Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AY8002

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-09-2006
Datum publicatie
12-09-2006
Zaaknummer
0600356
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor als bedoeld in artikel 186 Rv, kan, als het overigens aan de eisen voor toewijzing daarvan voldoet, worden afgewezen onder meer op de grond dat de verzoeker bij toewijzing van het verzoek onvoldoende belang heeft (HR 11 februari 2005, NJ 2005/442).

Het hof is van oordeel dat, zonder nadere toelichting, die door Van der Graaf c.s. niet is gegeven, niet duidelijk is, welk belang thans is gediend met het horen van een getuige vóór het slotpleidooi. Daarbij neemt het hof in overweging dat voor zover de door de rechtbank als vaststaand aangenomen feiten al in hoger beroep door Van der Graaf c.s. in haar grieven zijn bestreden, een eventueel tussenarrest duidelijkheid kan scheppen ten aanzien van de naar 's hofs oordeel (eventueel) te bewijzen stellingen en de bewijslast(verdeling) daaromtrent.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking d.d. 6 september 2006

Rekestnummer 0600356

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VAN DER GRAAF OOST-EUROPA B.V.,

gevestigd te Coevorden,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VAN DER GRAAF COEVORDEN B.V.,

gevestigd te Coevorden,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TRANSPORTGROEP VAN DER GRAAF B.V.,

gevestigd te Coevorden,

appellanten,

hierna gezamenlijk te noemen: Van der Graaf c.s.,

procureur mr J.V. van Ophem,

tegen

1. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging A.I.G. EUROPE S.A.,

gevestigd te Wenen, Oostenrijk,

2. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging OESTERREICHISCHE PHILIPS INDUSTRIE GESELLSCHAFT MBH,

gevestigd te Wenen, Oostenrijk,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PHILIPS DOMESTIC APPLIANCE AND PERSONAL CARE B.V.,

gevestigd te Groningen,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FRANS MAAS EXPEDITIE B.V.,

gevestigd te Vianen,

5. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

OOO "STROYINVEST-K",

gevestigd te Moskou, Rusland,

hierna gezamenlijk te noemen: Philips c.s.,

procureur mr J.B. Dijkema,

advocaat mr W.G.B. Neervoort.

Het procesverloop

Ter griffie van het hof is op 24 juli 2006 ingekomen een verzoekschrift van Van der Graaf c.s. houdende het verzoek om omtrent de in het verzoekschrift genoemde feiten en stellingen een voorlopig getuigenverhoor te bevelen met benoeming van een raadsheer-commissaris voor wie dit getuigenverhoor zal worden gehouden en met bepaling van de dag, het uur en de plaats waarop dit voorlopig getuigenverhoor zal plaatsvinden, alsmede de dag waarop verzoekster uiterlijk een afschrift van het verzoekschrift en van de daarop te geven beschikking aan gerekwestreerde moet doen toekomen en voorts met uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verzochte beschikking.

Op 10 augustus 2006 is ter griffie van het hof een verweerschrift van de zijde van Philips c.s. ontvangen, waarin Philips c.s. verzoekt het door Van der Graaf c.s. gedane verzoek tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor af te wijzen, met veroordeling van Van der Graaf c.s. in de kosten.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken.

Ter zitting van 31 augustus 2006 is de zaak behandeld.

De beoordeling

1. Een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor als bedoeld in artikel 186 Rv, kan, als het overigens aan de eisen voor toewijzing daarvan voldoet, worden afgewezen onder meer op de grond dat de verzoeker bij toewijzing van het verzoek onvoldoende belang heeft (HR 11 februari 2005, NJ 2005/442).

2. Door Van der Graaf c.s. is aangevoerd dat op 13 september 2006 het slotpleidooi zal plaatsvinden in een procedure die bij het gerechtshof te Leeuwarden tussen Van der Graaf c.s. en Philips c.s. aanhangig is. Voordat dat slotpleidooi plaatsvindt, wil Van der Graaf c.s. een getuige laten horen. Deze getuige betreft een zekere [getuige] die, zo stelt Van der Graaf c.s., een verklaring zal afleggen die tot het oordeel zal leiden dat Van der Graaf c.s. jegens Philips c.s. niet, althans beperkt, aansprakelijk is. Van der Graaf c.s. acht het horen van [getuige] vóór de datum van het slotpleidooi wenselijk, opdat hetgeen [getuige] zal verklaren in het slotpleidooi kan worden meegenomen.

3. Philips c.s. heeft het verzoek bestreden en tot haar verweer aangevoerd dat Van der Graaf c.s. geen belang heeft bij haar verzoek, onder meer omdat de feiten op grond waarvan de rechtbank in eerste aanleg heeft beslist dat Van der Graaf c.s. aansprakelijk is, buiten het kader vallen van de door de grieven ontsloten rechtsstrijd in hoger beroep. Philips c.s. heeft voorts aangevoerd dat Van der Graaf c.s. niet aangeeft welk belang is gediend met het in dit stadium van de procedure houden van een voorlopig getuigenverhoor en waarom niet gewacht zou kunnen worden of een bewijsopdracht wordt verstrekt en aan welke partij. Philips c.s. heeft voorts gesteld dat het verzoek in strijd is met een goede procesorde, omdat Van der Graaf c.s. in twee instanties haar processuele stelplicht stelselmatig verzaakt om dan vlak voor pleidooi in appel een voorlopig getuigenverhoor te vragen.

4. Het hof is van oordeel dat, zonder nadere toelichting, die door Van der Graaf c.s. niet is gegeven, niet duidelijk is, welk belang thans is gediend met het horen van een getuige vóór het slotpleidooi. Daarbij neemt het hof in overweging dat voor zover de door de rechtbank als vaststaand aangenomen feiten al in hoger beroep door Van der Graaf c.s. in haar grieven zijn bestreden, een eventueel tussenarrest duidelijkheid kan scheppen ten aanzien van de naar 's hofs oordeel (eventueel) te bewijzen stellingen en de bewijslast(verdeling) daaromtrent.

5. Aan het vorenoverwogene doet niet af dat de raadsman van Van der Graaf c.s. in antwoord op een vraag van het hof heeft bevestigd dat het verzoek tot het houden van een voorlopige getuigenverhoor, in wezen ertoe strekt om de verklaring van de door hem genoemde getuige vóór het pleidooi in het geding te

brengen en aldus te bewerkstelligen dat het verzoek van Van der Graaf c.s. om de betreffende getuige te horen, welk verzoek ook in eerste aanleg is gedaan maar door de rechtbank is afgewezen en tegen welke afwijzing Van der Graaf c.s. uitdrukkelijk een grief heeft gericht, door het hof wél zal worden gehonoreerd. Naar 's hofs oordeel is het door Van der Graaf c.s. op deze wijze nagestreefd doel geen belang dat het houden van een voorlopig getuigenverhoor in dit stadium van de procedure rechtvaardigt. Daarbij betrekt het hof ook dat Van der Graaf c.s. heeft aangegeven wel de beschikking te hebben over een door de betreffende getuige ten overstaan van een juridisch adviseur afgelegde verklaring, die door de adviseur op papier is gezet en welke verklaring derhalve wél in het geding kan worden gebracht.

6. Voorzover namens Van der Graaf c.s. ter zitting van het hof ten slotte nog is aangevoerd dat een mogelijk verder verwijderd belang is dat een verzoek kan worden ingediend om het slotpleidooi aan te houden, wanneer het feitelijk onmogelijk mocht zijn het voorlopig getuigenverhoor vóór het nu nog op 13 september 2006 geplande slotpleidooi te houden, is ook dat geen belang dat het houden van een voorlopig getuigenverhoor rechtvaardigt.

7. Het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, brengt met zich dat Van der Graaf c.s. op dit moment onvoldoende belang heeft bij toewijzing van het verzoek.

Slotsom

8. Het verzoek zal worden afgewezen.

9. Van der Graaf c.s. zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding worden veroordeeld, welke kosten voor wat betreft het salaris voor de procureur worden begroot op 2 procespunten, tarief I.

De beslissing

Het gerechtshof:

wijst af het verzoek van Van der Graaf c.s. tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor;

veroordeelt Van der Graaf c.s. in de kosten van het geding en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van Philips op euro 296,-- aan griffierecht en

euro 768,-- aan salaris voor de procureur.

Aldus gegeven door mrs Melssen, voorzitter, Garos en Tromp, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Mellink als griffier, ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 6 september 2006.