Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AY8978

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-07-2006
Datum publicatie
27-09-2006
Zaaknummer
WAHV 06-00021
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De betrokkene voert aan dat een ander zich bij staandehouding middels een valse identiteitskaart voor hem heeft uitgegeven. Daartoe voert de betrokkene aan dat hij zijn identiteitskaart is verloren en daarvan aangifte heeft gedaan.

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van waterdichte informatie op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat de betrokkene de gedraging niet zou hebben verricht.

Het hof is van oordeel dat, anders dan de advocaat-generaal kenelijk meent, van de betrokkene niet mag worden gevergd dat hij onomstotelijk bewijs levert van zijn onschuld. Het is voldoende wanneer de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven tot gerede twijfel of hij de gedraging heeft verricht.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 5
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 06/00021

11 juli 2006

CJIB 79076715152

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam

van 2 augustus 2005

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

Bij brieven van 28 maart 2006 heeft het hof de advocaat-generaal en de betrokkene verzocht om aanvullende informatie.

Bij brief van 29 maart 2006 heeft de advocaat-generaal aanvullende informatie in het geding gebracht.

Bij brief van 10 april 2006 heeft de betrokkene aanvullende informatie in het geding gebracht.

De advocaat-generaal en de betrokkene zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op de nadere informatie. Hiervan hebben zij geen gebruik gemaakt.

Bij brief van 30 mei 2006 heeft het hof de advocaat-generaal opnieuw verzocht om aanvullende informatie.

Bij brief van 6 juni 2006 heeft de advocaat-generaal aanvullende informatie in het geding gebracht.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Bij brief van 8 juni 2006 is van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van Euro 100,- opgelegd ter zake van "overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom (gedragsregel); meer dan 20 km/h en t/m 25 km/h", welke gedraging zou zijn verricht op 16 oktober 2004 om 21.45 uur op de Schoonhovendreef te Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken]

3.2. De betrokkene ontkent de gedraging te hebben verricht. Hij stelt dat een ander zich bij staandehouding middels een valse identiteitskaart voor hem heeft uitgegeven. Daartoe voert hij aan dat hij zijn identiteitskaart is verloren en daarvan aangifte heeft gedaan.

3.3. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt onder meer het volgende in: "Soort constatering: staandehouding (...) Personalia conform: [docum[nummer]]

3.4. Uit de stukken van het geding blijkt dat de betrokkene in het bezit is van een Nederlandse identiteitskaart. Deze kaart bevat - voor zover hier van belang - de volgende gegevens:

documentnummer: I[nummer]

afgiftedatum: 19 juni 2003

3.5. Blijkens informatie van de advocaat-generaal is met betrekking tot de identiteitskaart met documentnummer [nummer] op 12 juni 2003 aangifte van vermissing gedaan. Deze signalering is op 11 november 2004 ingetrokken. Voorts is gebleken dat de afdeling bevolkingsregistratie van de gemeente Amsterdam de identiteitskaart met documentnummer [nummer] sinds 17 juni 2003 als vermist heeft geregistreerd.

3.6. De advocaat-generaal stelt dat het voorgaande "aanleiding geeft voor de aanname dat de rechtmatige houder van de vermiste identiteitskaart niet meer in het bezit daarvan is geweest op het moment van de gedraging, maar dat dit strikt genomen ook weer niet kan worden uitgesloten". De advocaat-generaal is uiteindelijk van oordeel dat er "al met al geen sprake is van waterdichte informatie op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat betrokkene de gedraging niet zou hebben verricht".

3.7. Het hof stelt voorop dat, anders dan de advocaat-generaal kennelijk meent, van de betrokkene niet mag worden gevergd dat hij onomstotelijk bewijs levert van zijn onschuld. Het is voldoende wanneer de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven tot gerede twijfel of hij de gedraging heeft verricht op grond waarvan de beschikking aan hem is opgelegd.

3.8. Gelet op hetgeen de betrokkene consequent in elke fase van de procedure heeft aangevoerd en de in hoger beroep ontvangen nadere informatie, is bij het hof gerede twijfel ontstaan omtrent de vraag of het de betrokkene is geweest die de onder 3.1. bedoelde gedraging heeft verricht. Het hof zal derhalve de beslissing van de kantonrechter, de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking vernietigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het ingestelde beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 5 maart 2005, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 79076715152 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van

Euro 100,-, door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd.

Dit arrest is gewezen door mr. Weenink, in tegenwoordigheid van De Ruijter als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.