Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AY0287

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
30-06-2006
Datum publicatie
05-07-2006
Zaaknummer
BK 938/03 Motorrijtuigenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de onderwerpelijke uitspraken op bezwaar rechtens juist zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 938/03 30 juni 2006

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, derde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraken van de inspecteur van de Centrale administratie autoheffingen te Apeldoorn (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslagen in de motorrijtuigenbelasting.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende zijn drie naheffingsaanslagen in de motorrijtuigenbelasting opgelegd. Deze naheffingaanslagen zijn gedagtekend 22 april 2003, 30 mei 2003 en 26 juni 2003. Tegelijkertijd met de naheffingsaanslagen van 22 april 2003 en 26 juni 2003 zijn boeten opgelegd.

1.2. Op 27 augustus 2003 zijn bij de inspecteur drie afzonderlijke bezwaarschriften tegen de onder 1.1 vermelde naheffingsaanslagen ingekomen.

1.3. De inspecteur heeft bij de bestreden uitspraken van 17 oktober 2003 de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard. Ambtshalve zijn de naheffingsaanslagen en boeten gehandhaafd. Later is op 1 november 2005 de boete met dagtekening 22 april 2003 vernietigd.

1.4. Bij het hof is op 4 december 2003 een beroepschrift ingekomen. Dit beroepschrift is op de voet van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (: Awb) door de inspecteur doorgestuurd aan het hof.

1.5. Bij uitspraak van 16 april 2004 heeft het hof het beroep ingevolge artikel 8:54 van de Awb niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak het rechtsmiddel van verzet ingesteld. Na de mondelinge behandeling van het verzet op 15 juli 2005 heeft het hof in zijn uitspraak van 29 juli 2005 het verzet onder bepaalde voorwaarden gegrond verklaard.

1.6. Op 3 november 2005 is bij het hof een verweerschrift (met bijlagen) bij het hof ingekomen.

1.7. De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van het hof, gehouden op 22 mei 2006 te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren belanghebbende en de heer A namens de inspecteur.

1.8. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten:

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Op 4 januari 2003 is gebruik van de openbare weg te L geconstateerd met een personenauto van het merk Mercedes Benz en met kenteken YYY-YY 000. Omdat voor deze auto geen kenteken in de zin van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 is afgegeven is op 22 april 2003 aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd, die betrekking heeft op de periode 4 januari 2002 tot en met 3 januari 2003. De nageheven belasting bedraagt € 1.902, -. Tevens is een boete van € 1.902, - aan belanghebbende opgelegd, welke boete op 1 november 2005 ambtshalve is vernietigd.

2.2 Vervolgens zijn aan belanghebbende op 30 mei 2003 en op 26 juni 2003 twee andere naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting opgelegd in verband met de constatering van de inspecteur dat de motorrijtuigenbelasting op uiterste betaaldatum niet was voldaan. De naheffingsaanslag d.d. 30 mei 2003 ten bedrag van € 470, - heeft betrekking op 4 januari 2003 tot en met 3 april 2003, de andere naheffingsaanslag ad € 474, - betreft 4 april 2003 tot en met 3 juli 2003. Gelijktijdig met de laatste naheffingsaanslag is een boete van € 22, - opgelegd.

2.3 Tegen de hiervoor genoemde vermelde naheffingsaanslagen zijn bij de inspecteur op 27 augustus 2003 bezwaarschriften ingekomen. Deze bezwaarschriften zijn gedagtekend 19 augustus 2003. Bij de uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard. Ambtshalve heeft hij de bezwaren ongegrond verklaard.

3. Het geschil en de standpunten van partijen:

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de onderwerpelijke uitspraken op bezwaar rechtens juist zijn. Belanghebbende is van mening dat ten onrechte twee maal motorrijtuigenbelasting is geheven, namelijk in Duitsland en in Nederland. Hij beroept zich op het de toepassing van gelijkheidsbeginsel. Desgevraagd door het hof heeft hij ter zitting aangegeven dat de omstandigheden van eerst het overlijden van zijn echtgenote, daarna de zelfmoord van een vriend eind 2002 en vervolgens het faillissement van zijn bedrijf reden kunnen zijn voor de te late indiening van de bezwaarschriften.

3.2. De inspecteur houdt onverkort vast aan zijn opvatting dat de bezwaren van belanghebbende wegens termijnoverschrijding terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. Voor zover het hof van oordeel is dat belanghebbende wat betreft de ontvankelijk van de bezwaren het gelijk aan zijn kant heeft, is de inspecteur van opvatting dat de naheffingsaanslagen juist zijn.

3.3. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen in de van hen afkomstige stukken alsmede mondeling ter zitting zijn aangevoerd.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Ingevolge de artikelen 22j en 23 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (: AWR) en de artikelen 6:7 en 6:9 van de Awb - voor zover hier van belang – kan tegen een belastingaanslag binnen zes weken na dagtekening een bezwaarschrift worden ingediend. Gelet op hetgeen onder 2.1, 2.2 en 2.3 is vermeld heeft belanghebbende buiten de bezwaartermijn bezwaar gemaakt.

4.2 Ingevolge artikel 6:11 van de Awb kan ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift een niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijven indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De ter zitting genoemde omstandigheden kunnen naar het oordeel van het hof niet gelden als omstandigheden waardoor de termijnoverschrijding niet aan belanghebbende kunnen worden toegerekend. Zo had belanghebbende ondanks deze omstandigheden voor afloop van de onderscheidenlijke bezwaartermijnen maatregelen kunnen treffen om termijnoverschrijding te voorkomen, bijvoorbeeld door het (laten) indienen van een pro forma bezwaarschrift. Bovendien heeft belanghebbende – naar blijkt uit de uitspraak van het hof Leeuwarden van 9 december 2005 met kenmerk BK 404/04 ten aanzien van belanghebbende - wel tijdig een bezwaarschrift kunnen indienen tegen een aan hem opgelegde naheffingsaanslag in de Belasting van personenauto’s en motorrijwielen d.d. 14 februari 2003.

4.3 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat belanghebbendes beroep geen doel treft. Aan een inhoudelijke beoordeling komt het hof niet toe.

5. De proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 30 juni 2006 door mr. F.J.W. Drion, raadsheer, lid van de derde enkelvoudige belastingkamer, en op die dag in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden door voornoemde raadsheer in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. de Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde raadsheer en griffier.

Op 5 juli 2006 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.