Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AY8986

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-07-2006
Datum publicatie
27-09-2006
Zaaknummer
WAHV 06-00111
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De betrokkene voert aan financieel niet in staat te zijn om in de procedure bij de kantonrechter zekerheid te stellen voor de betaling van de sanctie. De betrokkene is uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter. Ter zitting heeft de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen zekerheid is gesteld en de betrokkene onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie. In hoger beroep voert de betrokkene aan dat op de zitting voor het eerst aan hem is gevraagd bewijzen van zijn financiële onvermogen over te leggen. Het hof is van oordeel dat de kantonrechter de betrokkene alsnog in de gelegenheid had moeten stellen het door de kantonrechter verlangde inzicht in betrokkenes financiële situatie te verschaffen. Zaak teruggewezen naar de kantonrechter.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 06/00111

12 juli 2006

CJIB 89079689011

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank 's-Gravenhage

van 12 december 2005

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Hierbij is verzocht om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. In hoger beroep is niet bestreden, dat de betrokkene niet binnen de in

art. 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie van Euro 140,- en evenmin dat de betrokkene dit verzuim niet binnen een nader gestelde termijn heeft hersteld.

3.2. De betrokkene heeft naar aanleiding van de aan hem gezonden zekerheidsbrief gesteld dat hij niet over voldoende financiële middelen beschikt om aan de verplichting tot het stellen van zekerheid te voldoen. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat hij ten onrechte geen uitkering heeft ontvangen van het UWV en dat zijn ex-werkgever weigert het loon van de betrokkene aan hem uit te betalen. Tevens heeft de betrokkene medegedeeld dat hij inmiddels, "met een advocaat van onvermogen", een gerechtelijke procedure is gestart tegen het UWV en zijn ex-werkgever.

3.3. Vooropgesteld moet worden dat een zekerheidstelling ingevolge de WAHV in het algemeen niet in de weg zal staan aan de toegang tot de rechter en dat het bij de huidige stand van zaken ervoor moet worden gehouden, dat van een zodanige belemmering geen sprake is in geval van de betrokkene een zekerheidstelling van Euro 70,- of minder is verlangd.

3.4. Op het voorgaande dient een uitzondering te worden gemaakt, indien de hoogte van het gevraagde bedrag aan zekerheid gelet op de financiële omstandigheden van de betrokkene een zodanige belemmering oplevert, dat toepassing van het stelsel van zekerheidstelling in het onderhavige geval zou neerkomen op een ontoelaatbare beperking van het in art. 6 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie.

3.5. Indien een betrokkene, zoals in het onderhavige geval, binnen de hem voor het stellen van zekerheid gegunde termijn met redenen omkleed aanvoert dat van hem in verband met zijn financieel onvermogen in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij zekerheid stelt tot het totale van hem verlangde bedrag, zal de kantonrechter, tenzij deze het daaromtrent aangevoerde reeds aanstonds aannemelijk acht, de betrokkene in de gelegenheid moeten stellen op een openbare terechtzitting te worden gehoord omtrent zijn financiële draagkracht. Acht de kantonrechter het aangevoerde omtrent de financiële draagkracht gegrond, dan zal hij het bepaalde in art. 11, derde lid, WAHV in zoverre buiten toepassing moeten laten als in overeenstemming is met de draagkracht van de betrokkene. Zonodig zal aan de betrokkene een nadere termijn moeten worden gegund waarbinnen deze alsnog de door de kantonrechter vastgestelde zekerheid kan stellen.

3.6. Bij brief van 7 oktober 2005 is de betrokkene uitgenodigd om ter zitting van de kantonrechter te verschijnen. In deze brief is echter niet aan de betrokkene medegedeeld dat hij op voornoemde zitting zal worden gehoord omtrent zijn financiële draagkracht, noch is medegedeeld dat hij ter zitting - al dan niet aan de hand van stukken zoals bijvoorbeeld een verklaring omtrent inkomen en vermogen - inzicht dient te geven in zijn financiële situatie.

3.7. De betrokkene is ter zitting verschenen. De kantonrechter heeft ter zitting het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet stellen van zekerheid. De kantonrechter heeft hiertoe overwogen dat de betrokkene onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie, zoals wel van hem mocht worden verwacht, zodat niet kan worden vastgesteld dat de door de betrokkene te stellen hoogte van de zekerheid in de gegeven omstandigheden onredelijk zou zijn.

3.8. De betrokkene heeft in hoger beroep aangevoerd dat op de zitting voor het eerst aan hem is gevraagd om bewijzen van zijn onvermogen over te leggen en dat hij in de veronderstelling verkeerde dat zijn onvermogen bij de rechtbank bekend was.

3.9. Nu de betrokkene tevoren niet is gewezen op het feit dat hij ter zitting zou worden gehoord omtrent zijn financiële draagkracht en de kantonrechter niet heeft vastgesteld dat de door de betrokkene te stellen hoogte van zekerheid in de gegeven omstandigheden redelijk was, had naar het oordeel van het hof de kantonrechter in het onderhavige geval de betrokkene alsnog in de gelegenheid moeten stellen het door de kantonrechter verlangde inzicht in betrokkenes financiële situatie te verschaffen, waarna de kantonrechter - zonodig - aan de betrokkene een nadere termijn had moeten gunnen waarbinnen de betrokkene alsnog het door de kantonrechter vastgestelde bedrag aan zekerheid had kunnen stellen.

3.10. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en de zaak terugwijzen naar de kantonrechter van de rechtbank 's-Gravenhage ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.

3.11. Voor een vergoeding van proceskosten in hoger beroep is geen aanleiding, nu niet is gebleken van kosten die daarvoor ingevolge art. 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht in aanmerking komen. Hierbij wordt opgemerkt dat de kantonrechter zich dient uit te spreken over de proceskosten in de procedure bij de kantonrechter.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank 's-Gravenhage ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest;

wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Poelman en Van Wagtendonk, in tegenwoordigheid van mr. Meijering als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.