Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AY4127

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-07-2006
Datum publicatie
18-07-2006
Zaaknummer
0500289
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wil er met betrekking tot de onderhavige foto sprake zijn van een werk als bedoeld in art. 1 Auteurswet, dan is vereist dat de desbetreffende creatie een eigen oorspronkelijk karakter heeft en het persoonlijk stempel van de maker draagt. Daarbij is uitgangspunt dat ook foto's originele scheppingen kunnen zijn, zulks reeds op grond van art. 10 lid 1 sub 9 Auteurswet.

[de Industrie- en Handelsonderneming] heeft in haar gedingstukken niet in toereikende mate uiteengezet wat haars inziens het eigen karakter van de foto is, als gevolg waarvan de foto zou kunnen worden aangemerkt als een werk in de zin van de Auteurswet. De facto heeft zij volstaan met de herhaalde stelling dat sprake is van een werk in meerbedoelde zin, daartoe - in reactie op het door [de Handelsmaatschappij] gevoerde verweer dat van een werk geen sprake is - in haar laatst genomen akte slechts aanvoerende dat haar werkneemster [werkneemster] de foto heeft genomen "met gebruikmaking van haar eigen interpretatie van het geheel". In het verband van de vraag wie als auteursrechthebbende op de foto is aan te merken, heeft [de Industrie- en Handelsonderneming] verder nog gesteld dat de fotograaf slechts "fysiek uitvoerder" is geweest en dat zij ([de Industrie- en Handelsonderneming]) de samenstelling van de te fotograferen objecten, de kleuren en de gehele setting heeft bedacht en voorbereid, doch dit een en ander ziet niet zozeer op het makerschap van een fotografisch werk als zodanig doch veeleer op het makerschap van het op de foto vastgelegde werk, welk laatste onderwerp als reeds overwogen niet de inzet is van het geding.

Met betrekking tot de eveneens door [de Industrie- en Handelsonderneming] geponeerde stelling dat zij heeft aangegeven van welke afstand en uit welke hoek gefotografeerd moest worden, overweegt het hof dat aan de hand van de gedeponeerde foto's niet valt waar te nemen dat op dit of enig ander punt sprake is van een eigen karakter, nu de foto ten aanzien waarvan naar stelling van [de Industrie- en Handelsonderneming] sprake is van een auteursrechtelijke inbreuk, een sterk "technisch" karakter heeft waaruit niet een persoonlijk stempel van de maker blijkt.

Het boven overwogene leidt het hof tot de conclusie dat er met betrekking tot de ten processe relevante foto geen sprake is van een werk in auteursrechtelijke zin, zodat daarop de vorderingen van [de Industrie- en Handelsonderneming] dienen te stranden.

Wetsverwijzingen
Ambtenarenwet
Ambtenarenwet 1
Ambtenarenwet 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2006/408
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 12 juli 2006

Rolnummer 0500289

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[de Industrie- en Handelsonderneming],

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [de Industrie- en Handelsonderneming] ,

procureur P. Tuinman,

tegen

[de Handelsmaatschappij],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [de Handelsmaatschappij],

procureur: mr P.R. van den Elst.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 15 september 2004, 27 oktober 2004 en 23 februari 2005 door de rechtbank te Assen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 18 mei 2005 is door [de Industrie- en Handelsonderneming] hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 23 februari 2005 met dagvaarding van [de Handelsmaatschappij] tegen de zitting

van 1 juni 2005.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"het tussen partijen op 23 februari 2005 gewezen vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende de inleiding vordering van [de Industrie- en Handelsonderneming] alsnog toe te wijzen met veroordeling van [de Handelsmaatschappij] in de kosten van de procedure in beide instanties.

Bij memorie van antwoord is door [de Handelsmaatschappij] verweer gevoerd met als conclusie:

"om [de Industrie- en Handelsonderneming], appellante, niet ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep en in haar vordering, althans haar vorderingen te ontzeggen als zijnde ongegrond met - al dan niet onder verbetering van de gronden - bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank Assen d.d. 23 februari 2005 tussen partijen gewezen, met veroordeling van appellante in de kosten van beide instanties.

[de Industrie- en Handelsonderneming] heeft vervolgens nog een akte ter rolle genomen.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[de Industrie- en Handelsonderneming] heeft drie grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. Nu [de Industrie- en Handelsonderneming] geen grieven heeft aangevoerd tegen de vaststelling door de rechtbank van de feiten in r.o. 1 van het beroepen vonnis, zal ook het hof van deze feiten uitgaan.

2. In haar appeldagvaarding heeft [de Industrie- en Handelsonderneming] gesteld in hoger beroep te komen van zowel het vonnis in de hoofdzaak, op 23 februari 2005 onder zaaknummer 47014 gewezen tussen [de Industrie- en Handelsonderneming] en [de Handelsmaatschappij], als van het vonnis dat op gelijke datum onder zaaknummer 48786 is gewezen in de vrijwaringszaak tussen [de Handelsmaatschappij] en Pearl Paint Holland BV. Nu evenwel [de Industrie- en Handelsonderneming] in laatstgenoemde zaak geen partij is, en reeds om die reden daarvan geen appel kan instellen, zal zij in het hoger beroep van deze zaak niet-ontvankelijk worden verklaard. Aan de orde is mitsdien thans enkel het eindvonnis in de hoofdzaak tussen [de Industrie- en Handelsonderneming] en [de Handelsmaatschappij].

3. [de Industrie- en Handelsonderneming] baseert in deze zaak haar tegen [de Handelsmaatschappij] ingestelde vorderingen op een inbreuk door [de Handelsmaatschappij] op het auteursrecht dat zij ([de Industrie- en Handelsonderneming]) stelt te hebben op een foto waarop - in essentie weergegeven - te zien is een houten tuinhuisje, vlonders en pergola's in een landelijke omgeving, welke foto is geplaatst in een door haar in 1996 uitgegeven jubileumnummer van de "Tuinplezier Koerier 1996". De gestelde inbreuk door [de Handelsmaatschappij] bestaat naar stelling van [de Industrie- en Handelsonderneming] hierin dat eerstgenoemde dezelfde foto heeft afgedrukt in een door haar uitgegeven catalogus onder de naam "Tuindeco catalogus 2003".

4. De rechtbank heeft de vorderingen van [de Industrie- en Handelsonderneming] afgewezen - kortweg - omdat zij van oordeel was dat [de Industrie- en Handelsonderneming] geen auteursrechthebbende is op de door [de Handelsmaatschappij] gepubliceerde foto. Tegen deze afwijzing en de gronden waarop zij berust, zijn de door [de Industrie- en Handelsonderneming] voorgedragen grieven gericht.

5. [de Industrie- en Handelsonderneming] heeft aan haar vordering niet ten grondslag gelegd dat het op de foto afgebeelde tuinhuisje c.a. in zijn specifieke opstelling het object is van de door haar ingeroepen auteursrechtelijke bescherming. Zij heeft weliswaar in haar laatst genomen akte gesteld dat de te fotograferen "producten en omgeving" door haar zijn aangedragen en zij heeft ontkend dat de op de foto waarneembare opstelling waarin het tuinhuisje c.a. is afgebeeld, "een kant en klaar optrekje" was van één van haar medewerkers, doch zij heeft niet het standpunt betrokken dat de op de foto vastgelegde opstelling als zodanig moet worden aangemerkt als het "werk" in de zin van artikel 1 Auteurswet. Immers, [de Industrie- en Handelsonderneming] heeft aan haar vordering expliciet ten grondslag gelegd dat het de foto is die dient te worden aangemerkt als het "werk" in auteursrechtelijke zin, van welk werk zij voorts stelt de "maker" te zijn op grond van het bepaalde in de artikelen 6, 7 en 8 Auteurswet. Het eventuele auteursrecht van de "architect" van de op de foto waarneembare opstelling van het tuinhuisje c.a. en zijn omgeving, is in deze procedure derhalve niet aan de orde.

6. Nu [de Handelsmaatschappij] in het hoger beroep onder meer - mede door aan te sluiten bij de dienovereenkomstige opstelling van Pearl Paint Holland BV zoals deze blijkt uit diens conclusie van antwoord in vrijwaring in prima - als verweer heeft gevoerd dat de onderhavige foto niet dient te worden bestempeld als een "werk" in auteursrechtelijke zin en mitsdien niet kan worden aangemerkt als object van auteursrechtelijke bescherming, zal het hof thans eerst op dit verweer ingaan nu het de verste strekking heeft.

7. Wil er met betrekking tot de onderhavige foto sprake zijn van een werk als bedoeld in art. 1 Auteurswet, dan is vereist dat de desbetreffende creatie een eigen oorspronkelijk karakter heeft en het persoonlijk stempel van de maker draagt. Daarbij is uitgangspunt dat ook foto's originele scheppingen kunnen zijn, zulks reeds op grond van art. 10 lid 1 sub 9 Auteurswet.

8. [de Industrie- en Handelsonderneming] heeft in haar gedingstukken niet in toereikende mate uiteengezet wat haars inziens het eigen karakter van de foto is, als gevolg waarvan de foto zou kunnen worden aangemerkt als een werk in de zin van de Auteurswet. De facto heeft zij volstaan met de herhaalde stelling dat sprake is van een werk in meerbedoelde zin, daartoe - in reactie op het door [de Handelsmaatschappij] gevoerde verweer dat van een werk geen sprake is - in haar laatst genomen akte slechts aanvoerende dat haar werkneemster [werkneemster] de foto heeft genomen "met gebruikmaking van haar eigen interpretatie van het geheel". In het verband van de vraag wie als auteursrechthebbende op de foto is aan te merken, heeft [de Industrie- en Handelsonderneming] verder nog gesteld dat de fotograaf slechts "fysiek uitvoerder" is geweest en dat zij ([de Industrie- en Handelsonderneming]) de samenstelling van de te fotograferen objecten, de kleuren en de gehele setting heeft bedacht en voorbereid, doch dit een en ander ziet niet zozeer op het makerschap van een fotografisch werk als zodanig doch veeleer op het makerschap van het op de foto vastgelegde werk, welk laatste onderwerp als reeds overwogen niet de inzet is van het geding.

Met betrekking tot de eveneens door [de Industrie- en Handelsonderneming] geponeerde stelling dat zij heeft aangegeven van welke afstand en uit welke hoek gefotografeerd moest worden, overweegt het hof dat aan de hand van de gedeponeerde foto's niet valt waar te nemen dat op dit of enig ander punt sprake is van een eigen karakter, nu de foto ten aanzien waarvan naar stelling van [de Industrie- en Handelsonderneming] sprake is van een auteursrechtelijke inbreuk, een sterk "technisch" karakter heeft waaruit niet een persoonlijk stempel van de maker blijkt.

9. Het boven overwogene leidt het hof tot de conclusie dat er met betrekking tot de ten processe relevante foto geen sprake is van een werk in auteursrechtelijke zin, zodat daarop de vorderingen van [de Industrie- en Handelsonderneming] dienen te stranden. Zulks maakt een verdere inhoudelijke bespreking van de grieven overbodig. Honorering van enig bewijsaanbod is niet aan de orde, nu de kwalificatie aan de hand van de ten processe gebleken feiten en omstandigheden of (al dan niet) sprake is van een werk in auteursrechtelijke zin, zich als zodanig niet leent voor een bewijslevering.

10. Mitsdien zal het hof het beroepen vonnis waarin de rechtbank eveneens tot afwijzing van het gevorderde is gekomen, op de gronden als boven weergegeven bekrachtigen, onder verwijzing van [de Industrie- en Handelsonderneming] als de in hoger beroep in het ongelijk te stellen partij in de kosten van deze instantie (1 punt in tarief II).

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart [de Industrie- en Handelsonderneming] niet-ontvankelijk in haar beroep tegen het vonnis d.d. 23 februari 2005 onder zaaknummer 48786;

bekrachtigt het vonnis d.d. 23 februari 2005 gewezen onder zaaknummer 47014, waarvan beroep;

veroordeelt [de Industrie- en Handelsonderneming] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [de Handelsmaatschappij] begroot op euro 291 aan verschotten en euro 894,-- voor salaris.

Aldus gewezen door mrs Knijp, voorzitter, Telman en Kuiper, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Mellink als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 12 juli 2006.