Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AY8038

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
08-09-2006
Datum publicatie
13-09-2006
Zaaknummer
BK 369/04 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is van mening dat de weigering in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, gespeend is van een wettelijke basis en (dus) onrechtmatig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 369/04 8 september 2006

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, vierde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de weigering van de Ontvanger van de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen (hierna: de Ontvanger) om een besluit te nemen in het kader van artikel 19 van de Invorderingswet 1990.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Bij brief van 20 februari 2004 is belanghebbende in kennisgesteld van het verval van een aan haar verleend uitstel van betaling met betrekking tot de aan haar opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1998, aanslagnummer 0000.00.000.H86.

1.2 De Ontvanger heeft op 2 april 2004 een Dwangbevel tot betaling van de onder 1.1 vermelde aanslag door terpostbezorging van een afschift daarvan aan belanghebbende betekend.

1.3 De Ontvanger heeft vervolgens bij brief van 23 april 2004 aangekondigd voornemens te zijn bij de uitkeringsinstantie van belanghebbende, de UWV, een vordering te doen gebaseerd op artikel 19 van de Invorderingswet 1990.

1.4 De heer drs. A als gemachtigde van belanghebbende (: de gemachtigde) heeft bij brief van 23 april 2004 de Ontvanger verzocht om een besluit tot intrekking van de onder 1.3 vermelde aankondiging te nemen.

1.5 Op 4 mei 2004 is van de zijde van belanghebbende een beroepschrift (met bijlagen) bij het hof ingekomen.

1.6 Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling van het beroep plaatsgevonden ter zitting van 18 maart 2005, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende en B namens de Ontvanger. Ter zitting heeft de gemachtigde een pleitnota overgelegd en voorgelezen. Het onderzoek ter zitting is vervolgens geschorst voor onbepaalde tijd.

1.7 Het hof heeft aan partijen op 28 maart 2005 het proces-verbaal van de zitting van 18 maart 2005 toegestuurd, vergezeld van een begeleidend schrijven. Op respectievelijk 21 april 2005 en 22 april 2005 heeft de gemachtigde twee brieven ingestuurd.

1.8 De mondelinge behandeling van de zaak is voortgezet ter zitting van 14 oktober 2005, gehouden te Leeuwarden, alwaar dezelfde personen verschenen zijn als ter zitting van 18 maart 2005. Ter zitting van 14 oktober 2005 heeft de gemachtigde een verzoek tot wraking ten aanzien van de behandelend raadsheer, de heer mr. J. Huiskes, ingediend. Het onderzoek ter zitting is vervolgens opnieuw geschorst.

1.9 Bij uitspraak van het hof van de tweede kamer voor burgerlijke zaken d.d. 31 mei 2006 rekestnummer 0500469 heeft het hof het onder 1.8 omschreven verzoek afgewezen. Tevens heeft het hof bij die uitspraak bepaald dat een eventueel volgend verzoek tot wraking van mr. Huiskes in de onderhavige zaak niet in behandeling zal worden genomen.

1.10 Voorafgaand aan het vervolg van de mondelinge behandeling op 14 juli 2006, gehouden te Leeuwarden, heeft de Ontvanger een nader stuk d.d. 10 juli 2006 (met bijlage) ingestuurd. De mondelinge behandeling op 14 juli 2006 is aangevangen om 11:30. Om 10:12 is een faxbericht (met bijlage) van de gemachtigde ingekomen. Met kennisgeving is de gemachtigde niet ter zitting verschenen. Zoals aangegeven in zijn stuk van 10 juli 2006 is de Ontvanger ook niet verschenen.

1.11 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken stelt het hof als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1 Bij brief van 20 februari 2004 is belanghebbende in kennisgesteld van het verval van een aan haar verleend uitstel van betaling met betrekking tot de aan haar opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1998, aanslagnummer 0000.00.000.H86.

2.2 De Ontvanger heeft op 2 april 2004 een Dwangbevel tot betaling van de onder 2.1 vermelde aanslag door terpostbezorging van een afschift daarvan aan belanghebbende betekend.

2.3 De Ontvanger heeft bij brief van 23 april 2004 aangekondigd voornemens te zijn bij de uitkeringsinstantie van belanghebbende, de UWV, een vordering te doen, gebaseerd op artikel 19 van de Invorderingswet 1990.

2.4 De gemachtigde heeft bij brief van 23 april 2004 de Ontvanger verzocht “om onverwijld, doch uiterlijk binnen 7 dagen na ontvangst van deze brief, om het besluit te nemen tot het intrekken van de door u bedoelde aankondiging, en aan ondergetekende dat besluit schriftelijk te bevestigen. Het in gebreke blijven uwerzijds om dit te doen zal automatisch als weigering beschouwd worden”. Het cursieve gedeelte van de zin betreft de letterlijke bewoordingen van belanghebbende.

2.5 Op 4 mei 2004 is van de zijde van belanghebbende een beroepschrift (met bijlagen) bij het hof ingekomen. Dit beroepschrift is gericht tegen de weigering om het onder 2.4 vermelde besluit te nemen.

3. Het geschil en standpunten van partijen

3.1 Belanghebbende is van mening dat de weigering in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, gespeend is van een wettelijke basis en (dus) onrechtmatig is.

3.2 De Ontvanger concludeert tot een niet-ontvankelijk beroep.

3.3 Voor een uitvoerige weergave van de onderbouwing van de standpunten van partijen zij verwezen naar de gedingstukken.

4. De rechtsoverwegingen

4.1 Het hof acht zich onbevoegd om van het onderhavige geschil kennis te nemen. Ingevolge artikel 17 van de Invorderingswet 1990 (verzet tegen tenuitvoerlegging van een dwangbevel) is deze zaak een aangelegenheid van de burgerlijke rechter en behoort het tot de taak van de burgerlijke rechter om te onderzoeken of in een bepaald geval door de betrokken overheidsinstantie onrechtmatig is gehandeld.

4.2 In zijn faxbericht d.d. 14 juli 2006 dient de gemachtigde van belanghebbende opnieuw een verzoek tot wraking in ten aanzien van de behandelend raadsheer, mr. J. Huiskes. Gelet op de uitspraak van het hof van 31 mei 2006, rekestnummer 0500469 (zie 1.9) gaat het hof hieraan voorbij.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing.

Het hof verklaart zich onbevoegd.

Gedaan op 8 september 2006 door mr. J. Huiskes, voorzitter en raadsheer, en op die dag in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. de Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Afschrift aangetekend aan beide partijen verzonden

op: 13 september 2006