Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AY8041

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
08-09-2006
Datum publicatie
13-09-2006
Zaaknummer
BK 1019/04 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Te dezen is in beroep in geschil het antwoord op de vraag of de onderhavige aanslagen tot op het juiste bedrag zijn vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/10.3 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. BK 1019/04 8 september 2006

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige belastingkamer, op het beroep van de heer X te Z tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (: IB/PV) en in de premie voor de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (: WAZ) over het jaar 2002.

1. Ontstaan en loop van het geding.

1.1 Belanghebbende werd voor het jaar 2002 in de IB/PV en in de premie voor de WAZ bij aanslagbiljetten met dagtekening 31 maart 2004 ambtshalve aangeslagen. Tegelijkertijd zijn daarbij 2 verzuimboeten van € 340, - afzonderlijk opgelegd.

1.2 Op 12 mei 2004 heeft belanghebbende twee afzonderlijke bezwaarschriften ingediend.

1.3 Op 5 oktober 2004 heeft de inspecteur de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.

1.4 Belanghebbende is daartegen in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlage), hetwelk op 12 november 2004 is ingekomen.

1.5 Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 22 mei 2006, gehouden te Leeuwarden. Belanghebbende is bij een op 14 april 2006 aangetekend verzonden brief door het hof uitgenodigd ter zitting te verschijnen. De handtekening ter bevestiging van ontvangst door belanghebbende is door het hof retour ontvangen. Belanghebbende is niet ter zitting verschenen. Het hof heeft geen bericht van verhindering van belanghebbende ontvangen. De inspecteur is evenmin ter zitting verschenen, maar het hof is op 24 mei 2006 wel in kennis gesteld van de reden van zijn verhindering.

1.7 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Aan belanghebbende is in januari 2003 het aangiftebiljet voor de IB/PV en de premie WAZ voor het jaar 2002 uitgereikt. Dit biljet had uiterlijk op 31 maart 2003 ingediend moeten worden. Op die datum was het biljet echter niet retour ontvangen.

2.2 Op 3 november 2003 is belanghebbende schriftelijk aangemaand tot het doen van aangifte IB/PV en premie WAZ voor het jaar 2002. Hem is een termijn gesteld om de aangifte uiterlijk 24 november 2003 in te dienen. Belanghebbende heeft hieraan geen gehoor gegeven.

2.3 Op 31 maart 2004 heeft de inspecteur ambtshalve een aanslag IB/PV over het jaar 2002 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 100.000, - aan belanghebbende opgelegd. Tevens is aan hem ambtshalve een aanslag in de premie WAZ over het jaar 2002 opgelegd naar een maximale WAZ-grondslag van € 24.958, -. In samenhang met de voormelde aanslagen zijn twee verzuimboeten van € 340, - opgelegd.

2.4 Tegen de onder 2.3 vermelde aanslagen heeft belanghebbende bij twee afzonderlijke brieven d.d. 7 mei 2004, ingekomen op 12 mei 2004, bezwaar gemaakt. Daarin heeft belanghebbende te kennen gegeven dat de reden voor het niet doen van aangifte is gelegen in de omstandigheid dat hij niet over de juiste gegevens beschikt. De B.V. (bedoeld is A B.V., waarvan belanghebbende directeur en enig aandeelhouder is) die tot en met 2001 altijd het salaris genereerde, is volgens belanghebbende niet meer in staat om de juiste loonbetalingen aan hem te verrichten. Verder is door diefstal een deel van de administratie verloren gegaan. Belanghebbende verzoekt om meer tijd voor het indienen van zijn aangifte en om een nieuw aangiftebiljet.

2.5 De inspecteur heeft bij brief van 29 juni 2004 gereageerd op de bezwaarschriften. Aangegeven is dat er nog geen aangiftebiljet is ingeleverd. Belanghebbende wordt verzocht om vóór 10 augustus 2004 contact om te nemen met de inspecteur.

2.6 Bij brief d.d. 5 juni 2004 (bedoeld zal zijn 5 juli 2004) stelt belanghebbende dat hij om gezondheidsredenen niet in staat is om het aangiftebiljet tijdig in te sturen. Als reactie hierop krijgt belanghebbende van de inspecteur - zoals weergeven in diens brief van 21 juli 2004 – daarvoor uitstel tot 21 augustus 2004. Belanghebbende reageert hierop in zijn brief van 26 juli 2004, waarin hij stelt dat indien het hem niet lukt om voor de gestelde datum de administratie voor elkaar te hebben, hij tijdig contact zal opnemen met de belastingdienst. Bij brief d.d. 18 augustus 2004 zoekt belanghebbende wederom contact met de belastingdienst en verzoekt om tot 1 oktober 2004 utstel te krijgen om “gefundeerd” (belanghebbendes woordkeuze) het bezwaar te motiveren.

2.7 De inspecteur stuurt aan belanghebbende een brief d.d. 6 september 2004, waarin hij met verwijzing naar artikel 47 juncto artikel 25 lid 6, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen belanghebbende peremptoir stelt, stellende dat indien geen reactie voor 1 oktober 2004 van belanghebbende wordt verkregen er niet tegemoet gekomen zal worden aan zijn bezwaar.

2.8 De inspecteur heeft op 5 oktober 2004 uitspraak gedaan op de bezwaarschriften. De uitspraken luiden dat de bezwaren niet-ontvankelijk worden verklaard. In de bestreden uitspraken is aangegeven dat de bezwaarschriften niet zijn gemotiveerd en dat de bezwaren niet inhoudelijk kunnen worden beoordeeld. De bezwaren zijn evenmin inhoudelijk beoordeeld.

2.9 Tegen de uitspraak heeft belanghebbende bij brief van 8 november 2004, ingekomen op 12 november 2004, beroep ingesteld. In dit beroepschrift geeft belanghebbende te kennen dat hij door persoonlijke omstandigheden niet in staat is geweest om zijn bezwaren binnen de gestelde termijnen te motiveren. Belanghebbende verzoekt het hof ten slotte om in een later stadium de benodigde cijfers te mogen toezenden. Tot de dag van de zitting van 22 mei 2006 heeft belanghebbende niets ingezonden. Ter zitting van 22 mei 2006 is belanghebbende niet verschenen, alhoewel hij daartoe juist was opgeroepen. Van de redenen van zijn afwezigheid heeft hij het hof niet in kennis gesteld.

3 Het geschil en standpunten van partijen.

3.1 Te dezen is in beroep in geschil het antwoord op de vraag of de onderhavige aanslagen tot op het juiste bedrag zijn vastgesteld. Tegen de boeten heeft belanghebbende in zijn beroep geen grieven aangevoerd.

3.2 Belanghebbende heeft in het beroepschrift d.d. 8 november 2004 het standpunt ingenomen dat de aanslagen tot op te hoge bedragen zijn vastgesteld. De bedragen zijn schattingen op basis van “natte vingerwerk”, aldus belanghebbende. Tot en met het jaar 2001 heeft hij altijd geld teruggekregen in verband met aftrek van rente van een hypothecaire lening. Verder zijn de inkomsten van belanghebbende in het jaar 2002 fors gedaald doordat de B.V. waarbij hij in loondienst is, niet meer die opbrengsten genereerde die nodig waren tot een correcte salarisbetaling. Tenslotte verzoekt belanghebbende het hof om in een later stadium de benodigde cijfers te mogen toezenden.

3.3 De inspecteur heeft daartegenover op gronden, gelijk weergegeven in zijn verweerschrift, het standpunt verdedigd dat belanghebbende niet heeft doen blijken dat de onderhavige aanslagen onjuist zouden zijn.

3.4 Voor een uitgebreide onderbouwing van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

4. Rechtsoverwegingen

Vooreerst en vooraf omtrent de ontvankelijkheid van de bezwaren

4.1 Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (: Awb) bevat een bezwaarschrift ten minste de gronden van het bezwaar. Artikel 6:6 van de Awb bepaalt dat indien niet is voldaan aan artikel 6:5 het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Uit de feiten onder 2.8 begrijpt het hof dat de inspecteur de bezwaren niet-ontvankelijk heeft verklaard met in achtneming van voormelde artikelen.

4.2 De inhoud van de eis die ingevolge artikel 6:5, lid 1, aanhef en letter d, van de Awb aan een bezwaarschrift wordt gesteld, hangt onder meer samen met de mate waarin de inspecteur de aanslag heeft gemotiveerd (zie HR 29 september 1999, nr. 34 822, BNB 2000/76 en HR 8 maart 2002, nr. 34 993, BNB 2002/224). In gevallen waarin niet redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de aanslag waartegen het bezwaarschrift is gericht geen motivering behoefde - hetgeen bij een aanslag waarin een boete is begrepen steeds het geval is - en die motivering niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:47 van de Awb bij, of uiterlijk binnen een week na, de bekendmaking van de aanslag aan de belastingplichtige is verstrekt, kan de belastingplichtige indien hij na die week bezwaar maakt en hij ten tijde van het indienen van zijn bezwaarschrift nog steeds niet met die motivering bekend was, in zijn bezwaarschrift volstaan met de mededeling dat hij bezwaar heeft tegen de aanslag. In casu is ambtshalve de aanslag IB/PV over 2002 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 100.000, - en tegelijkertijd is een verzuimboete van € 340, - vastgesteld. De hoogte van voormelde aanslag en boete is niet gemotiveerd. Het hof acht derhalve de mededeling van belanghebbende dat hij bezwaar heeft tegen die aanslag voldoende, zodat belanghebbende ontvankelijk is in zijn bezwaar daartegen. Dit geldt ook voor de onderhavige ambtshalve opgelegde aanslag in de premie WAZ en de daarbij behorende verzuimboete van € 340, - aangezien ook die aanslag en boete evenmin zijn gemotiveerd. Bovendien kan in de brieven van belanghebbende van 7 mei 2004 een summiere motivering gelezen worden, zodat ook op die grond de niet-ontvankelijkverklaringen van de inspecteur achterwege hadden moeten blijven.

4.2 Nu de inspecteur ten onrechte is overgegaan tot niet-ontvankelijkverklaringen dienen die uitspraken te worden vernietigd. Het beroep is mitsdien gegrond.

4.3 De Hoge Raad heeft bij zijn arrest van 9 juni 2006, nr. 41 130 NTFR 2006/844, overwogen dat indien de inspecteur de niet-ontvankelijkheid van een bezwaar heeft uitgesproken en de belastingrechter die uitspraak vernietigt, de rechter in de regel met toepassing van artikel 8:72, lid 4, van de Awb de inspecteur dient op te dragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. Van die regel kan worden afgeweken indien daartoe goede grond bestaat, bijvoorbeeld indien partijen aandringen op een inhoudelijke beoordeling van het geschil door de rechter, of indien duidelijk is dat belanghebbende niet wordt benadeeld doordat de rechter zelf in de zaak voorziet.

4.4 Partijen hebben niet expliciet aangedrongen op een inhoudelijke beoordeling door het hof van het geschil. Evenmin kan het hof er zeker van zijn dat indien het hof zelf in de zaak voorziet belanghebbende niet wordt benadeeld. Immers, belanghebbende heeft, ondanks zijn toezegging daartoe, het hof geen “cijfers” of een aangifte doen toekomen, laat staat een conclusie genomen tot op welk bedrag het belastbaar inkomen uit werk en woning en het premie-inkomen moeten worden vastgesteld. Het hof kan in de gegeven omstandigheden niet anders dan de zaak terugverwijzen naar de inspecteur.

5. De proceskosten.

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

draagt de inspecteur op zo spoedig mogelijk opnieuw uitspraak te doen op de door belanghebbende ingediende bezwaarschriften; en

gelast de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht ad € 37, - aan hem te vergoeden.

Aldus vastgesteld door mr. J. Huiskes, raadsheer en voorzitter, mr. F.J.W. Drion, raadsheer, en mr. H. Bakker, raadsheer-plaatsvervanger, en op 8 september 2006 in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. de Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 13 september 2006 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.