Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AY7610

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-09-2006
Datum publicatie
06-09-2006
Zaaknummer
BK 789/04 Onroerende-zaakbelastingen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of de onroerende zaak in het kader van de onroerende zaakbelastingen moet worden aangemerkt als een woning, hetgeen de belanghebbende bepleit, of als een niet-woning, hetgeen de heffingsambtenaar voorstaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-1666

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 789/04 1 september 2006

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van Stichting X te Z

(: belanghebbende) tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Delfzijl (: de heffingsambtenaar), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde aanslagen in de onroerende zaakbelastingen over het jaar 2004.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Op 27 februari 2004 is belanghebbende aangeslagen in de onroerende zaakbelastingen (eigenaar en gebruiker) voor de onroerende zaak gelegen aan de a-straat 23 te Z (: de onroerende zaak).

1.2 Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij de bestreden uitspraak van 11 augustus 2004 het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3 Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een pro forma beroepschrift (met bijlagen) dat op 3 september 2004 bij het hof is ingekomen. Op 25 oktober 2004 is de motivering van het beroep bij het hof ingekomen.

1.4 Nadat de heffingsambtenaar zijn verweerschrift (met bijlagen) op 10 december 2004 heeft ingezonden, heeft hij een afschrift van de Verordening onroerendezaakbelastingen 2004 van de gemeente Delfzijl (: de Verordening) aan het hof gestuurd.

1.5 De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 21 november 2005, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de heer A als gemachtigde van belanghebbende (: de gemachtigde) en namens de heffingsambtenaar de heer B, bijgestaan door de heer C. De gemachtigde heeft de door hem overgelegde pleitnota (met bijlagen) voorgelezen en overgelegd. De gemachtigde heeft een afschrift van de Verordening ter zitting ontvangen. Het onderzoek ter zitting is vervolgens geschorst en het vooronderzoek is hervat.

1.6 Als reactie op de voormelde pleitnota (met bijlagen) heeft de heer C van de zijde van de heffingsambtenaar op 23 december 2005 berekeningen met begeleidend schrijven ingestuurd, waarop vervolgens de gemachtigde bij brief van 24 januari 2006 (met bijlagen) heeft gereageerd.

1.7 De mondelinge behandeling is voortgezet ter zitting van 16 juni 2006, gehouden te Leeuwarden, alwaar dezelfde personen aanwezig waren als op 21 november 2005. Beide partijen hebben ter zitting, zonder bezwaar van de andere partij, plattegronden overgelegd van de onroerende zaak.

1.8 Van alle vermelde (en hierna nog te vermelden) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting stelt het hof als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1 De belanghebbende is in het onderhavige jaar eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak. De onroerende zaak betreft een uit vier bouwlagen bestaand verzorgingstehuis, dat over een- en tweepersoonsappartementen beschikt. De afzonderlijk genummerde appartementen zijn afsluitbaar, hebben een keukenblok en badkamer met toilet. Het keukenblok bestaat uit een koelkast, waterkoker, koffiezetapparaat en een warmhoudplaatje. Daarnaast behoren blijkens de overgelegde plattegronden tot de onroerende zaak ook recreatie-, verzorgingsruimtes en centrale voorzieningen. Alle bewoners behoeven in enigerlei mate verzorging.

2.2 De belanghebbende berekent de aan de een- en tweepersoonsappartementen toe te rekenen oppervlakte in totaal op 3.096 m², terwijl de totale bebouwde oppervlakte volgens haar 6.321 m² bedraagt. De heffingsambtenaar gaat uit van respectievelijk 2.443 m² en 6.238 m². Het verschil tussen de door beide partijen gehanteerde vierkante meters wordt veroorzaakt door het aantal en de oppervlakte van de tweepersoonsappartementen, alsmede door de aan- dan wel afwezigheid van appartementen op de derde verdieping.

2.3 Met dagtekening 27 februari 2004 zijn aan belanghebbende als eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak aanslagen in de onroerende zaakbelastingen opgelegd. Daarbij is het belastingtarief toegepast voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen. Op het bezwaar van de belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij de bestreden uitspraak van 11 augustus 2004 de aanslagen gehandhaafd.

3. Het geschil en standpunten van partijen

3.1 Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of de onroerende zaak in het kader van de onroerende zaakbelastingen moet worden aangemerkt als een woning, hetgeen de belanghebbende bepleit, of als een niet-woning, hetgeen de heffingsambtenaar voorstaat.

3.2 De belanghebbende is van mening dat de woonoppervlakte in hoofdzaak de totale brutovloeroppervlakte van de onroerende zaak bedraagt, zodat de waarde van de onroerende zaak in hoofdzaak moet worden toegerekend aan delen van de onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Op die grond acht belanghebbende het tarief voor woningen van toepassing. De gemachtigde heeft hieraan nog toegevoegd dat een eenvoudige toerekening van vierkante meters aan wonen en niet-wonen onjuist is omdat de appartementen een hogere waarde vertegenwoordigen dan de overige delen. De oppervlakten van de appartementen dienen in verband hiermee naar zijn mening te worden vermenigvuldigd met een factor 1,2. Tevens is hij van mening dat de oppervlakte van de aan de appartementen grenzende gangen volledig gerekend dient te worden tot de woondoeleinden. De oppervlakte van de gangen berekent de gemachtigde voor de onderhavige onroerende zaak op 825 m². Het percentage van de oppervlakte dat bestemd is voor woondoeleinden komt volgens de gemachtigde uit op afgerond (3.096 x 1,2 + 825) : 6.321 = 71,83%.

3.3 De heffingsambtenaar houdt onverkort vast aan zijn opvatting dat de aanslagen terecht zijn opgelegd naar het belastingtarief dat geldt voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen. Ter zitting heeft hij echter meegedeeld dat hij de in het verweerschrift gegeven onderbouwing voor dit standpunt niet langer handhaaft. Hij stelt zich thans op het standpunt dat de voor woondoeleinden bestemde oppervlakte, overeenkomstig zijn tot de gedingstukken behorende berekening, slechts 39,16% bedraagt van de totale bebouwde oppervlakte, zodat de onroerende zaak niet in hoofdzaak tot woning dient en toepassing van het woningtarief niet aan de orde is. De gangen dienen naar de mening van de heffingsambtenaar niet aan woondoeleinden te worden toegerekend. Hij erkent dat er verschil in herbouwwaarde kan zijn van de verschillende ruimtes, maar hij acht het niet juist dat gekeken wordt naar de waarde.

3.4 Voor een uitgebreidere weergave van de standpunten van partijen en de gronden waarop deze berusten verwijst het gerechtshof naar de van partijen afkomstige stukken.

4. De rechtsoverwegingen

4.1 De Verordening kent aparte belastingtarieven voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen (: woningen) en onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen (: niet-woningen).

4.2 Op grond van artikel 220f, tweede en derde lid, van de Gemeentewet (tekst 2004) wordt voor de toepassing van het tarief een onroerende zaak als woning aangemerkt indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van de onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Op grond van vaste jurisprudentie moet onder “in hoofdzaak” worden verstaan: voor tenminste 70 procent.

4.3 Op grond van de vastgestelde feiten zijn de een- en tweepersoonsappartementen naar het oordeel van het hof aan te merken als onzelfstandige eenheden waarbij de woonfunctie overheerst. De eenheden zijn onzelfstandig wegens het ontbreken van adequate voorzieningen voor het bereiden van een warme maaltijd. De woonfunctie overheerst, omdat de bewoners door de aard en inrichting van de appartementen in staat blijven de regie over het eigen leven te voeren. Daarbij is de door een verzorgingstehuis geboden zorg en service niet van zodanige aard dat de zorgfunctie in wezen de hoofdfunctie vormt.

4.4 Alsdan dienen delen van de onderhavige onroerende zaak tot woning, zodat het hof voor de tariefstoepassing - anders dan de heffingsambtenaar ter zitting heeft gesteld - de waardeverhouding als bedoeld onder 4.2 moet vaststellen.

4.5 De belanghebbende heeft gekozen voor een waardeverdeling naar rato van de bebouwde oppervlakte, waarbij met de hogere herbouwwaarde van de appartementen rekening wordt gehouden door toepassing van de factor 1,2. Het hof zal belanghebbende hierin volgen nu deze factor het hof niet onjuist voorkomt en de heffingsambtenaar ook uitgaat van een verdeling naar rato van de bebouwde oppervlakte en bovendien ter zitting heeft erkend dat er verschil in herbouwwaarde kan zijn van de verschillende ruimtes.

4.6 Naar het oordeel van het hof kunnen binnen de onroerende zaak alleen de appartementen worden gerekend tot de delen die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. De verkeersruimten, waaronder de gangen, en alle overige op verzorging en ontspanning gerichte ruimten zijn naar het oordeel van het hof tevens dienstbaar aan de bedrijfsmatige verzorging van de bewoners van de appartementen en daartoe mede in gebruik bij het personeel van de belanghebbende, zodat de waarde daarvan tot het aandeel niet-woningen moet worden gerekend.

4.7 Vorenstaande brengt met zich dat het waardeaandeel van de appartementen in de voor de gehele onroerende zaak vastgestelde waarde, ook wanneer het hof uitgaat van de door belanghebbende onder 2.2 vermelde oppervlaktes, minder dan 70 procent bedraagt. De aan de appartementen toegekende waarde naar rato van de bebouwde oppervlakte bedraagt alsdan immers 1,2 x 3.096 m² = 3.715 m², terwijl de totale waarde naar rato van de bebouwde oppervlakte 6.321 m² + 0,2 x 3.096 m² = 6.940 m² bedraagt.

4.8 Op grond van het voorgaande heeft, naar het oordeel van het hof, de heffingsambtenaar de onroerende zaak voor de toepassing van het tarief terecht als niet-woning aangemerkt. Het hof zal het beroep ongegrond verklaren.

5. De proceskosten

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht nu van zodanige kosten niet is gebleken.

6. De beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 1 september 2006 door mr. G.M. van der Meer, raadsheer en voorzitter, mr. J. Huiskes, raadsheer, mr. H. Bakker, raadsheer-plaatsvervanger, op die dag in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. de Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 6 september 2006 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.