Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AY9184

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
28-09-2006
Datum publicatie
02-10-2006
Zaaknummer
Parketnummer: 24-000459-05 ; Parketnummer eerste aanleg: 18-070540-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode tussen 6 december 2003 21:30 uur en 7 december 2003 08:55 uur, te [plaats], opzettelijk [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, nadat hij de keel of de hals van genoemde [het slachtoffer] had dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden,

- met een mes de hals van genoemde [het slachtoffer] vrijwel volledig gekliefd, waarbij bij die [het slachtoffer] de halsslagaderen links en rechts en de halsader links werden doorsneden en de halsader rechts werd geperforeerd en de halswervelkolom en het ruggenmerg werden gekliefd en

- meermalen met een mes die [het slachtoffer] in de borst links en in of nabij de oksel links en elders in het lichaam gestoken, waardoor bij genoemd slachtoffer steekkanalen tot in de borstholte en een steekkanaal door het lichaam heen tot aan de rug en andere steekkanalen en perforaties van de linkerlong en het hart en de lichaamsslagader en de slokdarm en de luchtpijp en de longslagader werden veroorzaakt,

tengevolge van welk een en ander en het daarbij opgetreden bloedverlies voornoemde

[het slachtoffer] is overleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-000459-05

Parketnummer eerste aanleg: 18-070540-03

Arrest van 28 september 2006 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van

10 februari 2005 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans verblijvende in [een penitentiare inrichting],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. E. Tuzkapan, advocaat te Amsterdam.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met aftrek van voorarrest en heeft de maatregel terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het verdachte tenlastegelegde bewezen zal verklaren, het bewezenverklaarde zal kwalificeren als doodslag en hem ter zake zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest en de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege zal opleggen. Tevens heeft de advocaat-generaal de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan dit arrest is gehecht een fotokopie van de inleidende dagvaarding. De inhoud van de tenlastelegging wordt geacht hier te zijn overgenomen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode tussen 6 december 2003 21:30 uur en 7 december 2003 08:55 uur, te [plaats], opzettelijk [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, nadat hij de keel of de hals van genoemde [het slachtoffer] had dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden,

- met een mes de hals van genoemde [het slachtoffer] vrijwel volledig gekliefd, waarbij bij die [het slachtoffer] de halsslagaderen links en rechts en de halsader links werden doorsneden en de halsader rechts werd geperforeerd en de halswervelkolom en het ruggenmerg werden gekliefd en

- meermalen met een mes die [het slachtoffer] in de borst links en in of nabij de oksel links en elders in het lichaam gestoken, waardoor bij genoemd slachtoffer steekkanalen tot in de borstholte en een steekkanaal door het lichaam heen tot aan de rug en andere steekkanalen en perforaties van de linkerlong en het hart en de lichaamsslagader en de slokdarm en de luchtpijp en de longslagader werden veroorzaakt,

tengevolge van welk een en ander en het daarbij opgetreden bloedverlies voornoemde

[het slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

doodslag.

Bruikbaarheid van de deskundigenrapportages

Ter zitting van het hof op 23 juni 2006 is geconstateerd dat de rapportages van vier deskundigen ouder zijn dan één jaar.

Het betreft de psychiatrische rapportages d.d. 18 februari 2004 en 29 maart 2004, opgemaakt door B.T. Takkenkamp, de psychologisches rapportage d.d. 28 februari 2004 en 29 maart 2004, opgemaakt door G. de Jong, de psychiatrische rapportage d.d. 14 oktober 2004, opgemaakt door C.J.M. Vredeveld en de rapportage d.d. 21 oktober 2004, opgemaakt door D.F.J. Hoekstra. Zowel de advocaat-generaal als verdachte hebben ter zitting op 23 juni 2006 ingestemd met de gebruikmaking van de rapportages van Vredeveld en Hoekstra.

Het hof heeft op genoemde zitting het opmaken van aanvullende rapportages door Takkenkamp en De Jong bevolen. Zij dienden in hun rapportages tevens te reageren op de inhoud van de rapporten van Vredeveld, Hoekstra en Sevinç (d.d. 3 juni 2006).

Op 9 september 2006 respectievelijk 11 september 2006 hebben De Jong en Takkenkamp een aanvullende rapportage uitgebracht. Takkenkamp heeft in zijn rapportage aangegeven dat hij niet in staat was verdachte opnieuw te onderzoeken. Wel heeft hij (net als De Jong) op verzoek van het hof gereageerd op de inhoud van de rapporten van Vredeveld, Hoekstra en Sevinç.

Zowel verdachte als diens raadsman hebben ter zitting van het hof op 15 september 2006 aangegeven dat de rapportages van Takkenkamp niet gebruikt mogen worden omdat het (aanvullend) rapport van 11 september 2006 tot stand is gekomen zonder dat Takkenkamp verdachte opnieuw heeft gezien en gesproken.

Het hof is van oordeel dat geen rechtsregel eraan in de weg staat de inhoud van de oorspronkelijke rapporten van Takkenkamp te betrekken in de overwegingen die tot het eindoordeel zullen leiden in deze zaak, nu deze oudere rapportages zijn geactualiseerd door de recente rapportage van 11 september 2006. Dat Takkenkamp verdachte niet opnieuw heeft gezien en gesproken doet hieraan niet af. Uit zijn rapportage van

11 september 2006 blijkt bovendien dat hij, net als in het verleden, meermalen uitgebreid overleg gehad met mederapporteur De Jong, die verdachte wel heeft bezocht in verband met de nadere rapportage, op verzoek van het hof. De eis die de raadsman in dit geval aan de nadere rapportage heeft gesteld vindt geen steun in het recht.

Strafbaarheid

Verdachte is vanaf enkele dagen na het delict tot kort voor de zitting in hoger beroep op 15 september 2006 door vijf verschillende deskundigen onderzocht. Over hem is inmiddels negen maal gerapporteerd door de navolgende deskundigen: psychiater B.T. Takkenkamp (drie rapporten), psycholoog G. de Jong (drie rapporten), psychiater C.J.M. Vredeveld, arts-gedragsdeskundige D.F.J. Hoekstra en psychiater F. Sevinç. Voorts is Hoekstra als deskundige gehoord ter zitting van de rechtbank, en Sevinç ter zitting van het hof. De conclusies van Takkenkamp, De Jong en Sevinç zijn in dit arrest opgenomen onder het kopje 'Terbeschikkingstelling'.

Alle deskundigen zijn tot de conclusie gekomen dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, op grond waarvan het delict hem in verminderde mate kan worden toegerekend dan de gemiddelde mens. Over de mate daarvan verschillen zij van mening. Hoekstra beschrijft het als licht verminderd, de overigen hebben het over verminderd tot sterk verminderd tot grenzend aan ontoerekeningsvatbaarheid.

Het hof leidt uit het onderzoek en de bevindingen van de deskundigen af en komt tot de conclusie dat het bewezenverklaarde verdachte op grond van een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in verminderde mate kan worden toegerekend. Voor een verdergaande conclusie (sterk verminderd), zoals door een aantal deskundigen betoogd, ziet het hof onvoldoende aanknopingspunten/onderbouwing in de rapportages.

Het hof acht verdachte derhalve strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte.

Het hof heeft in het bijzonder gelet op het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag. Hij heeft zijn echtgenote [het slachtoffer] op een afschuwelijke wijze van het leven beroofd.

Verdachte had - naar eigen zeggen - een langdurige ruzie met zijn echtgenote gehad. Na een onderbreking, waarna hij naar buiten is gegaan, is de ruzie opnieuw begonnen. Boven, op de slaapkamer van beiden, is de ruzie uitgelopen op een handgemeen.

Ter zitting van het hof op 15 september 2006 heeft verdachte verklaard dat hij zijn vrouw heeft geduwd en dat hij verantwoordelijk is voor de dood van zijn echtgenote. Tevens heeft hij verklaard dat hij die avond/nacht onder invloed was van alcohol en softdrugs.

Verdachte heeft weinig inzicht verschaft in de wijze waarop hij zijn echtgenote om het leven heeft gebracht, maar uit het sectierapport blijkt dat dat op een gruwelijke wijze is gebeurd. De patholoog heeft op het lichaam van [het slachtoffer] meerdere, alle bij leven ontstane, letsels aangetroffen. Er zijn bloeduitstortingen in het gebied rond de hals en het strottenhoofd geconstateerd, de hals is vrijwel volledig doorkliefd en er zijn zestien huidperforaties in de voorkant van het bovenlichaam geconstateerd. Voorts werd één perforatie aan de achterkant bij de oksel en een drietal perforaties in de wang/kaak aangetroffen en werden bloeduitstortingen in het oogwit en in het bindvlies geconstateerd. Er zijn tevens letsels geconstateerd die goed zouden kunnen passen bij afweerletsels die men kan aantreffen bij (poging tot) wurging.

Nadat verdachte zijn echtgenote om het leven had gebracht, heeft hij zijn zoontjes - destijds 7 en 10 jaar oud - gewekt en hun verteld dat hij hun moeder had doodgemaakt. Hij is in zijn bebloede kleding met zijn kinderen in de auto gestapt. Uiteindelijk heeft hij zich op het politiebureau te Bodegraven gemeld met de mededeling dat hij dacht dat hij zijn vrouw zou hebben gedood.

Verdachte heeft zijn echtgenote het leven benomen. Doodslag is een van de ernstigste misdrijven die de strafwetgeving kent. Een misdrijf als het onderhavige schokt de rechtsorde in hoge mate. Bovendien valt te verwachten dat de nabestaanden van het slachtoffer - waaronder de twee kinderen van het slachtoffer en verdachte - en andere mensen in de nabijheid van het slachtoffer nog zeer lange tijd zullen lijden onder de psychische gevolgen van haar overlijden. Schrijnend is voorts dat door het handelen van verdachte hij zijn kinderen niet alleen hun moeder heeft ontnomen, maar hun ook de mogelijkheid heeft ontnomen om op te groeien met (in ieder geval) een van hun ouders.

Tegenover het vorenoverwogene staat de omstandigheid dat hetgeen verdachte verweten wordt, hem in verminderde mate kan worden toegerekend.

Het hof acht niettemin een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur passend en gerechtvaardigd. Deze dient in het bijzonder ter vergelding van het leed dat verdachte (de nabestaanden van) het slachtoffer heeft aangedaan, maar dient tevens - naast na te melden maatregel - om verdachte en ook anderen van het (opnieuw) plegen van dergelijke afgrijselijke misdrijven te weerhouden. Het hof heeft bij het oordeel dat een lange gevangenisstraf op zijn plaats is, in het bijzonder de gruwelijkheid van de daad van verdachte betrokken. Juist door die gruwelijkheid is de rechtsorde ernstig geschokt.

Het hof heeft tevens gelet op een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 juli 2006, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Terbeschikkingstelling

In eerdergenoemde rapporten van de deskundigen Takkenkamp, De Jong, Vredeveld, Hoekstra en Sevinç werd geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, op grond waarvan het delict hem in verminderde mate kan worden toegerekend dan de gemiddelde mens.

Genoemde deskundigen hebben zich tevens uitgelaten over het recidiverisico.

Alle deskundigen - behalve Vredeveld - adviseren tot terbeschikkingstelling (tbs) met verpleging. Vredeveld geeft aan behandeling wel nodig te achten, maar niet in het kader van tbs. Hij opteert voor een flexibelere en 'eindiger' voorziening dan tbs.

Het hof baseert zich op de navolgende rapportages van Takkenkamp, De Jong en Sevinç:

Omtrent verdachte is door B.T. Takkenkamp, psychiater en vast gerechtelijk deskundige, op 18 februari 2004 een psychiatrisch rapport uitgebracht. Dit rapport houdt onder meer - zakelijk weergegeven - in:

Betrokkene wordt verdachte van het doden van zijn vrouw. Onderliggend lijken relatieproblemen en narcistische krenkbaarheid bij een man met een persoonlijkheidsstoornis n.a.o. met narcistische, ontwijkende en paranoïde trekken. Vanaf waarschijnlijk mei 2003 heeft hij gedachten gehad en de neiging gevoeld zijn vrouw en mogelijk zichzelf en zijn kinderen te willen doden. Enkele dagen na het delict waarvan hij wordt verdacht was er bij betrokkene sprake van een psychotische depressie. Er zijn aanwijzingen dat er in de periode voorafgaande aan het delict - indien bewezen - ook sprake was van mogelijk lichte psychotische en/of depressieve symptomen.

Op grond van de mij ter beschikking staande informatie en mijn onderzoek beantwoord ik de mij gestelde vragen als volgt.

1. Er was ten tijde van het delict mogelijk sprake van een ziekelijke stoornis der geestvermogens in de vorm van een dissociatieve stoornis en mogelijk een psychotische depressie. Er is sprake van een gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis.

2. Vanuit forensisch psychiatrisch oogpunt lijkt het mij waarschijnlijk dat de toerekenbaarheid voor het delict waarvan hij wordt verdacht in de 'range' ligt tussen verminderde toerekenbaarheid tot volledige ontoerekenbaarheid. Of het gaat om verminderde, sterk verminderde of volledige ontoerekenbaarheid is niet te zeggen.

3. Het recidiverisico op langere termijn lijkt mij zeker aanwezig. Hoe groot de kans op recidive zal zijn is moeilijk te voorspellen. Het zal mede afhankelijk zijn van onvoorspelbare omstandigheden in de toekomst zoals het krijgen van een nieuwe partner.

4. Ik adviseer een langdurige klinische psychiatrische behandeling in het kader van een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging.

Op 29 maart 2004 is een aanvullende rapportage door voornoemde Takkenkamp uitgebracht. Het rapport houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in:

Binnen de 'range' van verminderde toerekenbaarheid tot volledige ontoerekenbaarheid lijkt mij de kans verreweg het grootst dat de toerekenbaarheid verminderd of sterk verminderd geacht moet worden.

Takkenkamp heeft voorts op 11 september 2006 - op verzoek van het hof - nogmaals een aanvullende rapportage uitgebracht, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:

Ik heb betrokkene enkele dagen na het delict voor het eerst onderzocht. Het psychiatrisch beeld was op dat moment het beste te beschrijven als een psychotische depressie. Dit is waarschijnlijk in grote mate versterkt door de stress van het gebeurde en de aanloop erna. Nadien zijn er heel wat deskundigen geweest die betrokkene en de zaak onderzocht hebben. Op grond van het onderzoek van collega Sevinç met haar specifieke Turkse achtergrond en kennis vind ik dat naast een persoonlijkheidsstoornis met narcistische kenmerken ook gedacht kan worden aan een pervasieve ontwikkelingsstoornis. Met zekerheid lijkt mij dit niet te zeggen omdat daarvoor te veel gegevens uit de vroege ontwikkeling van betrokkene ontbreken.

Alles overwegende zie ik op grond van de mij nu ter beschikking staande informatie en met inachtneming van bovenstaande overwegingen geen noodzaak om de conclusies en beantwoording van de vragen van mijn eerste rapportage te wijzigen, behalve dat PDD-NOS/M. Asperger als differentiaal diagnostische overweging er aan toegevoegd kan worden.

Omtrent verdachte is door G. de Jong, forensisch psycholoog en vast gerechtelijk deskundige, op 9 september 2006 op verzoek van het hof een aanvullende rapportage uitgebracht. Dit rapport houdt onder meer - zakelijk weergegeven - in:

Bij verdachte bestaat een gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens in de zin van een narcistische persoonlijkheidsstoornis. Wanneer betrokkene gekrenkt wordt kan hij overgaan tot zeer agressief/destructief gedrag zoals ten tijde van het tenlastegelegde delict.

De gebrekkige ontwikkeling van verdachtes geestvermogens is van dien aard, dat hij ten aanzien van het tenlastegelegde als verminderd tot sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Hij verdringt in zeer sterke mate nog steeds negatieve, agressieve gevoelens; projecteert eigen agressie in de ander. Hij heeft weinig contact met wat in hem leeft. Dat maakt hem onvoorspelbaar in zijn gedrag.

Wanneer hij in omstandigheden komt, vergelijkbaar met die ten tijde van het tenlastegelegde, bij voorbeeld wanneer hij in de steek gelaten dreigt te worden of zich vernederd voelt, is er een aanmerkelijke kans op narcistische en destructieve agressie. Een verandering ten goede is te verwachten als verdachte psychiatrisch zal worden behandeld.

Gezien de bestaande pathologie, de ernst van het tenlastegelegde en de kans op recidive is behandeling dringend gewenst. Verdachte heeft geen ziektebesef of ziekte-inzicht. Niet hij is gestoord maar de ander! Hij neemt geen verantwoordelijkheid voor het tenlastegelegde, probeert in verregaande mate zelfs te verdringen wat hij heeft gedaan.

Van enige empathie met betrekking tot anderen is geen sprake, betrokkene lijkt volledig geabsorbeerd met eigen behoeftes.

Gezien het afwezig zijn van ziektebesef en ziekte-inzicht is een behandeling op basis van vrijwilligheid gedoemd te mislukken. Ik blijf dan ook bij mijn eerdere advies tot tbs met verpleging.

Omtrent verdachte is door F. Sevinç, psychiater, onder supervisie van prof. dr. J.T.V.M. de Jong, psychiater, op verzoek van het hof op 3 juni 2006 een psychiatrisch rapport uitgebracht. Dit rapport houdt onder meer - zakelijk weergegeven - in:

Ik kom tot de conclusie dat er bij betrokkene een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestaat, zowel voorafgaand aan het delict als nu nog.

In de jaren voorafgaand aan het delict lijkt sprake te zijn geweest van een angststoornis, een depressieve stoornis met impulsdoorbraken en bij tijd en wijle falende realiteitstoetsing leidend tot een psychotische stoornis. Tevens was er sprake van alcoholmisbruik en (volgens verdachte zelf) ook cannabismisbruik. Ten tijde van het delict lijkt betrokkene psychotisch te zijn geweest vanuit een combinatie van de factoren angst, alcohol, cannabis en falende realiteitstoetsing. Met waarschijnlijk ook gefrustreerd worden door zijn vrouw in zijn behoeftes en mogelijk bij herhaling de wens van haar dat betrokkene weg zou gaan.

Betrokkene kan niet op zichzelf functioneren. Hij heeft behoefte aan contact maar is daarin zo inadequaat dat het hem niet lukt om zich in sociale situaties te handhaven.

Zijn relaties zijn op behoefte gericht. Hij zal geen volwassen, op wederkerigheid berustende relaties kunnen aangaan, ook niet met zijn kinderen. Frustratie hierin zal ook tot impulsdoorbraken en agressieve incidenten kunnen leiden, zoals beschreven bij ernstige persoonlijkheidsstoornissen en bij een stoornis van Asperger. De persoonlijkheid van betrokkene is zodanig niet uitgerijpt dat er moeilijk van een persoonlijkheidsstoornis te spreken valt. In eerdere rapportages is gedacht aan een narcistische persoonlijkheidsstoornis vanwege onder andere krenkbaarheid van betrokkene en zijn dwingende houding. Ik heb daarvoor geen aanwijzingen gezien. Als er bij betrokkene sprake is van een persoonlijkheidsstoornis dan is dat in ernstige mate en zou er gesproken moeten worden van een persoonlijkheidsstoornis, niet nader omschreven. Ik heb sterke aanwijzingen gezien voor een pervasieve ontwikkelingsstoornis, stoornis van Asperger. Die stoornis wordt gekenmerkt door kwalitatieve beperkingen in de communicatie, in de sociale interactie en beperkte, zich herhalende stereotype patronen van gedrag, belangstelling en activiteiten.

Ter zitting van het hof op 15 september 2006 heeft Sevinç als deskundige het rapport nader toegelicht c.q. aangevuld, zakelijk weergegeven inhoudende:

Gelet op mijn bevindingen adviseer ik het hof verdachte terbeschikkingstelling met verpleging op te leggen. Andere, minder zware ingrepen zie ik niet. Verdachte heeft geen ziekte-inzicht, zodat een behandeling op een andere basis geen optie is. Verdachte is niet in staat (non-verbale) perspectieven van anderen tot zich te nemen en gaat ingeval een situatie niet verloopt zoals hij gewend is of verwacht, zonder enig moment van rust of bezinning tot handelen over. Zijn handelen kan zich ook voordoen in niet-soortgelijke situaties en vormt derhalve een acuut gevaar. Behandeling is dringend noodzakelijk. Zonder die behandeling acht ik het risico dat verdachte opnieuw ernstige geweldsdelicten zal plegen groot.

Bij verdachte bestond, zoals hiervoor reeds overwogen, ten tijde van het plegen van het hiervoor bewezen verklaarde feit een zodanige gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, dat het bewezenverklaarde feit hem in verminderde mate kan worden toegerekend. Het door hem begane feit betreft een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Gelet hierop en op de omstandigheid dat het recidivegevaar groot is, is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging eist.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij,

[de vader van het slachtoffer] (de vader van het slachtoffer), zich middels de door hem gemachtigde [de zoon van de benadeelde partij] (de zoon van de benadeelde partij) in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat de vordering in eerste aanleg geheel is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van de gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

De vordering is van de zijde van verdachte niet weersproken. Derhalve kan de vordering zoals na te melden worden toegewezen.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Aangezien verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, zal het hof het bedrag tevens toewijzen in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a (oud), 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van

acht jaren;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [de vader van het slachtoffer], [adres], [woonplaats], tot een bedrag van drieduizend tweehonderdtwintig euro en negentien cent;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van drieduizend tweehonderdtwintig euro en negentien cent ten behoeve van [de vader van het slachtoffer], [adres], [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vierenzestig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. P. Koolschijn, voorzitter, mr. J.J. Beswerda en

mr. A.W.M. Elders, in tegenwoordigheid van mr. I.N. Koers als griffier, zijnde

mr. Elders voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.