Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AY8950

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-09-2006
Datum publicatie
27-09-2006
Zaaknummer
WAHV 06-00730
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De betrokkene voert aan dat hij financieel niet in staat is om in hoger beroep zekerheid te stellen en griffierecht te betalen. De Hoge Raad heeft bij arrest op het beroep in cassatie in het belang der wet van 23 mei 2006 geoordeeld dat artikel 6 EVRM niet van toepassing is op de in artikel 26a WAHV voorziene rechtsgang. Die voor het hof bindende beslissing brengt mee dat het hof, anders dan het tot op heden heeft gedaan, niet meer op grond van het in artikel 6 EVRM gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke instantie, in afwijking van hetgeen de wet voorschrijft, een lager bedrag aan zekerheidstelling en griffierecht kan vaststellen.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26a, geldigheid: 2006-09-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2006/96 met annotatie van Van der Hulst
VR 2007, 2

Uitspraak

WAHV 06/00730

20 september 2006

CJIB 72331278

Gerechtshof te Leeuwarden

Beschikking

op het hoger beroep tegen de beschikking

van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam

van 17 januari 2006

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te Amsterdam.

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft de betrokkene in het verzet tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op 27 april 2005 uitgevaardigde kennisgeving van verhaal niet-ontvankelijk verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge artikel 26a, tweede en derde lid, WAHV is degene die hoger beroep heeft ingesteld tegen een beschikking als de onderhavige slechts ontvankelijk in dat beroep na voorafgaande zekerheidstelling van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten en voorts na betaling van het verschuldigde griffierecht.

1.2. Bij brief van 4 april 2006 heeft de griffier van de rechtbank de betrokkene in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling zekerheid te stellen door storting van het verschuldigde bedrag op de rekening van het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden. Tevens is de betrokkene mededeling gedaan van de verplichting om binnen twee weken na de dag van verzending van de mededeling griffierecht te betalen. Uit een brief van de griffier van de rechtbank gedateerd 14 juli 2006 aan de griffier van het hof blijkt evenwel dat binnen die termijn geen zekerheid is gesteld en evenmin griffierecht is betaald.

3.3. De betrokkene voert - zakelijk weergegeven - aan dat hij in vier zaken tegelijkertijd zekerheid moet stellen voor een bedrag van Euro 328,64, dat hij in totaal aan griffierecht een (in debet gesteld) bedrag van Euro 210,- dient te betalen en dat hij financieel niet in staat is om deze bedragen te voldoen.

3.4. Bij arrest van 23 januari 2002 (WAHV 00/00275, LJN AD9175, NJ 2002, 176, VR 2002, 116 nt Si) heeft het hof geoordeeld dat de hoogte van de zekerheidstelling in verzetzaken, evenals de hoogte van de zekerheidstelling voor de betaling van de sanctie (art. 11 WAHV; vgl. HR 29 september 1998, VR 1999,85), onder omstandigheden een ontoelaatbare beperking betekent van het in artikel 6 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie. Het is sindsdien vaste jurisprudentie van het hof geweest dat indien een betrokkene in hoger beroep binnen de hem voor het stellen van zekerheid van het nog verschuldigde bedrag en al de kosten gegunde termijn, alsmede binnen de termijn voor het betalen van griffierecht, aanvoert niet in staat te zijn de verlangde bedragen te voldoen, er in beginsel aanleiding is te overwegen of de verplichting in volle omvang zekerheid te stellen en griffierecht te betalen tot het volledige verschuldigde bedrag, een zodanige belemmering oplevert. Bij een positieve beantwoording van die vraag zou mogelijk redelijkerwijs geoordeeld moeten worden dat de betrokkene ten aanzien van de genoemde verplichting niet in verzuim is geweest. In die situatie werd de betrokkene door het hof in de gelegenheid gesteld om een lager bedrag aan zekerheidstelling en griffierecht te voldoen.

3.5. De Hoge Raad heeft evenwel bij arrest op het beroep in cassatie in het belang der wet van 23 mei 2006 geoordeeld dat artikel 6 EVRM niet van toepassing is op de in artikel 26a WAHV voorziene rechtsgang (LJN: AU7141, NS 2006, 187, RvdW 2006, 527 en JOL 2006, 322). Die voor het hof bindende beslissing brengt mee dat het hof, anders dan het tot op heden heeft gedaan, niet meer op grond van het in artikel 6 EVRM gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie, in afwijking van hetgeen de wet voorschrijft, een lager bedrag aan zekerheidstelling en griffierecht kan vaststellen.

3.6. Nu de betrokkene geen zekerheid heeft gesteld en geen griffierecht heeft betaald en niet kan worden gezegd dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de betrokkene in verzuim is geweest, dient de betrokkene in het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Dijkstra, Poelman en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.