Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AY3620

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-07-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
BK 1135/04 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of de afkoopsommen tot het belastbaar inkomen uit werk en woning van belanghebbende behoren en of de door de verzekeringsmaatschappij ingehouden bedragen aan inkomstenbelasting door belanghebbende kunnen worden verrekend als ingehouden loonheffing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-1319
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. BK 1135/04 7 juli 2006

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te X tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Leeuwarden (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2002.

1. Ontstaan en loop van het geding.

Belanghebbende deed voor het jaar 2002 aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekerin-gen naar een verzamelinkomen als bedoeld in de Wet inkomstenbelasting 2001, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold, (hierna te noemen: de Wet) van € 26.024,-- bestaande uit een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.522,-- en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 502,--. De ingehouden loonheffing bedroeg volgens de aangifte € 5.317,--. Bij de aanslagregeling heeft de inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning verminderd met € 20.620,-- wegens “geen afkoop lijfrenten” en de ingehouden loonheffing bepaald op € 64,--. Op het tijdig gemaakte bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 15 december 2004 de aanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen) hetwelk op 16 december 2004 is ingekomen en is aangevuld bij schrijven van 8 januari 2005 (met bijlagen) en bij schrijven van 10 maart 2006 (met bijlagen).

Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 3 april 2006, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig was de inspecteur, zijnde belanghebbende en haar gemachtigde alstoen met bericht van verhindering niet verschenen.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 De echtgenoot van belanghebbende heeft in 1994 en 1995 twee koopsompolissen voor lijfrenten afgesloten. De daarvoor verschuldigde premies heeft hij in 1994 en 1995 afgetrokken als persoonlijke verplichtingen. Hij was voor beide polissen de verzekeringnemer.

2.2 Belanghebbende heeft met ingang van 1999 eigen inkomen verkregen.

2.3 In 2002 heeft de echtgenoot beide polissen afgekocht. Op de verzoeken tot uitbetaling heeft hij het sofi-nummer van belanghebbende ingevuld.

2.4 Op de uit te betalen bedragen heeft de verzekeringsmaatschappij (in verband met eventuele aansprakelijkheid op grond van de Invorderingswet 1990) 20% revisierente ingehouden en inkomstenbelasting tot een tarief van 52% van de in het verleden betaalde (en in aftrek gebrachte) premie. Deze bedragen aan revisierente en inkomstenbelasting zijn alsnog door de verzekeringsmaatschappij aan belanghebbendes echtgenoot uitbetaald op 28 februari 2005, nadat de verklaring van de belastingdienst, dat de revisierente en inkomstenbelasting aan haar zijn betaald, aan de verzekeringsmaatschappij waren gezonden.

2.5 Bij het doen van aangifte voor de inkomstenbelasting heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat de afkoopsommen van de polissen tot haar belastbaar inkomen uit werk en woning behoren en dat de vooralsnog ingehouden bedragen aan inkomstenbelasting bij haar verrekenbaar zijn als ingehouden loonheffing.

2.6 Bij het vaststellen van de onderhavige aanslag heeft de inspecteur de afkoopsommen niet tot belanghebbendes belastbaar inkomen uit werk en woning gerekend en de vooralsnog niet uitbetaalde inkomstenbelasting niet als verrekenbare loonheffing beschouwd.

2.7 Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak dit standpunt gehandhaafd.

3. Het geschil.

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of de afkoopsommen tot het belastbaar inkomen uit werk en woning van belanghebbende behoren en of de door de verzekeringsmaatschappij ingehouden bedragen aan inkomstenbelasting door belanghebbende kunnen worden verrekend als ingehouden loonheffing.

4. De standpunten van partijen.

Belanghebbende heeft op gronden, gelijk vervat in het beroepschrift (zoals aangevuld), het standpunt ingenomen dat de afkoopsommen tot haar belastbaar inkomen uit werk en woning behoren en dat de ingehouden inkomstenbelasting bij haar verrekenbaar is als loonheffing. Zij is voorts van mening dat zij niet de dupe mag worden van de wijziging van het belastingstelsel per 1 januari 2001.

De inspecteur heeft daartegenover op gronden, gelijk weergegeven in zijn verweerschrift, het standpunt verdedigd dat de afkoopsommen behoren tot het belastbaar inkomen uit werk en woning van belanghebbendes echtgenoot. De door de verzekeringsmaatschappij ingehouden bedragen aan inkomstenbelasting betreffen, naar zijn opvatting, geen loonheffing of andere verrekenbare voorheffing. De wijziging van het belastingstelsel per 2001 heeft voor de onderhavige zaak volgens de inspecteur geen invloed gehad op de belastingheffing over de afkoopsommen.

De inspecteur heeft ter zitting zijn standpunt gehandhaafd, zonder daartoe overigens nadere gronden te hebben aangevoerd.

5. De overwegingen omtrent het geschil.

5.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 3.133, lid 1, van de Wet juncto onderdeel T, lid 1 en lid 2, van de Invoeringswet inkomstenbelasting 2001, worden de premies voor aanspraken op lijfrente, die als uitgave voor inkomensvoorzieningen in aftrek zijn gebracht en het daarover behaalde rendement bij de verzekeringnemer dan wel, indien deze is overleden, bij de gerechtigde tot de aanspraak als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen voorzover de aanspraak wordt afgekocht of vervreemd (artikel 3.133, lid 2 onder d, van de Wet).

5.2 Vaststaat dat belanghebbendes echtgenoot de polissen als verzekeringnemer heeft afgesloten, de premies als uitgave voor inkomensvoorzieningen (destijds persoonlijke verplichtingen) in aftrek heeft gebracht, de polissen heeft afgekocht en in 2002 in leven was. Derhalve dienen bij hem de premies en het behaalde rendement als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking te worden genomen.

5.3 De inspecteur heeft bij de aanslagregeling daarom terecht de afkoopsommen niet tot belanghebbendes belastbaar inkomen uit werk en woning gerekend.

5.4 Nu ingevolge het bepaalde in artikel 9.2, lid 1, van de Wet als voorheffingen op de te heffen inkomstenbelasting slechts worden aangewezen de geheven loonbelasting, de geheven dividendbelasting en ter zake van bepaalde kansspelprijzen geheven kansspelbelasting, kunnen (voorlopig) ingehouden en niet uitbetaalde bedragen aan inkomstenbelasting niet als voorheffing worden verrekend.

5.5 De inspecteur heeft bij de aanslagregeling derhalve terecht geen bedragen aan door de verzekeringsmaatschappij (voorlopig) ingehouden en niet uitbetaalde inkomstenbelasting als voorheffing in aanmerking genomen.

5.6 Opgemerkt dient daarenboven te worden dat de verzekeringsmaatschappij op 28 februari 2005 de bovenbedoelde bedragen aan inkomstenbelasting alsnog heeft uitbetaald.

5.7 Daar de belastingheffing over afkoopsommen als de onderhavige onder de vigeur van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 niet verschilde van de voor het jaar 2002 geldende regeling kan niet worden gezegd dat belanghebbende de dupe is geworden van de wijziging van het belastingstelsel per 1 januari 2001.

5.8 Als conclusie moet gelden dat het beroep ongegrond is.

5.9 Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan door mr. F.J.W. Drion, raadsheer en voorzitter, mr. J. Huiskes, raadsheer, en mr. dr. C.L. van Lindonk, raadsheer-plaatsvervanger, en op 7 juli 2006 in het openbaar te Leeuwarden uitgesproken door voornoemde raadsheer mr. Huiskes in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. de Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde raadsheer mr. Huiskes en de griffier.

Op 12 juli 2006 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.