Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AY8954

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
05-07-2006
Datum publicatie
27-09-2006
Zaaknummer
WAHV 06-00367
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eerst in hoger beroep vraagt de betrokkene zich af waarom hij niet staande is gehouden. De verbalisant verklaart dat hij het zich niet meer kan herinneren, maar dat hij aanneemt dat hij onderweg was naar de afhandeling van een verkeersongeval. Gelet op het tijdstip en de wijze waarop de betrokkene de eventuele mogelijkheid van staandehouding heeft aangevoerd acht het hof het op grond van de verklaring van de verbalisant voldoende aannemelijk geworden dat zich in verband met het verkeersongeval geen reële mogelijkheid voordeed tot staandehouding van de bestuurder.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 06/00367

5 juli 2006

CJIB 79080591164

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam

van 17 februari 2006

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

De advocaat-generaal heeft een aanvullend proces-verbaal overgelegd.

De betrokkene is door de griffier bij brief van 2 juni 2006 in de gelegenheid gesteld op het aanvullend proces-verbaal te reageren. De betrokkene heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van Euro 95,- opgelegd ter zake van "rijstrook aangeduid met verlicht rood kruis gebruiken", welke gedraging zou zijn verricht op 8 maart 2005 om 6.54 uur op de Rijksweg A13 Z-N (OB) te Rotterdam, met het voertuig met het kenteken [kenteken]

3.2. De betrokkene ontkent de gedraging te hebben verricht. De betrokkene voert aan dat de waarneming van de verbalisant onjuist is geweest hetgeen (mede) blijkt uit de onjuistheden in het proces-verbaal. Daarnaast heeft de verbalisant zich onbehoorlijk gedragen door weinig afstand te houden, de betrokkene af te snijden en vervolgens later met te hoge snelheid, zonder voeren van signalen, door te rijden.

3.3. De in het zaakoverzicht opgenomen ambtsedige verklaring van de verbalisant houdt in, voor zover van belang:

"Gedragingsgegevens: De rijstrook was afgesloten in verband met een verkeersongeval. Betrokkene negeerde de rode kruizen.".

3.4. De verbalisant heeft in het - op ambtseed opgemaakte - aanvullend proces-verbaal d.d. 31 mei 2005 het volgende verklaard: "Ten tijde van de overtreding reed betrokkene voor ons over rijstrook 1, zijnde de uiterste linker rijstrook. Boven deze rijstrook was ter hoogte van hectometerpaal 17.1 een rood kruis geplaatst. Een portaal eerder was er sprake van een dwangpijl naar rechts, in verband met het daaropvolgende rode kruis. Het rode kruis was op 3 portalen geplaatst, in verband met een aldaar plaatsgevonden verkeersongeval. Betrokkene schrijft in zijn bezwaarschrift dat hij ter hoogte van hectometerpaal 16.6 de overtreding zou hebben gepleegd. Dit is niet juist. Betrokkene pleegde de overtreding aan het begin van de maatregel. Betrokkene reed namelijk door over de linker rijstrook, na het portaal met de dwangpijl naar rechts en wisselde pas van rijstrook naar rechts, naar de middelste rijstrook, nadat hij al een portaal met het rode kruis boven de rijstrook was gepasseerd.".

3.5. Het hof ziet - anders dan de betrokkene - geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de ambtsedige verklaring van de verbalisant. Naar het oordeel van het hof is derhalve komen vast te staan dat de betrokkene de gedraging heeft verricht. Het feit dat de verbalisant zich onbehoorlijk zou hebben gedragen maakt dit - wat hier ook van moge zijn - niet anders.

3.6. In hoger beroep vraagt de betrokkene zich (voor het eerst) af waarom hij niet is staandegehouden.

3.7. Art. 5 WAHV bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Deze bepaling moet aldus worden verstaan dat ingeval zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, voordoet, die bepaling buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd. De rechter zal, indien de gedraging met toepassing van art. 5 WAHV is opgelegd, zoals in dezen het geval, in het algemeen - dus ook zonder dat dat met zoveel woorden uit het dossier blijkt - ervan mogen uitgaan dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan. Ingeval dienaangaande een verweer wordt gevoerd, zal de rechter daarop een uitdrukkelijke beslissing dienen te geven en zal hij zonodig aan de verbalisant(e) een nadere toelichting dienen te vragen (HR 1 februari 2000, VR 2000/104).

3.8. De verbalisant heeft in het - op ambsteed opgemaakte - aanvullend proces-verbaal d.d. 10 mei 2006 het volgende verklaard: "In het aanvullend proces-verbaal, de datum 31 mei 2005, heb ik verbalisant vermeld, dat betrokkene de boven de rijbaan aangegeven rode kruizen negeerde, waarbij betrokkene voor ons dienstmotorvoertuig, over de afgesloten rijstrook reed. De rijstrook was afgesloten in verband met een aldaar plaatsgevonden verkeersongeval. Ik kan het mij niet meer herinneren, maar ik neem aan dat ik verbalisant, samen met een collega, onderweg was ter afhandeling van dat verkeersongeval. In dergelijke gevallen heeft het snel ter plaatse zijn op de plaats van het ongeval en de afhandeling daarvan de prioriteit. Als overige weggebruikers dan een overtreding plegen, worden deze niet staande gehouden, maar wordt volstaan met bekeuren op kenteken.".

3.9. Gelet op het tijdstip en de wijze waarop de betrokkene de eventuele mogelijkheid van staandehouding heeft aangevoerd acht het hof het op grond van de hiervoor vermelde inhoud van de ambtsedige verklaringen van de verbalisant van 31 mei 2005 en 10 mei 2006 voldoende aannemelijk geworden dat zich in verband met het verkeersongeval in het onderhavige geval geen reële mogelijkheid voordeed tot staandehouding van de bestuurder, zodat art. 5 WAHV terecht is toegepast.

3.10. Gelet op het vorenoverwogene zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Meijering als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.