Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AY3618

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-07-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
BK 1023/04 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is van mening dat bij de staking de waarde van verbouwingskosten op nihil moet worden gesteld zodat het boekverlies op de verbouwing f 42.521,- bedraagt en dat daarnaast nog een aftrekbaar verkoopverlies van f 40.000,- op het onroerend goed is geleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-1329
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: 1023/04 7 juli 2006

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwar-den, eerste meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de inspecteur Belastingdienst/Rivierenland/kantoor Nijmegen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2000.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende werd voor het jaar 2000 met dagtekening 2 september 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna te noemen: de Wet) van f 24.123,- met toepassing van tariefgroep 1.

Op het tijdig ingediende bezwaarschrift van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 8 oktober 2004 de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van

(onveranderd) f 24.123,- met toepassing van tariefgroep 2.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlage), dat op 25 oktober 2004 is ingekomen bij het gerechtshof Arnhem. De griffier van dat hof heeft het beroepschrift ter behandeling doorgezonden naar het gerechtshof te Leeuwarden, waar het is binnengekomen op 15 november 2004. Belanghebbende heeft haar beroepschrift aangevuld bij brief van 27 december 2004 (met bijlagen). De inspecteur heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend. Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 22 mei 2006, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren belanghebbende en haar gemachtigde A, alsmede namens de inspecteur B.

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij. Zonder bezwaar van de wederpartij heeft belanghebbende bij haar pleitnota nog een stuk overgelegd. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Het hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1 Belanghebbende heeft tot juni 2000 een praktijk voor kinderfysiotherapie gedreven op haar woonadres a-straat 51 te L.

2.2 In 1993 is de bestaande garage bij belanghebbendes woning omgebouwd tot praktijkruimte, waarbij tevens aan de voorzijde een stuk is aangebouwd van 3,60m bij 3m. Het woonhuis en de garage behoorden tot het privé-vermogen. In 1993 zijn alleen de verbouwingskosten geactiveerd op de balans van de onderneming. De verbouwingskosten bedroegen f 57.722,-.

2.2 Op het moment van staking (op of omstreeks 31 mei 2000) bedroeg de boekwaarde van de verbouwingskosten f 42.521,-. Bij het vaststellen van de aanslag is de inspecteur uitgegaan van een waarde van de verbouwingskosten op dat moment van f 25.000,-.

2.3 Het woonhuis met de praktrijkruimte is in juni 2000 verkocht voor f 510.000,-.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 Belanghebbende is van mening dat bij de staking de waarde van verbouwingskosten op nihil moet worden gesteld zodat het boekverlies op de verbouwing f 42.521,- bedraagt en dat daarnaast nog een aftrekbaar verkoopverlies van f 40.000,- op het onroerend goed is geleden.

3.2 De inspecteur is van opvatting dat de waarde van de verbouwing op het moment van staking f 30.000,- bedroeg zodat de aanslag niet te hoog is vastgesteld. Voorts is hij van opvatting dat er geen sprake is van een aftrekbaar verkoopverlies.

3.3 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.4 Belanghebbende heeft ter zitting verklaard in de bezwaarfase niet een verzoek tot kostenvergoeding te hebben gedaan.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Ter onderbouwing van zijn opvattingen verwijst de inspecteur naar het op 4 maart 2005 door C, Register-Taxateur, verbonden aan de Belastingdienst Rivierenland kantoor Arnhem, opgemaakte taxatierapport.

4.2 Naar het oordeel van het hof is de inspecteur, gelet op het goed onderbouwde taxatierapport, erin geslaagd om aannemelijk te maken dat de waarde van de verbouwing op het moment van staking ten minste f 25.000,- bedroeg en dat er geen sprake was van een verkoopverlies op het onroerend goed. De vraag of laatstgenoemd verlies aftrekbaar zou kunnen zijn, kan derhalve in het midden blijven.

4.3 Belanghebbende -op wie ter zake van een aftrekpost de bewijslast rust van de feiten die daartoe aanleiding zouden geven- is hierin met de door haar overgelegde brief van 12 september 2003 van D B.V. of anderszins niet geslaagd. Genoemde brief is daartoe te vaag omdat hierin geen enkel vergelijkbaar object wordt genoemd.

4.4 Anders dan belanghebbende meent, stond het de inspecteur vrij om in de beroepsfase voor het eerst met een taxatierapport te komen. Niet gezegd kan derhalve worden dat de inspecteur daardoor onzorgvuldig heeft gehandeld.

4.5 Gelet op het voorgaande moet worden beslist als hierna te vermelden.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Huiskes, raadsheer en voorzitter, mr. F.J.W. Drion, raadsheer, en mr. H. Bakker, raadsheer-plaatsvervanger, en op 7 juli 2006 in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. de Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 12 juli 2006 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.