005.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt:

"te vernietigen de tussenvonnissen van de Rechtbank Leeuwarden van 25 april 2001, 5 juni 2002, 16 oktober 2002, 8 januari 2003, 21 mei 2003 en 7 april 2004, alsmede het eindvonnis van 15 juni 2005 door de Rechtbank Leeuwarden gewezen en de vorderingen van geïntimeerden alsnog af te wijzen, met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van beide procedures."

VDL heeft een memorie van grieven genomen.

Op 1 februari 2006 heeft VDL een akte ter rectificatie genomen.

Bij memorie van antwoord is door Farmer Hoeve c.s. verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd tegen alle in eerste aanleg gewezen en hiervoor genoemde vonnissen met als conclusie:

"Ten principale:

bij arrest voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het hoger beroep niet -ontvankelijk te verklaren en/of het beroep af te wijzen en het bestreden vonnis - voor zover nodig onder verbetering en/of aanvulling der gronden - te bekrachtigen,

Farmer hoeve c.s. geïntimeerde, uw Gerechtshof verzoekt, bij arrest voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, VDL-Stud, appellante, te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties, en voorwaardelijk te veroordelen in de kosten.

In het incidenteel beroep:

om rechtdoende bij arrest voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het incidenteel hoger beroep toe te wijzen en de bestreden vonnissen, zonodig onder verbetering of aanvulling van gronden, aldus te wijzigen, en voor zoveel nodig te vernietigen respectievelijk te bekrachtigen, dat de vorderingen van incidenteel appellanten zoals deze duidden bij dagvaarding in eerste aanleg, worden toegewezen.

Farmerhoeve c.s., appellante, uw Gerechtshof verzoekt, bij arrest voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, VDL-Stud, geïntimeerde, te veroordelen in de kosten van het geding, en voorwaardelijk te veroordelen in de nakosten."

Door VDL is in het incidenteel appel geantwoord met als conclusie:

"om bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het incidentele appèl ongegrond te verklaren, met veroordeling van Farmer Hoeve tot vergoeding van de kosten in het incidentele appèl."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

VDL heeft in het principaal appel zes grieven opgeworpen.

Farmer Hoeve c.s. hebben in het incidenteel appel drie grieven opgeworpen.

De beoordeling

Met betrekking tot de stukken

1. Het hof heeft in de overgelegde procesdossiers in de stukken betreffende de eerste aanleg een groot aantal brieven aangetroffen:

- brieven afkomstig van de raadsman van Farmer Hoeve c.s., mr. L.M. Schelstraete te Tilburg, deels gericht aan zijn procureur te Leeuwarden, deels gericht aan de rechtbank Leeuwarden en deels gericht aan de door de rechtbank benoemde deskundige, [deskundige 1];

- brieven van de procureur van VDL aan de rechtbank Leeuwarden;

- brieven van de (griffier) van de rechtbank Leeuwarden.

1.1. Van het merendeel van deze brieven blijkt niet dat deze als producties ter rolle - in eerste aanleg of in hoger beroep -, ter gelegenheid van in eerste aanleg gehouden comparities van partijen of als bijlagen bij de in eerste aanleg gelaste deskundigenrapporten in het geding zijn gebracht. Bovendien zijn niet alle brieven in de beide door partijen overgelegde procesdossiers terug te vinden.

1.2. Hoewel van een aantal van deze brieven in verschillende in eerste aanleg gewezen vonnissen melding wordt gemaakt, is voor het merendeel van deze brieven aan het hof onduidelijk of deze tot de processtukken behoren. Het hof zal slechts acht slaan op de betreffende brieven, voor zover uit de wet voortvloeit dat een verzoek of opmerking bij brief kan worden gedaan - zoals een verzoek tot verbetering van een kennelijke fout op grond van artikel 31 Rv.; zie de brief van mr. Schelstraete van 4 juli 2002 - of voor zover uitdrukkelijk in de processtukken naar (gedeelten van) deze brieven is verwezen.

2. Het hof heeft voorts in de stukken geen tussenvonnis (of rolbeschikking) aangetroffen waarbij de in eerste aanleg op 27 april 2005 gehouden comparitie van partijen is bevolen. Evenmin blijkt uit het proces-verbaal van de betreffende comparitie of het eindvonnis van 15 juni 2005 uit kracht waarvan de betreffende comparitie is gehouden.

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het principaal appel

3. De grieven van VDL richten zich niet tegen het tussenvonnis van 21 mei 2003, zodat VDL in haar principaal appel tegen dit vonnis niet kan worden ontvangen.

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het incidenteel appel

4. De grieven van Farmer Hoeve c.s. richten zich niet tegen de tussenvonnissen van 5 juni 2002, 16 oktober 2002, 8 januari 2003, 21 mei 2003, 6 augustus 2003 en 7 april 2004, zodat Farmer Hoeve c.s. in hun incidenteel appel tegen die vonnissen niet kunnen worden ontvangen.

In het principaal en incidenteel appel met betrekking tot de feiten

5. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 1 (a tot en met g) van genoemd vonnis van 25 april 2001 is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

Met betrekking tot de grieven in het principaal appel en incidenteel appel

Grief 6, in samenhang met de grieven 1 tot en met 5 in het principaal appel

6. De grief stelt, in samenhang met de grieven 1 tot en met 5, aan de orde dat de rechtbank ten onrechte de door haar uitgesproken verklaring voor recht heeft gegeven.

7. Het hof kan in het midden laten of de aan [betrokkene] jr. verweten gedraging onrechtmatig is en of - voor zover met name in grief 2 gelezen moet worden dat hiertegen is opgekomen - de door de rechtbank gegeven verklaring voor recht dat er onrechtmatig is gehandeld "door het doen van een onjuiste mededeling", waar was gevorderd "door het publiceren van aperte leugens en valselijke beschuldigingen". Het hof is namelijk van oordeel dat de gevorderde verklaring voor recht bij gebrek aan rechtens te respecteren belang van Farmer Hoeve c.s. dient te worden afgewezen, nu de rechtbank in rechtsoverweging 5 van het vonnis van 15 juni 2005 heeft vastgesteld dat Farmer Hoeve c.s. geen schade hebben geleden. Deze vaststelling houdt in hoger beroep stand, zoals hieronder zal blijken.

8. Grief 6 slaagt derhalve, hetgeen tot gevolg zal hebben dat de bestreden vonnissen moeten worden vernietigd.

Grief 1 in het incidenteel appel

9. De grief stelt dat de rechtbank in één van haar vonnissen voor recht had dienen te verklaren

"dat VDL-Stud jegens Farmerhoeve c.s. onrechtmatig heeft gehandeld door het doen van een onjuiste mededeling, te weten dat sperma in België is ingevroren en dat Now he is frozen in Belgium. There it is easy to make EVA negative, but it stays positive, they change something with papers in Belgium, is not good."

10. Daargelaten dat het hof in de vorderingen van Farmer Hoeve c.s. in eerste aanleg gedaan een dergelijke thans in hoger beroep geformuleerde vordering niet heeft kunnen lezen, ontbreekt ook bij een dergelijke vordering in hoger beroep een belang van Farmer Hoeve c.s. nu zij ook te dien aanzien in hoger beroep niets omtrent eventuele door hen geleden en/of nog te lijden dan wel dreigende schade hebben gesteld.

11. De grief faalt.

Grief 2 in het incidenteel appel

12. De grief stelt dat de rechtbank de sub 2 gevorderde publicatie en rectificatie ten onrechte heeft afgewezen en voert daartoe drie gronden aan, te weten:

a. de rechtbank had Farmer Hoeve c.s. in de gelegenheid moeten stellen hun belang nader aan te tonen;

b. van Olympic Ferro was en is nog verhandelbaar diepvriessperma voorhanden, zodat het belang bij publicatie reeds om die reden bestaat;

c. Farmer Hoeve c.s. hebben belang bij een publiekelijke rectificatie van de aan hun adres geuite beschuldiging als zouden zij uitslagen hebben vervalst.

Bij het bovenstaande wijzen Farmer Hoeve c.s. er voorts op dat zij hebben verzocht om de door hun in ontwerp voorgestelde rectificatie dan wel een rectificatie op basis van een door de rechtbank in goede justititie vast te stellen tekst.

13. Het hof verwerpt het hiervoor in rechtsoverweging 12 onder a. geformuleerde bezwaar van Farmer Hoeve S.A. Farmer c.s. hebben in de procedure in eerste aanleg vanaf de dagvaarding totdat de stukken zijn gefourneerd voor het wijzen van het (eind)vonnis van 15 juni 2005 in vele processtukken en tijdens gehouden comparities van partijen ruimschoots de gelegenheid gehad hun belang (nader) aan te tonen. Ook in hoger beroep bestond voor Farmer Hoeve c.s. wederom de gelegenheid hun belang aan te tonen.

14. Het hiervoor onder 12.b. geformuleerde bezwaar faalt, omdat Farmer Hoeve c.s. in hoger beroep niet gespecificeerd hebben aangegeven - wat van hen verwacht had mogen worden - waaruit eventuele schade in verband met voorhanden diepvriessperma van Ferro bestaat.

15. Ten aanzien van het derde door Farmer Hoeve c.s. in de grief geformuleerde bezwaar, hiervoor aangeduid onder 12.c., constateert het hof dat dit bezwaar reeds daarom moet worden verworpen, omdat Farmer Hoeve c.s. geen rectificatie hebben gevorderd van een mededeling dat zij, Farmer Hoeve c.s., uitslagen zouden hebben vervalst.

15.1. Ten overvloede overweegt het hof dat, voor zover in dit onderdeel van de grief gelezen moet worden dat Farmer Hoeve c.s. belang hebben bij een rectificatie dat dierenarts [de dierenarts] valse verklaringen van sperma heeft afgegeven, gelijk door Farmer Hoeve c.s. is gevorderd, ook al aan dit onderdeel moet worden voorbijgegaan, omdat niet is gesteld of gebleken dat door of namens VDL enige uitlating van dien aard is gedaan.

16. Tenslotte wijst het hof er - eveneens ten overvloede - op dat de door Farmer Hoeve c.s. gevorderde rectificatie "in diverse binnen- en buitenlandse (paarden)bladen" reeds dermate onbepaald is, dat zij niet voor toewijzing in aanmerking zou kunnen komen. Daarbij komt dat ook het eerste gedeelte van de door Farmer Hoeve c.s. voorgestelde tekst "Op last van de KWPN, bond van hengstenhouders," als in strijd met de waarheid niet voor toewijzing in aanmerking komt, aangezien de KWPN in de onderhavige procedure geen partij is. Ook de derde alinea van de door Farmer Hoeve c.s. voorgestelde rectificatietekst komt niet voor toewijzing in aanmerking, op de grond als hiervoor onder 15.1 is aangegeven.

16.1. Bij het vorenstaande laat het hof in het midden of een publicatie van een rectificatie in enig (paarden)blad in verhouding staat tot de omvang van enige verspreiding van de aan [betrokkene] jr. verweten uitlating, voor zover deze onrechtmatig zou zijn.

Grief 3 in het incidenteel appel

17. De grief bestrijdt het oordeel van de rechtbank in het eindvonnis van 15 juni 2005 dat de kosten van de deskundigen [1, 2 en 3] voor rekening van Farmer Hoeve c.s. dienen te blijven en - voor zover niet reeds door Farmer Hoeve c.s. zijn voldaan - dienen te komen. Op grond hiervan bestrijden Farmer Hoeve wat zij aanduiden als de overwegingen 8 en 10 van het eindvonnis van 15 juni 2005; het hof begrijpt dat Farmer Hoeve c.s. hiermede doelen op het dictum onder 8 en 10 van het eindvonnis van 15 juni 2005.

18. De grief is gebaseerd op de stelling van Farmer Hoeve c.s. dat de deskundigen hun taak niet hebben volbracht door geen deugdelijk onderzoek in te stellen naar de omzetderving van het sperma van de hengst Olympic Ferro.

18.1. In de eerste plaats bestrijden Farmer Hoeve c.s. onderdeel 1 van de rapportage van de genoemde deskundigen. In de toelichting op de grief brengen Farmer Hoeve c.s. naar voren dat de deskundigen zich hadden moeten richten op de vele aspirant kopers in Amerika en Canada, die hebben afgehaakt (onder een slechts algemene verwijzing naar vele producties uit de eerste aanleg) en dat de deskundigen hun opdracht alles behalve objectief, laat staan naar eer en geweten hebben vervuld; hiertoe voeren Farmer Hoeve c.s. slechts aan dat uit de door de rechtbank verstrekte opdracht niet blijkt dat de deskundigen eventuele mindere verkoopaantallen konden c.q. dienden te grondvesten op de jaarlijkse verkoopaantallen sedert 1998.

18.2. Met betrekking tot de sub II aan de deskundigen verstrekte opdracht stellen Farmer Hoeve c.s. dat zij, door na kennisneming van het concept-rapport op- en aanmerkingen aan de deskundige kenbaar te maken blijkens een aangetekend schrijven van mr. L.M. Schelstraete aan de deskundige [1] van 2 juli 2004 en blijkens een brief aan de rechtbank Leeuwarden van 24 januari 2005, alsmede door hun bedenkingen te uiten in de conclusie na deskundigenbericht, hebben geprotesteerd tegen de wijze van aanpak van de deskundigen. Farmer Hoeve c.s. zijn van mening dat het deskundigenrapport terzijde dient te worden geschoven en dat in rechte opnieuw tot vaststelling van de schade dient te worden overgegaan, omdat de deskundigen niet objectief, laat staan op oirbare wijze hun taak hebben vervuld.

19. Aan hetgeen Farmer Hoeve c.s. als bezwaar tegen de deskundigenrapportage hebben ingebracht, als hiervoor onder 18.1. weergegeven, gaat het hof eveneens voorbij. Van Farmer Hoeve c.s. had namelijk in dit hoger beroep mogen worden verwacht dat zij hun slechts summier geformuleerde bezwaren nader hadden gespecificeerd. Ten overvloede overweegt het hof dat het onderschrijft hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen in het eindvonnis van 15 juni 2005 onder 5; het hof maakt in dit verband de daar gegeven motivering tot de zijne.

20. Ten aanzien van het hiervoor onder 18.2. weergegeven bezwaar is het hof eveneens van oordeel dat Farmer Hoeve c.s. hun slechts summier geformuleerde bezwaren nader had moeten specificeren. Nu een dergelijke specificatie ontbreekt, gaat het hof ook aan dit onder deel van de grief voorbij.

21. De grief faalt in al zijn onderdelen.

De slotsom

VDL dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar principaal appel tegen het bestreden vonnis van 21 mei 2003. Farmer Hoeve c.s. dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun incidenteel appel tegen de vonnissen van 5 juni 2002, 16 oktober 2002, 8 januari 2003, 21 mei 2003, 6 augustus 2003 en 7 april 2004.

Het incidenteel appel faalt. Het slagen van grief 6 in het principaal appel heeft tot gevolg dat de bestreden vonnissen moeten worden vernietigd en de vordering van Farmer Hoeve c.s., voor zover deze in eerste aanleg waren toegewezen, alsnog moet worden afgewezen.

Farmer Hoeve c.s. zullen als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties, in hoger beroep zowel in het principaal als in het incidenteel appel (tarief II; in eerste aanleg 6 punten; in hoger beroep in het principaal appel 1 punt en in het incidenteel appel 0,5 punt).

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart VDL niet-ontvankelijk in haar principaal appel tegen het bestreden vonnis van 21 mei 2003;

verklaart Farmer Hoeve c.s. niet-ontvankelijk in hun incidenteel appel tegen de vonnissen van 5 juni 2002, 16 oktober 2002, 8 januari 2003, 21 mei 2003, 6 augustus 2003 en 7 april 2004;

vernietigt de bestreden vonnissen van 25 april 2001, 5 juni 2002, 16 oktober 2002, 8 januari 2003, 7 april 2004 en 15 juni 2005;

en opnieuw rechtdoende:

wijst af de vorderingen van Farmer Hoeve c.s.;

veroordeelt Farmer Hoeve c.s. in de kosten van het geding in beide instanties en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van VDL:

in eerste aanleg op euro 315,55 aan verschotten en euro 2.712,-- aan salaris voor de procureur,

in hoger beroep op euro 362,93 aan verschotten en euro 894,-- in het principaal appel en euro 447,-- in het incidenteel appel aan salaris voor de procureur;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs Streppel, voorzitter, Verschuur en Kuiper, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 4 oktober 2006.