Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AY8185

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-09-2006
Datum publicatie
19-09-2006
Zaaknummer
0600318
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op grond van artikel 1:441 lid 1 BW dient een (beschermings)bewindvoerder de rechthebbende in (en buiten) rechte te vertegenwoordigen met betrekking tot handelingen die de onder bewind staande goederen betreffen.

De wettelijke schuldsaneringsregeling als nader geregeld in de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) heeft gevolgen voor de goederen die aan degene op wie deze regeling is toegepast - de saniet - (zullen) toebehoren, in die zin dat de saniet niet langer de vrije beschikking behoudt over alle hem toebehorende goederen. Dit brengt mee dat, indien tevens een beschermingsbewind is ingesteld over alle goederen, in procedures die betrekking hebben op de wettelijke schuldsaneringsregeling, de beschermingsbewindvoerder dient op te treden als formele procespartij in plaats van de saniet, nu de schuldsaneringsregeling in overwegende mate de onder bewind staande goederen van de rechthebbende betreft. Hetzelfde geldt in de fase van de aanvraag van de wettelijke schuldsaneringregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 237

Uitspraak

Arrest d.d. 14 september 2006

Rekestnummer 0600318

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

toevoeging,

procureur mr P. Stehouwer,

advocaat mr M.R.P. Ossentjuk.

Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van 27 juni 2006 heeft de rechtbank te Assen op voordracht van de rechter-commissaris de sedert 23 februari 2004 ten aanzien van [appellant] van toepassing zijnde schuldsaneringsregeling beëindigd en voorts verstaan dat [appellant] - zodra voormeld vonnis in kracht van gewijsde is gegaan - van rechtswege in staat van faillissement verkeert met aanstelling van mr A. Grollé, procureur en advocaat te Hoogeveen, tot curator.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 5 juli 2006, heeft [appellant] verzocht voornoemd vonnis te vernietigen en opnieuw beslissende te bepalen dat de schuldsaneringsregeling op [appellant] van toepassing blijft.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief d.d. 11 augustus 2006 met bijlagen van mr. Ossentjuk en een brief d.d. 16 augustus 2006 van mr. Grollé.

Ter zitting van 7 september 2006 is de zaak behandeld.

De beoordeling

Inleiding

1. Bij beschikking van 6 maart 2003 is door de rechtbank te Assen, sector kanton, locatie Meppel, een bewind als bedoeld in artikel 1:431 BW ingesteld over de goederen die (zullen) toebehoren aan [appellant], met benoeming van de Gemeentelijke Kredietbank Drenthe te Assen, tot (beschermings)bewindvoerder (hierna ook te noemen: GKB Drenthe).

2. Bij vonnis van de rechtbank te Assen van 23 februari 2004 is ten aanzien van [appellant] de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken, met benoeming van V.R. Besier tot bewindvoerder.

3. Bij beschikking van de rechtbank te Assen van 27 juni 2006 is ten aanzien van [appellant] de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd.

4. Het door [appellant] ingestelde hoger beroep richt zich tegen laatstgenoemde beschikking.

Het oordeel

Met betrekking tot de ontvankelijkheid

5. Op grond van artikel 1:441 lid 1 BW dient een (beschermings)bewindvoerder de rechthebbende in (en buiten) rechte te vertegenwoordigen met betrekking tot handelingen die de onder bewind staande goederen betreffen.

De wettelijke schuldsaneringsregeling als nader geregeld in de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) heeft gevolgen voor de goederen die aan degene op wie deze regeling is toegepast - de saniet - (zullen) toebehoren, in die zin dat de saniet niet langer de vrije beschikking behoudt over alle hem toebehorende goederen. Dit brengt mee dat, indien tevens een beschermingsbewind is ingesteld over alle goederen, in procedures die betrekking hebben op de wettelijke schuldsaneringsregeling, de beschermingsbewindvoerder dient op te treden als formele procespartij in plaats van de saniet, nu de schuldsaneringsregeling in overwegende mate de onder bewind staande goederen van de rechthebbende betreft. Hetzelfde geldt in de fase van de aanvraag van de wettelijke schuldsaneringregeling.

6. Het vorenstaande impliceert dat ook voor een procedure in hoger beroep, zoals de onderhavige, waarin wordt opgekomen tegen een beslissing tot tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling terwijl er een beschermingsbewind over alle goederen van de saniet is ingesteld, het rechtsmiddel dient te worden ingesteld door de beschermingsbewindvoerder.

7. Het hof tekent hierbij wel aan dat de beschermingsbewindvoerder voor het voeren van procedures in het kader van de wettelijke schuldsaneringsregeling niet kan optreden zonder toestemming van de rechthebbende reeds omdat de schuldsaneringsregeling, naast de onder bewind staande goederen, ook de persoon van de rechthebbende, aangezien hem binnen die regeling verplichtingen worden opgelegd ten aanzien van diens gedrag en houding, terwijl gebrekkige voldoening aan die verplichtingen kunnen leiden tot diens faillissement.

8. In weerwil van het voorgaande heeft in de onderhavige procedure [appellant] persoonlijk hoger beroep ingesteld en is de beschermingsbewindvoerder van [appellant] -de GKB Drenthe- niet namens hem opgetreden als formele procespartij. Uit de stukken en uit hetgeen ter zitting naar voren is gebracht is gebleken dat [appellant] met het oog op de onderhavige procedure zelfs geen contact heeft gezocht met de GKB Drenthe.

Slotsom

9. Op grond van het voorgaande kan [appellant] niet worden ontvangen in het door hem ingestelde hoger beroep.

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Assen van 27 juni 2006.

Aldus gewezen door mrs Melssen, voorzitter, Kuiper en Smedes, raden, en uitgesproken door mr Melssen, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Bons als griffier, ter bijzondere openbare terechtzitting van dit hof van donderdag 14 september 2006.