Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AY3927

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
08-06-2006
Datum publicatie
14-07-2006
Zaaknummer
WAHV 06-00257
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overschrijding redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM. Tussen toezending ontvangstbevestiging beroepschrift en uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter is ruim elf maanden verstreken. De tussentijds in dit geval door de officier van justitie uitgevoerde heroverweging is naar haar aard, inhoud en omvang niet van dien aard dat deze termijn daardoor begrijpelijk en aanvaardbaar is. Vernietiging inleidende beschikking.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2007, 17
JWR 2006/58
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 06/00257

8 juni 2006

CJIB 49070019419

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Maastricht

van 6 oktober 2005

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Maastricht ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van Euro 86,- opgelegd ter zake van "bromfiets (constructie max. 45 km/h) overschrijdt max. constructiesnelheid meer dan 20 en t/m 25 km/h", welke gedraging zou zijn verricht op 7 november 2003 in de Verdistraat te Landgraaf.

3.2. De betrokkene voert onder meer aan dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden.

3.3. Uit het dossier blijkt het volgende. Op 8 juli 2004 is de beslissing van de officier van justitie op het beroep tegen de inleidende beschikking aan de betrokkene verzonden. De betrokkene heeft op 20 juli 2004 het bedrag van de sanctie voldaan. Op 17 augustus 2004 is aan de betrokkene een ontvangstbevestiging verzonden van het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie. Op 17 maart 2005 heeft de officier van justitie het dossier samen met een "commentaar van de ovj op bijgaand beroepschrift" doorgezonden naar de rechtbank. Op 25 juli 2005 is aan de betrokkene een oproeping verzonden voor de zitting van de kantonrechter op 22 september 2005. Op 6 oktober 2005 heeft de kantonrechter uitspraak gedaan. Een afschrift van de beslissing is op 10 november 2005 verzonden naar de betrokkene. Op 21 november 2005 is het hoger beroepschrift van de betrokkene ter griffie van de rechtbank ontvangen. Vervolgens is op

6 maart 2006 het dossier doorgezonden naar dit hof, zodat vanaf het moment van de gedraging 28 maanden waren verstreken voordat de zaak ter kennis van het hof is gekomen.

3.4. De advocaat-generaal stelt vast dat tussen de ontvangstbevestiging van het beroep op de kantonrechter en de uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter ruim elf maanden zijn verstreken. Hij is echter van mening dat deze periode niet in zijn geheel gekenmerkt wordt door inactiviteit van de zijde van de officier van justitie aangezien deze de zaak op

17 maart 2005 heeft onderworpen aan een herbeoordeling. Mede omdat het beroep tegen de inleidende beschikking voortvarend zou zijn behandeld komt de advocaat-generaal tot de conclusie dat over het geheel gesproken geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM.

3.5. Het hof is echter van oordeel dat de door de officier van justitie uitgevoerde heroverweging naar haar aard, inhoud en omvang niet van dien aard is dat daardoor de verstreken termijn van ruim elf maanden tussen de ontvangstbevestiging van het beroepschrift van de betrokkene en de oproeping voor de zitting van de kantonrechter begrijpelijk en aanvaardbaar is. Het hof overweegt daartoe dat ingevolge artikel 11, eerste lid, WAHV de officier van justitie het beroepschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank ter kennis dient te brengen binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie, dan wel nadat de termijn daarvoor is verstreken. Nu niet is gebleken dat ten behoeve van de heroverweging enig aanvullend onderzoek is verricht en de standpunten van partijen reeds in een vroeg stadium van de procedure duidelijk waren, valt niet in te zien waarom de heroverweging door de officier van justitie pas zeven maanden na de ontvangstbevestiging van het beroep op de kantonrechter en op deze wijze heeft plaatsgevonden. Van enige voortvarendheid in het vervolg van de procedure waardoor de hierboven genoemde periode van inactiviteit kan worden gecompenseerd is het hof niet gebleken.

3.6. Gelet op het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden. Het hof zal derhalve de bestreden beslissing, de beslissing van de officier van justitie alsmede de inleidende beschikking vernietigen en bepalen dat hetgeen door de betrokkene tot zekerheid is gesteld aan hem zal worden geretourneerd.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 8 juli 2004, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 49070019419 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van Euro 86,-, door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Weenink en Van Wagtendonk, in tegenwoordigheid van De Ruijter als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.