Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AY4093

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-07-2006
Datum publicatie
18-07-2006
Zaaknummer
0500418
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat de snelheid, waarmee [betrokkene] in de bebouwde kom reed, niet van beslissende betekenis is voor de beoordeling van het geschil. Het staat immers vast dat het ongeluk heeft plaatsgevonden buiten de bebouwde kom, waar de maximaal toegestane snelheid 80 km/uur bedraagt. Er is geen rechtsregel aan te wijzen waaruit volgt dat kort na het passeren van de bebouwde kom niet reeds 80 km/uur gereden mag worden. Aan de omstandigheid dat dit technisch gezien slechts mogelijk is indien binnen de bebouwde kom al (aanzienlijk) harder dan 50 km/uur wordt gereden [..] kan niet die betekenis worden toegekend, die [geïntimeerde] daaraan gehecht wenst te zien, nu - wat er verder ook van de snelheidsovertreding in de bebouwde kom zij, waarop het hof hieronder nog nader zal ingaan - [betrokkene] op de plek van het ongeval 80 km/uur mocht rijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 12 juli 2006

Rolnummer 0500418

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

Univé Schade N.V.,

gevestigd te Assen,

appellante in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,

rechtsopvolgster van Univé Schade B.A.,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: Univé,

procureur: mr P.R. van den Elst,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal en appellant in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr J.F. Rouwé-Danes.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen gewezen tussen [geïntimeerde] en Univé Schade B.A., die zijn uitgesproken op 17 november 2004 en 29 juni 2005 door de rechtbank Assen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 4 augustus 2005 is door Univé hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 29 juni 2005 met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 7 september 2005.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"te vernietigen het vonnis op 29 juni 2005 onder zaaknummer: 47878/HA ZA 04-603 door de rechtbank te Assen gewezen en opnieuw rechtdoende, bij arrest voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] alsnog in de door hem ingestelde vordering niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze vordering af te wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het door de Rechtbank Assen op 29 juni 2005 onder zaaknummer 47878/HA ZA 04-603 gewezen vonnis tussen appellant als gedaagde en geïntimeerde als eiser, al dan niet met verbetering en/of aanvulling van gronden, waarop het vonnis berust en opnieuw rechtdoende te verklaren voor recht dat Univé als verzekeraar van [betrokkene] voor 80% althans een zodanig percentage als uw Hof in goede justitie meent te behoren, aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] geleden schade en Univé te veroordelen tot vergoeding van de door [geïntimeerde] geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerdert met de wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van Univé in de kosten van beide instanties, althans al dan niet met verbetering en/of aanvulling van gronden, waarop het vonnis berust en het vonnis te bekrachtigen en opnieuw rechtdoende appellante in haar vordering niet ontvankelijk te verklaren, althans haar die vordering te ontzeggen met veroordeling van appellante in de kosten van de pocedures in beide instanties."

Voorts heeft Univé een akte genomen en heeft [geïntimeerde] een antwoordakte genomen.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

Univé heeft in het principaal appel zeven grieven opgeworpen.

[geïntimeerde] heeft in de kop van de memorie van antwoord niet vermeld dat deze tevens een incidenteel appel bevat. De memorie van antwoord bevat naar het oordeel van het hof evenwel onmiskenbaar een incidenteel appel, gelet op het daarin neergelegde bezwaar tegen het voornoemde vonnis van de rechtbank en het petitum in appel, dat er toe strekt dat zijn vordering in prima alsnog wordt toegewezen (vergelijk HR 12 april 2002, NJ 2002, 297). [geïntimeerde] heeft in het incidenteel appel één (verholen) grief opgeworpen, strekkend tot het verkrijgen van een verklaring voor recht dat Univé voor 80%, althans enig lager percentage, aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] geleden schade, alsmede tot vergoeding van die schade, op te maken bij staat, vermeerderd met enkele nevenvorderingen. Voor zover [geïntimeerde] in diens verholen grief (punt 34 van de memorie van antwoord) een 100%-aansprakelijkheid van Univé heeft bepleit, gaat het hof daaraan voorbij nu [geïntimeerde] heeft nagelaten zulks in zijn petitum tot uitdrukking te brengen. Immers, de omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep wordt begrensd door de inhoud van de grieven alsmede het petitum.

De beoordeling

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 1.1 tot en met 1.4 van genoemd vonnis d.d. 29 juni 2005 is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Tevens is in hoger beroep - voor zover thans van belang - als onweersproken gesteld nog komen vast te staan:

1.1 [geïntimeerde] is vóór de kruising De Hooilanden/Hoofdstraat niet gestopt om aan [betrokkene] voorrang te verlenen, maar met een snelheid van circa 20 km/uur met zijn auto de kruising opgereden. Hij heeft daarbij de ter plaatse aanwezige "haaientanden" alsmede het verkeersbord B6 ("verleen voorrang aan bestuurders van de kruisende weg") genegeerd.

2. Het gaat in dit geding in essentie om het volgende.

2.1 Op 30 januari 1997 omstreeks 8.30 uur heeft op de Hoofdstraat van Lettelbert (gemeente Leek) een aanrijding plaatsgevonden tussen twee personenauto's. Bij dit ongeluk waren betrokken een Ford Fiësta (kenteken [kenteken 1]), die werd bestuurd door [geïntimeerde], en een Mazda 626 (kenteken [kenteken 2]), die werd bestuurd door [betrokkene]. Univé is de WAM-verzekeraar van [betrokkene].

2.2 De aanrijding vond plaats ter hoogte van de T-kruising van de Hoofdstraat met De Hooilanden. Deze kruising bevindt zich op circa 25 meter afstand van het einde van de bebouwde kom van Lettelbert. De toegestane snelheid ter plaatse bedraagt 80 km/uur. De Hoofdstraat is een voorrangsweg.

2.3 Direct voorafgaand aan de aanrijding was de situatie als volgt. [geïntimeerde] kwam vanuit De Hooilanden aangereden en [betrokkene] reed met zijn auto op de Hoofdstraat, komende vanuit de richting Lettelbert. [geïntimeerde] is, zonder voorrang te verlenen aan [betrokkene], linksaf geslagen en de Hoofdstraat richting Lettelbert opgereden. Onmiddellijk daarna heeft de hiervoor bedoelde botsing plaatsgevonden, waarbij (voor zover hier van belang) de auto van [geïntimeerde] zeer zwaar beschadigd is geraakt en [geïntimeerde] ernstige verwondingen heeft opgelopen. Het ongeval vond plaats op ongeveer 22 meter afstand van het einde van de bebouwde kom.

3. [geïntimeerde] stelt zich in deze procedure op het standpunt dat het ongeval in overwegende mate door toedoen van [betrokkene] is veroorzaakt. De fout die hij zelf heeft gemaakt (het niet verlenen van voorrang) valt daarbij zijns inziens in het niet. Volgens [geïntimeerde] blijkt uit rapportages van het Gerechtelijk Laboratorium (thans: Nederlands Forensisch Instituut) te Rijswijk en Ongevallen Analyse Nederland (OAN) dat [betrokkene], toen hij de kruising met De Hooilanden naderde, (veel) harder reed dan ter plaatse is toegestaan. Dit was al het geval toen [betrokkene] nog in de bebouwde kom reed. Buiten de bebouwde kom werd de snelheidsovertreding voortgezet, aldus [geïntimeerde]. Hij heeft in eerste aanleg zowel [betrokkene] als Univé gedagvaard en gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat Univé als verzekeraar van [betrokkene] voor 80% aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] geleden schade en voorts dat Univé wordt veroordeeld tot vergoeding van de door [geïntimeerde] geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, één en ander te vermeerderen met rente en kosten. Hij heeft geen vordering jegens [betrokkene] ingesteld.

4. Univé heeft - kort samengevat - tot haar verweer aangevoerd dat niet is gebleken dat [betrokkene] met een hogere dan de toegestane snelheid heeft gereden, althans dat de overschrijding van de toegestane snelheid zo beperkt is geweest dat dit niet leidt tot mede-aansprakelijkheid van Univé. De aanrijding is enkel en alleen door de voorrangsfout van [geïntimeerde] ontstaan, aldus Univé.

5. De rechtbank heeft - nadat zij heeft overwogen dat "met name of zelfs uitsluitend" de door [betrokkene] gevoerde snelheid aan het einde van de bebouwde kom van belang is voor het antwoord op de vraag of [betrokkene] onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld - bij het bestreden vonnis geoordeeld dat voldoende bewijs is bijgebracht om te concluderen dat [betrokkene] de maximumsnelheid ter hoogte van het einde van de bebouwde kom exorbitant heeft overschreden. [betrokkene] heeft daardoor een gevaarzettende situatie geschapen en hiermee de op hem rustende plicht om te anticiperen op de voorrangsfout van [geïntimeerde] veronachtzaamd. Deze gedraging moet als onrechtmatig jegens [geïntimeerde] worden bestempeld. Nu aan [geïntimeerde] evenwel kan worden verweten dat hij [betrokkene] geen voorrang heeft verleend, dienen partijen ieder de helft van de schade van [geïntimeerde] als gevolg van het ongeval te dragen, aldus nog steeds de rechtbank. Zij heeft bij het bestreden vonnis dienovereenkomstig beslist.

6. Door de inhoud van de grieven in het principaal appel, tezamen met de grief in het incidenteel appel, wordt het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof onderworpen.

7. Bij de beoordeling van het geschil dient het volgende tot uitgangspunt te worden genomen.

7.1 De aanrijding en de daarmee verbandhoudende schade zijn - in elk geval: mede - het gevolg van het feit dat [geïntimeerde], in strijd met de op hem rustende verplichting uit de wegenverkeerswetgeving, het kruisingsvlak is opgereden zonder daarbij aan [betrokkene] de onbelemmerde doorgang te verlenen.

7.2 Onderzocht dient thans te worden de stelling van [geïntimeerde] dat voor de schade, náást zijn eigen normschending, die hij in hoger beroep voor 20% causaal acht voor de schade, een handeling of omstandigheid aam de zijde van [betrokkene] (mede-)causaal was.

7.3 Aldus doet zich de situatie voor dat [geïntimeerde] zichzelf aanmerkt als benadeelde wegens een gestelde normschending door [betrokkene], welke laatste normschending zijns inziens voor 80% de schade heeft veroorzaakt, en hierin bestaat dat [betrokkene], voorafgaand aan het ongeval dat buiten de bebouwde kom plaats vond, binnen de bebouwde kom een snelheidsovertreding heeft begaan. Daarmee staat het hof voor de vraag of hetgeen [geïntimeerde] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd (te weten een excessieve snelheidsovertreding door [betrokkene] binnen de bebouwde kom) zijn vordering kan dragen en zo ja, in welke mate de daaruit voortvloeiende aansprakelijkheid van [betrokkene] dient te worden verminderd wegens eigen schuld van [geïntimeerde]. Het hof stelt in dit verband voorop dat de norm, die inhoudt dat binnen de bebouwde kom maximaal 50 km/uur mag worden gereden, niet strekt tot bescherming van belangen van weggebruikers buiten de bebouwde kom.

8. Tussen partijen is allereerst in geschil of ter beantwoording van de hiervoor geformuleerde vraag van belang is dat [betrokkene] de bebouwde kom net had verlaten toen hij op de auto van [geïntimeerde] botste. Volgens [geïntimeerde] reed [betrokkene] op dat moment (ook) al veel te hard en zouden de gevolgen van het ongeluk veel minder ernstig zijn geweest indien [betrokkene] zich binnen de bebouwde kom aan de maximaal toegestane snelheid had gehouden. [betrokkene] zou dan met een snelheid van ongeveer 64 km/uur hebben gereden en in dat geval zou er mogelijk alleen sprake zijn geweest van blikschade aan de auto, aldus [geïntimeerde]. Zoals hiervoor al vermeld, heeft de rechtbank [geïntimeerde] op dit punt gevolgd. Grief 1 in het principaal appel is tegen deze beslissing gericht. Volgens Univé is slechts van belang welke snelheid [betrokkene] mocht voeren toen hij zich eenmaal buiten de bebouwde kom bevond.

9. De grief slaagt. Het hof is van oordeel dat de snelheid, waarmee [betrokkene] in de bebouwde kom reed, niet van beslissende betekenis is voor de beoordeling van het geschil. Het staat immers vast dat het ongeluk heeft plaatsgevonden buiten de bebouwde kom, waar de maximaal toegestane snelheid 80 km/uur bedraagt. Er is geen rechtsregel aan te wijzen waaruit volgt dat kort na het passeren van de bebouwde kom niet reeds 80 km/uur gereden mag worden. Aan de omstandigheid dat dit technisch gezien slechts mogelijk is indien binnen de bebouwde kom al (aanzienlijk) harder dan 50 km/uur wordt gereden (vergelijk rapportage OAN d.d. 17 februari 2004, productie 4 bij inleidende dagvaarding, p. 4, laatste alinea) kan niet die betekenis worden toegekend, die [geïntimeerde] daaraan gehecht wenst te zien, nu - wat er verder ook van de snelheidsovertreding in de bebouwde kom zij, waarop het hof hieronder nog nader zal ingaan - [betrokkene] op de plek van het ongeval 80 km/uur mocht rijden.

10. Vervolgens is de vraag aan de orde of [betrokkene], toen hij eenmaal de bebouwde kom had verlaten en dus 80 km/uur mocht rijden, ook aldaar te hard reed

en op die wijze heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade.

11. [geïntimeerde] stelt zich onder verwijzing naar de hiervoor bedoelde rapportages op het standpunt dat de snelheid van [betrokkene] direct voorafgaand aan het ongeval tussen 86 en 95 km/uur moet hebben gelegen.

Univé heeft de uitkomsten van deze rapportages gemotiveerd betwist en daartoe - kort samengevat - gesteld dat de snelheid waarschijnlijk lager heeft gelegen, mogelijk zelfs lager dan de ter plaatse toegestane snelheid. Maar ook in het geval dat er vanuit zou moeten worden gegaan dat [betrokkene] buiten de bebouwde kom harder heeft gereden dan wettelijk is toegestaan, dan geldt nog steeds dat de door [geïntimeerde] gemaakte voorrangsfout aangemerkt moet worden als de (enige) oorzaak van het ongeval. De (eventuele) verkeersfout van [betrokkene] valt bij de voorrangsfout van [geïntimeerde] geheel in het niet, aldus Univé.

12. Met betrekking tot de vraag of [betrokkene] ter plaatse van het ongeval harder dan 80 km/uur heeft gereden, overweegt het hof dat ten processe niet is komen vast te staan dat hij aldaar deze snelheid zodanig heeft overschreden, dat dit jegens [geïntimeerde] als onrechtmatig heeft te gelden, terwijl [geïntimeerde] met zodanige snelheid geen rekening behoefde te houden bij het bepalen van zijn rijgedrag en de daarmee verband houdende verplichting tot het verlenen van voorrang. Het hof neemt hierbij mede in aanmerking dat [geïntimeerde] zelf heeft gesteld (memorie van antwoord, p. 3 en 4, onder punt 14) dat een overschrijding van de maximumsnelheid binnen redelijke grenzen niet tot aansprakelijkheid van de voorrangsgerechtigde leidt.

13. In aanvulling hierop overweegt het hof nog dat ook indien [geïntimeerde] zou hebben beoogd te stellen dat de schade minder ernstig zou zijn geweest indien [betrokkene] om en nabij 80 km/uur zou hebben gereden, deze stelling niet kan slagen. Afgezien van het feit dat thans niet vaststaat dat [betrokkene] 86 à 95 km/uur heeft gereden - waarbij de ondergrens naar het oordeel van het hof nog wel binnen de hiervoor bedoelde "redelijke grenzen" zou passen, maar de bovengrens niet meer - is het hof van oordeel dat ook in het geval [betrokkene] 95 km/uur zou hebben gereden, de voorrangsfout van [geïntimeerde] zoveel ernstiger is, dat de fout van [betrokkene] daarbij in het niet valt (vergelijk HR 4 november 1977, NJ 1978, 146). De voorrangsfout van [geïntimeerde] moet ook dan als de enige rechtens relevante oorzaak van de schade worden aangemerkt.

13.1 [geïntimeerde] is immers - in weerwil van zijn verplichting om aan [betrokkene] voorrang te verlenen - zonder eerst te stoppen de kruising opgereden. Hij heeft derhalve aan [betrokkene] niet een ongehinderde doorgang verleend, waartoe hij wel gehouden was. Hij heeft dit bovendien gedaan bij het naderen van een voorrangsweg, waar ter plaatse 80 km/uur mag worden gereden. Daar komt bij dat uit de eigen verklaring van [geïntimeerde] volgt dat ter hoogte van de kruising (gezien vanuit De Hooilanden) geen vrij zicht is als gevolg van lintbebouwing en de aanwezigheid van verkeersborden (proces-verbaal van de comparitie van partijen in eerste aanleg, p. 1). Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden van de voorrangsplichtige de uiterste voorzichtigheid mag worden gevergd voordat hij besluit om de Hoofdstraat op te rijden. Nu vaststaat dat [geïntimeerde] zonder meer is doorgereden (en vermoedelijk ook niet (goed) heeft gekeken, getuige het feit dat de botsing onmiddellijk na het oprijden van de kruising heeft plaatsgevonden, waaruit kan worden afgeleid dat [betrokkene] zich al vlak vóór de kruising bevond, toen [geïntimeerde] De Hoofdstraat opreed) moet worden vastgesteld dat [geïntimeerde] niet de van hem te vergen voorzichtigheid in acht heeft genomen. Het hof deelt niet het standpunt van [geïntimeerde] dat hij er van mocht uitgaan dat, nu de kruising op circa 25 meter van het einde van de bebouwde kom is gelegen, ter plaatse nog geen 80 km/uur gereden wordt. Het is immers een ervaringsfeit dat automobilisten vaak al vóór het einde van de bebouwde kom de snelheid gaan opvoeren. Ten slotte overweegt het hof dat het vorenstaande anders zou kunnen zijn, indien een voorrangsgerechtigde een dermate excessieve snelheid zou voeren dat de voorrangsplichtige daarmee geen rekening kan en behoeft te houden. Het hof is evenwel niet gebleken van een dergelijke situatie.

14. Gelet op het vorenstaande slagen de grieven 2 tot en met 5 in het principaal appel en faalt de (verholen) grief in het incidenteel appel.

15. De slotsom

Het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd. Het hof zal, opnieuw recht doende, de vordering van [geïntimeerde] alsnog afwijzen. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties, zowel in eerste aanleg (tarief 2, 1,5 punt) als in het principaal appel (eveneens tarief 2, 1,5 punt). Grief 6 in het principaal appel - die is gericht tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg - slaagt derhalve eveneens. Het hof is niet gebleken van proceskosten in het incidenteel appel, die aan de zijde van Univé gevallen zijn, zodat er in zoverre geen plaats is voor een proceskostenveroordeling.

16. Gelet op het vorenstaande heeft Univé bij de bespreking van grief 7 in het principaal appel geen belang meer, nu deze grief enkel gericht tegen de beslissing van de rechtbank als zodanig. Deze grief mist overigens ook een zelfstandige inhoud.

De beslissing

Het gerechtshof:

in het principaal en in het incidenteel appel

vernietigt het vonnis van 29 juni 2005 van de rechtbank Assen waarvan beroep voor zover tussen [geïntimeerde] en Univé Schade B.A. gewezen;

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van Univé:

in eerste aanleg op euro 241,00 aan verschotten en euro 678,00 aan salaris voor de procureur,

in hoger beroep (in het principaal appel) op euro 362,93 aan verschotten en euro 1.341,00 aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de proceskostenveroordeling betreft.

Aldus gewezen door mrs Knijp, voorzitter, Breemhaar en Telman, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Mellink als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 12 juli 2006.