Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AY8220

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
13-09-2006
Datum publicatie
19-09-2006
Zaaknummer
0600035
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In de eerste plaats is tussen partijen in geschil of de duur waarvoor de arbeidsovereenkomst is aangegaan, op grond van de in r.o. 1 onder (iv) genoemde bepaling is verstreken op 12 augustus 2005. Daarenboven zijn partijen verdeeld over de omvang van de bedongen arbeid. Duidelijkheidshalve constateert het hof dat [appellante] haar door [geïntimeerde] betwiste stelling dat de arbeidsovereenkomst door opzegging wegens een dringende reden is geëindigd, in hoger beroep niet heeft gehandhaafd, zodat dit geen deel uitmaakt van het geschil in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 13 september 2006

Rolnummer 0600035

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats appellante],

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellante],

procureur: mr J.V. van Ophem,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats geïntimeerde],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr S.A. Roodhof.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort geding vonnis uitgesproken op 6 december 2005 door de rechtbank Assen, sector kanton, locatie Assen, hierna te noemen de kantonrechter.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 2 januari 2006 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van

11 januari 2006.

Het petitium van de dagvaarding in hoger beroep luidt:

"te vernietigen het vonnis, op 6 december 2005 door de Voorzieningenrechter in de Rechtbank Assen (zaaknummer 169656 VV EXPL 05-66) tussen partijen gewezen, en, opnieuw

rechtdoende, de vorderingen van geïntimeerde af te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van de beide instanties."

[appellante] heeft en memorie van grieven (met producties) genomen.

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"zonodig onder verbetering en /of aanvulling van de gronden, te bevestigen het vonnis waartegen beroep is ingesteld en appellante te veroordelen in de kosten in beide instanties."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd en heeft het hof een dag bepaald voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellante] heeft twee grieven opgeworpen.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Als enerzijds gesteld en anderszijds erkend dan wel niet voldoende betwist staat tussen partijen in hoger beroep vast:

(i) [geïntimeerde], geboren [in] 1958, is op 20 juni 2005 in dienst getreden bij [appellante] in de functie van medewerkster schoonmaak voor een omvang van minimaal 10 uur per maand.

(ii) Het salaris bedroeg laatstelijk euro 8,33 bruto per uur, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.

(iii) Ter zake van de arbeidsovereenkomst is een ongedateerde onderhandse akte, hierna te noemen het arbeidscontract, opgemaakt.

(iv) Het arbeidscontract vermeldt onder meer:

'Aard: projectcontract

(...). Deze arbeidsovereenkomst eindigt wanneer de realisatie en verbouwing van Parc de Bloemert gereed is en eindigt van rechtswege, daarom zonder dat voorafgaande opzegging is vereist.'

(v) Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Schoonmaak van toepassing.

Beslissing in eerste aanleg

2. De kantonrechter heeft bij kort geding vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [appellante] veroordeeld:

a. aan [geïntimeerde] te voldoen een bedrag van euro 583,10 bruto ter zake van loon over de maanden september 2005 en oktober 2005;

b. om het tussen partijen overgekomen loon aan [geïntimeerde] te betalen over de maanden na oktober 2005 tot het moment waarop op rechtsgeldige wijze een einde aan de dienstbetrekking is gekomen;

c. om de wettelijke rente over alle voornoemde bedragen te betalen vanaf de dag dat die bedragen verschuldigd zijn, alsmede de wettelijke verhoging ad 10% over de loonvordering;

met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding en afwijzing

van het meer of anders gevorderde.

3. Het geschil

In de eerste plaats is tussen partijen in geschil of de duur waarvoor de arbeidsovereenkomst is aangegaan, op grond van de in r.o. 1 onder (iv) genoemde bepaling is verstreken op 12 augustus 2005. Daarenboven zijn partijen verdeeld over de omvang van de bedongen arbeid. Duidelijkheidshalve constateert het hof dat [appellante] haar door [geïntimeerde] betwiste stelling dat de arbeidsovereenkomst door opzegging wegens een dringende reden is geëindigd, in hoger beroep niet heeft gehandhaafd, zodat dit geen deel uitmaakt van het geschil in hoger beroep.

4. Met betrekking tot grief I:

Deze grief komt op tegen het oordeel van de kantonrechter dat "er thans nog onvoldoende duidelijkheid bestaat omtrent de afronding van het project." Door deze grief wordt de uitleg van de in r.o. 1 onder (iv) weergegeven bepaling omtrent de duur van de arbeidsovereenkomst aan de orde gesteld.

5. Voorop staat dat de vraag wat partijen zijn overeengekomen niet enkel kan worden beantwoord op grond van de taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst. Het komt immers steeds aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

6. [appellante] onderbouwt haar stelling dat de duur van de arbeidsovereenkomst op 12 augustus 2005 is verstreken in die zin dat zij aanvoert ''dat geïntimeerde uitsluitend werkzaam was in het oude gedeelte van het park en niet meer op het nieuwe gedeelte." Zij voegt daaraan nog toe: "In het nieuwe gedeelte van het park worden momenteel nog nieuwe huisjes gebouwd. Hierop heeft evenwel de in de arbeidsovereenkomst opgenomen clausule geen betrekking, al was het maar omdat de nieuwbouw nog geruime tijd in beslag zal nemen en mogelijk eerst in 2007 of later de nieuwbouw is opgeleverd."

7. [geïntimeerde] heeft deze stelling van [appellante] bestreden. Zij heeft daartoe onder meer, kort gezegd, aangevoerd dat redelijkerwijs de nieuwbouw ook onder de duur valt waarvoor de arbeidsovereenkomst is aangegaan. Bovendien bestrijdt zij dat zij alleen in het oude gedeelte van het park werkzaam was.

8. Het hof is van oordeel dat [appellante] haar standpunt dat de nieuwbouw in het Parc de Bloemert niet zou vallen onder de "realisatie en verbouwing van Parc de Bloemert", waarvan in de in r.o. 1 onder (iv) bedoelde bepaling wordt gerept, niet voldoende heeft onderbouwd. Immers niet valt in te zien, waarom [geïntimeerde] redelijkerwijs deze bepaling in die zin zou moeten opvatten dat de nieuwbouw daarvan is uitgezonderd, hoewel wordt gesproken over "realisatie (...) van Parc de Bloemert".

9. Grief I faalt derhalve. Het hof behoeft daarom niet in te gaan op het verweer van [geïntimeerde] dat hetgeen de in r.o. 1 onder (iv) genoemde bepaling omtrent de duur van de arbeidsovereenkomst behelst, te onbepaald is, en dat de arbeidsovereenkomst daarom geacht zou moeten worden voor onbepaalde tijd te zijn aangegaan.

Met betrekking tot grief II:

10. Deze grief komt op tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellante]

evenmin ''de stelling van [geïntimeerde] dat zij gemiddeld 35 uur per maand heeft gewerkt, voldoende gemotiveerd heeft betwist."

11. Duidelijkheidshalve stelt het hof voorop dat te dezen voor het antwoord op de vraag naar de omvang van de arbeidsovereenkomst het bepaalde in art. 7:610b BW niet als uitgangspunt kan worden genomen, aangezien de periode dat [geïntimeerde] feitelijk werkzaam is geweest, minder dan een periode van drie maanden beslaat. Bedoelde bepaling beoogt houvast te bieden in situaties waarin de omvang van de arbeid niet eenduidig is overeengekomen of in situaties waarin er structureel meer gewerkt wordt dan aanvankelijk is overeengekomen. Om te kunnen beoordelen of er structureel meer gewerkt wordt dan aanvankelijk is overeengekomen, kent de wet in genoemde bepaling een bij wijze van uitgangspunt te hanteren referteperiode van drie maanden, direct voorafgaand aan de maand waarvoor de omvang van de arbeidsovereenkomst moet worden berekend.

12. Het hof ziet voorshands onvoldoende reden om voor de beoordeling van de

toewijsbaarheid van de vorderingen van [geïntimeerde] bij wege van voorlopige voorziening uit te gaan van een andere dan de overeengekomen omvang van (minimaal) 10 uur per maand.

13. Grief II treft derhalve doel.

De slotsom:

14. Het vonnis waarvan beroep moet worden vernietigd. De vorderingen van

[geïntimeerde] zullen worden toegewezen in voege als in het dictum van

dit arrest te omschrijven. De kosten van het geding in eerste aanleg en dat

in hoger beroep zullen worden gecompenseerd in dier voege dat elke partij

haar eigen kosten draagt.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep

en opnieuw rechtdoende:

I veroordeelt [appellante] om aan [geïntimeerde] te voldoen een bedrag van euro 166,60 bruto ter zake van loon over de maanden september 2005 en oktober 2005, alsmede de wettelijke verhoging van 10% daar over;

II veroordeelt [appellante] om het tussen partijen overeengekomen loon aan

[geïntimeerde] te voldoen, dit berekend over 10 uren per maand, over de maanden na oktober 2005 tot het moment waarop rechtsgeldige wijze een einde aan de dienstbetrekking is gekomen, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 10 % over dat loon in geval dat niet tijdig is respectievelijk zal worden voldaan;

III veroordeelt [appellante] om te betalen de wettelijke rente over hetgeen zij ingevolge de onder I en II opgenomen veroordelingen verschuldigd is of zal worden vanaf de dag van het verschuldigd worden daarvan tot de dag van algehele voldoening;

IV verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

V wijst af het meer of anders gevorderde;

VI compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep in dier voege dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door mrs Zuidema, voorzitter, Kuiper en Breemhaar, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 13 september 2006.