Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AY9087

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-09-2006
Datum publicatie
02-10-2006
Zaaknummer
0600344
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

In dit kort geding is - samengevat - aan de orde de vraag of de door [de firma] op Schiermonnikoog aangeboden vorm van personenvervoer moet worden aangemerkt als openbaar vervoer in de zin van artikel 1 onder h van de Wet personenvervoer 2000 (WP 2000), voor welke vervoersvorm uitsluitend aan Arriva een concessie is verleend.

De voorzieningenrechter heeft deze vraag in zoverre bevestigend beantwoord dat [de firma] hem er niet van heeft weten te overtuigen dat zij met bussen, waarmee meer dan acht personen kunnen worden vervoerd van en naar de veerboot, slechts "besloten busvervoer" verricht. Om die reden heeft hij in het bestreden vonnis [de firma], op straffe van verbeurte van een dwangsom, verboden om van en naar de veerboot voor ieder toegankelijk personenvervoer aan te bieden met bussen waarmee meer dan acht personen kunnen worden vervoerd.

[de firma] is van het vonnis van de voorzieningenrechter in hoger beroep gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 20 september 2006

Rolnummer 0600344

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. de vennootschap onder firma [de firma] ,

gevestigd te Schiermonnikoog,

en haar vennoten

2. [appellant 2] en

3. [appellant 3],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk (in enkelvoud) te noemen: [de firma],

procureur: mr. W. Sleijfer,

tegen

Arriva Personenvervoer Nederland B.V.,

gevestigd te Heerenveen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: Arriva,

procureur: mr. J.V. van Ophem.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kortgeding-vonnis uitgesproken op 28 juni 2006 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 18 juli 2006 is door [de firma] hoger beroep ingesteld van genoemd kortgedingvonnis met dagvaarding van Arriva tegen de zitting van 26 juli 2006.

Het petitum van de dagvaarding in hoger beroep, tevens bevattende de grieven, luidt:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen het vonnis door de Voorzieningenrechter d.d. 28 juni 2006 gewezen onder rolnummer 76428 KGZA 06-163, en opnieuw rechtdoende, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad geïntimeerde alsnog niet ontvankelijk te verklaren, althans de vorderingen van geïntimeerde af te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

Arriva heeft bij memorie van antwoord verweer gevoerd, met als conclusie:

"bij arrest het bestreden vonnis -zonodig met verbetering van gronden- te bekrachtigen, onder veroordeling van Taxi [de firma] in de kosten van beide instanties."

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De beoordeling

1. Nu de vaststelling van de feiten door de voorzieningenrechter in overweging 2 (2.1 en 2.2) in het kortgedingvonnis waarvan beroep noch door grieven noch anderszins is bestreden, zal ook het hof van die feiten uitgaan.

2. In dit kort geding is - samengevat - aan de orde de vraag of de door [de firma] op Schiermonnikoog aangeboden vorm van personenvervoer moet worden aangemerkt als openbaar vervoer in de zin van artikel 1 onder h van de Wet personenvervoer 2000 (WP 2000), voor welke vervoersvorm uitsluitend aan Arriva een concessie is verleend.

2.1 De voorzieningenrechter heeft deze vraag in zoverre bevestigend beantwoord dat [de firma] hem er niet van heeft weten te overtuigen dat zij met bussen, waarmee meer dan acht personen kunnen worden vervoerd van en naar de veerboot, slechts "besloten busvervoer" verricht. Om die reden heeft hij in het bestreden vonnis [de firma], op straffe van verbeurte van een dwangsom, verboden om van en naar de veerboot voor ieder toegankelijk personenvervoer aan te bieden met bussen waarmee meer dan acht personen kunnen worden vervoerd.

2.2. [de firma] is van het vonnis van de voorzieningenrechter in hoger beroep gekomen. Hij heeft twee grieven opgeworpen.

3. [de firma] betwist het spoedeisend belang van Arriva bij haar vordering.

Wat dit laatste betreft, overweegt het hof dat het spoedeisend belang van de zaak reeds voortvloeit uit de aard van de vordering. Bovendien heeft [de firma] in de toelichting op de grieven (punt 7 van de dagvaarding in hoger beroep) toegegeven dat, anders dan in voorbijgaande jaren, in toenemende mate bussen voor vervoer van meer dan acht personen worden ingezet. Daarmee is het spoedeisend belang van Arriva bij een voorlopige voorziening ook reeds in voldoende mate gegeven.

4. In grief 1 voert [de firma] aan dat het door de voorzieningenrechter opgelegde verbod te ver strekkend en daarmee in strijd met de WP 2000 komt.

5. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het busvervoer dat [de firma] aanbiedt aangemerkt moet worden als openbaar vervoer.

5.1 De WP 2000 definieert in art. 1 onder h openbaar vervoer als voor ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling.

Personenvervoer per bus, anders dan bedoeld in art. 1 onder h, wordt in deze wet (art. l i) aangeduid als besloten busvervoer.

6. Niet in geding is dat het busvervoer, zoals [de firma] dat aanbiedt bij de pier op Schiermonnikoog, voor een ieder toegankelijk is. Alle personen die van de boot afstappen kunnen, indien een dergelijke bus staat opgesteld, daarvan tegen betaling gebruik maken.

6.1 Het hof deelt niet de opvatting van Arriva dat alleen dit maakt dat het busvervoer dat [de firma] aanbiedt, moet worden aangemerkt als openbaar vervoer. Daarvoor is tevens nodig dat dit vervoer krachtens dienstregeling geschiedt. Het hof verwijst daarvoor ook naar de wetsgeschiedenis van de voorganger van de WP 2000, de Wet Autovervoer Personenvervoer, waaruit de definities grotendeels zijn overgenomen. In de memorie van antwoord op die wet (Tweede Kamer, vergaderjaar 1985-1986, 18985 nr 7, pagina 12) is uiteengezet waarom voor het openbaar vervoer voor een minder hoog beschermingsniveau is gekozen dan onder de te voren geldende regeling (de wet Autovervoer Personen). De minister heeft daarbij erkend dat het openbaar vervoer concurrentie kan ondervinden van besloten busvervoer wanneer dat over een traject dat, en naar een bestemming rijdt die ook met openbaar vervoer kan worden bereikt, doch de minister heeft die concurrentie als te verwaarlozen beschouwd.

Wel blijkt uit genoemde passage in de wetsgeschiedenis dat de definitie van openbaar vervoer ruim moet worden uitgelegd en dat verkapte concurrentie aan het openbaar vervoer moet kunnen worden tegengegaan.

7. Om busvervoer als openbaar vervoer te kunnen aanmerken is als gezegd voorts noodzakelijk dat het busvervoer krachtens een dienstregeling plaats vindt. Een dienstregeling is in onderdeel 1 onder g van de WP 2000 gedefiniëerd als een voor een ieder kenbaar schema van reismogelijkheden waarin zijn aangeduid de halteplaatsen waartussen en de tijdstippen waarop openbaar vervoer wordt verricht, zo nodig onder de vermelding of de halteplaatsen of de tijdstippen door de reiziger kunnen worden beïnvloed.

8. Het hof oordeelt voorshands dat de bussen waarvan [de firma] gebruik maakt bij het vervoer van personen vanaf de pier, volgens een dienstregeling in de hiervoor bedoelde zin rijden. De tijden waarop deze bussen rijden zijn afhankelijk van de het vaarschema van de boten en op de bussen staan een aantal bestemmingen opgesomd die deze bussen desgevraagd aandoen. Dat niet alle op de bussen opgesomde bestemmingen daadwerkelijk aangedaan worden, is gelet op de hiervoor weergegeven definitie van een dienstregeling niet van belang.

8.1 De Arrivabussen doen dezelfde bestemmingen aan, hetgeen ook samenhangt met de beperkte oppervlakte en de daarmee samenhangende eveneens beperkte infrastructuur van Schiermonnikoog. Gelet op de beschermingsgedachte voor het openbaar vervoer, die blijkens de wetsgeschiedenis aan de definitiebepalingen van de WP2000 ten grondslag heeft gelegen, merkt het hof het vervoer van willekeurige personen, met bussen waarvan de rijtijden zijn aangepast aan het vaarschema van de veerboot, naar vrijwel uitsluitend dezelfde bestemmingen als die ook door de concessiehoudster Arriva worden bediend, aan als openbaar vervoer.

8.2 [de firma] beschikt niet over een concessie om openbaar vervoer te verrichten op Schiermonnikoog. Het verrichten van openbaar vervoer zonder concessie is verboden krachtens artikel 19, eerste lid, van de WP 2000. Het hof acht het overtreden van dit verbod onrechtmatig jegens de concessiehoudster Arriva.

9. Het hof acht evenwel voorshands onvoldoende gesteld dat ook het vervoer naar de pier toe volgens dienstregeling plaats vindt. De in het geding gebrachte "retourkaarten" leggen er verder de nadruk op dat voor de terugreis vroegtijdig gereserveerd moet worden.

10. Een en ander heeft tot gevolg dat de grief deels slaagt. Het hof zal het verbod iets beperkter formuleren dan de voorzieningenrechter heeft gedaan.

11. Met betrekking tot grief 2. Deze grief richt zich tegen de proceskosten-veroordeling.

11.1 Het hof oordeelt dat ook bij de beperktere toewijzing van het in eerste aanleg gevraagde verbod, [de firma] als de in overwegende mate in het ongelijk te stellen partij is aan te merken, zodat de grief tevergeefs is voorgesteld.

De slotsom

12. Het hof zal onderdeel 1 van het vonnis waarvan beroep vernietigen, en opnieuw rechtdoende, [de firma] verbieden om bij aankomst van de veerboot op Schiermonnikoog nabij de pier personenvervoer aan te bieden met bussen waarmee meer dan 8 personen kunnen worden vervoerd, voor zover dat niet wordt verricht als - voor de passagiers direct kenbaar - besloten busvervoer. Het hof zal het vonnis voor het overige bekrachtigen.

12.1 Het hof zal, gelet op deze uitkomst, de kosten in appel compenseren.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het kortgedingvonnis waarvan beroep, voor zover betreft het daarin onder 1 van het dictum aan [de firma] opgelegde verbod

en in zoverre opnieuw rechtdoende

verbiedt [de firma] om bij aankomst van de veerboot op Schiermonnikoog nabij de pier personenvervoer aan te bieden met bussen waarmee meer dan 8 personen kunnen worden vervoerd, voor zover dat niet wordt verricht als - voor de passagiers direct kenbaar - besloten busvervoer;

bekrachtigt het kortgedingvonnis waarvan beroep voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door mrs. Kuiper, voorzitter, Breemhaar en Hidma, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 20 september 2006.