Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AY0285

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
30-06-2006
Datum publicatie
05-07-2006
Zaaknummer
BK 1122/04 Motorrijtuigenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen twisten over de vraag of de voormelde naheffingsaanslagen en boeten terecht zijn opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 1122/04 30 juni 2006

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, derde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van de heer X te Z

(: belanghebbende) tegen de uitspraken van de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratie te Apeldoorn (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslagen in de motorrijtuigenbelasting, alsmede tegen de afgegeven boetebeschikkingen.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is met dagtekening 8 maart 2004 over de periode 25 januari 2003 tot en met 24 januari 2004 een naheffingsaanslag MRB, met kenmerk 0000.00.000.Y3.90001, opgelegd. Tevens is aan belanghebbende bij beschikking van dezelfde datum een boete opgelegd.

1.2 Met dagtekening 13 april 2004 is naar belanghebbende een mededeling “Verlaging rekeningbedrag Motorrijtuigenbelasting” toegestuurd.

1.3 Aan belanghebbende is voorts met dagtekening 7 mei 2004 over de periode 25 januari 2004 tot en met 12 maart 2004 een naheffingsaanslag MRB, met kenmerk 0000.00.000.Y4.90001 opgelegd. Ook in verband hiermee is een boete aan belanghebbende opgelegd.

1.4 Op 16 juni 2004 is opnieuw een naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd. Deze heeft het volgende kenmerk: 0000.00.000.Y4 en heeft betrekking op de periode 13 maart 2004 tot en met 30 maart 2004. Hierbij is geen boete opgelegd.

1.5 Tegen de onder 1.1 vermelde naheffingsaanslag en boete heeft belanghebbende bezwaar gemaakt, op welk bezwaar de inspecteur bij uitspraak van 4 augustus 2004 heeft beslist. Belanghebbende heeft ook tegen de onder 1.3 vermelde naheffingsaanslag en boete een bezwaarschrift ingediend, op welk bezwaar de inspecteur een uitspraak heeft gedaan met dagtekening 3 september 2004. Op het bezwaar van belanghebbende tegen de onder 1.4 vermelde naheffingsaanslag heeft de inspecteur op 19 januari 2005 beslist.

1.6 Op 30 november 2004 is bij het hof een beroepschrift van belanghebbende met dagtekening 24 oktober 2004 ingekomen. Op 13 december 2004 is een nadere motivering van dit beroep (met bijlagen) bij het hof ingekomen. De inspecteur heeft op 18 januari 2005 een verweerschrift (met bijlagen) ingediend bij het hof.

1.7 Voorafgaand aan de mondelinge behandeling van het beroep heeft belanghebbende op 19 april 2006 een nader stuk met een bijgaand schrijven met dagtekening 18 april 2006 ingestuurd. Tevens heeft hij aangegeven ter zitting niet te zullen verschijnen. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof op 26 april 2006, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig was namens de inspecteur de heer A. Belanghebbende is met kennisgeving van verhindering niet verschenen.

1.8 Het hof heeft in deze zaak op 10 mei 2006 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 24 mei 2006, aan partijen is verzonden.

1.9 Bij brief, ingekomen op 6 juni 2006, heeft de griffier van de Hoge Raad op de voet van artikel 28a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen het hof medegedeeld dat tegen de voormelde mondelinge uitspraak beroep in cassatie is ingesteld. De Hoge Raad heeft op de voet van artikel 28b, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak.

1.10 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen het volgende vast.

2.1 Belanghebbende is sinds 26 januari 1994 houder van het motorrijtuig met kenteken YY-YY-00, type Audi. De geldigheid van dit kenteken was geschorst vanaf 14 maart 2002 tot en met 12 maart 2003, vanaf 13 maart 2003 tot en met 12 maart 2004 en vanaf 31 maart 2004.

2.2 Op 19 december 2003 hebben twee ambtenaren van de Belastingdienst om 10:55 gebruik van de openbare weg geconstateerd met een auto met voormeld kenteken tijdens een daarvoor geldende schorsing. De ambtenaren hebben geconstateerd dat de betreffende auto op de a-weg te L reed.

2.3 Aan belanghebbende is dientengevolge een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd over de periode van 25 januari 2003 tot en met 24 januari 2004. Deze naheffingsaanslag met kenmerk 0000.00.000.Y3.90001 is opgelegd op 8 maart 2004. Tevens is op die datum aan belanghebbende een boete opgelegd in verband met voormelde naheffingsaanslag. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag en de boete bezwaar gemaakt, op welk bezwaar de inspecteur op 4 augustus 2004 heeft beslist. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende bij brief met dagtekening 24 oktober 2004, ingekomen bij het hof op 30 november 2004, beroep ingesteld.

2.4 Op 7 mei 2004 is eveneens aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd, nu over de periode van 25 januari 2004 tot en met 12 maart 2004. Het nummer van deze naheffingsaanslag is 0000.00.000.Y4.90001. Ook hierbij is een boete opgelegd. Ook tegen deze naheffingsaanslag en de boete is bezwaar gemaakt, op welk bezwaar de inspecteur op 3 september 2004 heeft beslist. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende bij dezelfde brief als onder 2.3 vermeld beroep ingesteld.

2.5 De onder 2.3 en 2.4 vermelde uitspraken zijn gezonden naar b-straat 12 te Z, welk adres belanghebbende ook in de onderhavige beroepsprocedure als zijn (post)adres opgeeft.

2.6 Ook over de periode van 13 maart 2004 tot en met 30 maart 2004 is belanghebbende aangeslagen in de motorrijtuigenbelasting. De betreffende naheffingsaanslag ten bedrage van € 37, - en met kenmerk 0000.00.000.Y4 is gedagtekend 16 juni 2004. Hierbij is geen boete opgelegd. Belanghebbende heeft tegen deze naheffingsaanslag tijdig bezwaar gemaakt. Op dit bezwaar heeft de inspecteur uitspraak gedaan op 19 januari 2005.

2.7 Aan belanghebbende is met dagtekening 13 april 2004 een mededeling “Verlaging rekeningbedrag Motorrijtuigenbelasting” toegestuurd. Tegen deze mededeling heeft belanghebbende eveneens beroep ingesteld.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 Partijen twisten over de vraag of de voormelde naheffingsaanslagen en boeten terecht zijn opgelegd.

3.2 Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend. Hij stelt dat met zijn auto wegens mankementen niet gereden kan worden. Tevens geeft hij aan dat zonder zijn toestemming de auto op tweede Kerstdag geparkeerd is op de openbare weg. Verder voert hij aan dat er geen rekening wordt gehouden met de situatie waarin hij zich bevindt en dat er geen rekening wordt gehouden met zijn recht op teruggave van belastinggeld.

3.3 De inspecteur is de mening toegedaan dat het beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van 4 augustus 2004 en van 3 september 2004 niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Dit geldt ook voor het beroep tegen de onder 2.7 vermelde mededeling. Met betrekking tot de naheffingsaanslag met nummer 0000.00.000.Y4 is de inspecteur van opvatting dat deze naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

3.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. De rechtsoverwegingen

4.1 Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep:

Ingevolge de artikelen 26 en 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (: AWR) en de artikelen 6:7 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (: de Awb) - voor zover hier van belang – kan tegen een uitspraak van de inspecteur binnen zes weken na dagtekening van de uitspraak beroep worden ingesteld bij het hof.

4.2 De onder 2.3 en 2.4 bestreden uitspraken zijn gedagtekend respectievelijk 4 augustus 2004 en 3 september 2004. Aangezien de uitspraken zijn verstuurd naar hetzelfde adres als belanghebbende voor de onderhavige beroepsprocedure heeft opgegeven gaat het hof ervan uit - hetgeen belanghebbende trouwens ook niet ontkent, maar door zijn opmerking dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft wel suggereert – dat de uitspraken op de juiste wijze zijn bekend gemaakt. Nu het beroepschrift op 30 november 2004 is ingekomen, is er sprake van een termijnoverschrijding. Ingevolge artikel 6:11 Awb kan ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift een niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijven indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Zijn slechte medische toestand of de detentie van belanghebbende kan naar het oordeel van het hof niet gelden als een omstandigheid waardoor de termijnoverschrijding niet aan hem kan worden toegerekend. Gelet op het voorgaande moet, naar het oordeel van het hof, het beroep van belanghebbende tegen voormelde uitspraken niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.3 Met betrekking tot de onder 2.7 weergegeven mededeling is het hof van oordeel dat het daartegen gerichte beroep eveneens niet-ontvankelijk moet worden verklaard aangezien deze mededeling niet een voor beroep en/of beroep vatbare beschikking is. Om proceseconomische redenen acht het hof het voortijdige beroep van belanghebbende met betrekking tot de naheffingsaanslag met dagtekening 16 juni 2004 wel ontvankelijk.

4.4 Omtrent de inhoud van het beroep met betrekking tot de naheffingsaanslag met dagtekening 16 juni 2004:

Deze naheffingsaanslag heeft betrekking op het tijdvak 13 maart 2004 tot 31 maart 2004, een periode waarin voor het motorrijtuig van belanghebbende geen schorsing als bedoeld in Hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet 1994 gold. Aangezien belanghebbende sinds 26 januari 1994 houder is van het onderwerpelijke motorrijtuig met kenteken YY-YY-00 en de verschuldigde motorrijtuigenbelasting ter zake van het voormelde tijdvak niet tijdig heeft betaald, is van hem naar het oordeel van het hof terecht de motorrijtuigenbelasting nageheven. Eventuele teruggaven van belasting staan de rechtmatigheid van de naheffingsaanslag niet in de weg. Andere door belanghebbende genoemde omstandigheden - de overplaatsing van de auto van M naar Z of dat met de auto wegens mankementen niet gereden kan worden - kunnen evenmin de onderhavige naheffingsaanslag van 16 juni 2004 teniet doen.

4.5 Het overwogene onder 4.4 leidt tot de slotsom dat aan belanghebbende terecht de naheffingsaanslag met dagtekening 16 juni 2004 is opgelegd.

5. De proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het hof verklaart het beroep van belanghebbende, gericht tegen de uitspraak van 4 augustus 2004 met betrekking tot de naheffingsaanslag 0000.00.000.Y3.90001 en gericht tegen de uitspraak van 3 september 2004 betreffende de naheffingsaanslag 0000.00.000.Y4.90001 en tegen de mededeling “Verlaging rekeningbedrag Motorrijtuigenbelasting” niet-ontvankelijk; en voor het overige ongegrond.

Gedaan op 30 juni 2006 door mr. F.J.W. Drion, raadsheer, lid van de derde enkelvoudige belastingkamer, ondertekend door voornoemde raadsheer en door mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

Op 5 juli 2006 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.