Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AX9122

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-06-2006
Datum publicatie
21-06-2006
Zaaknummer
24-002164-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Subsidiair is verdachte, zakelijk omschreven, ten laste gelegd dat hij genoemde burgemeester als ambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft beledigd door de in de bewezenverklaring bedoelde brief toe te zenden of aan te bieden.

Vooropgesteld wordt dat in een democratische rechtsstaat niet te hoge drempels mogen worden opgeworpen tegen burgers die het handelen of nalaten van organen en functionarissen van de overheid wensen te bekritiseren. De wetgever heeft, uitgaande van deze gedachte, in het tweede lid van artikel 266 van het Wetboek van Strafrecht bepaald dat niet als eenvoudige belediging strafbaar zijn gedragingen die ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, en die er niet op gericht zijn ook in ander opzicht of zwaarder te grieven dan uit die strekking voortvloeit. Verdachte heeft te dien aanzien het verweer gevoerd - naar het hof begrijpt, met een beroep op deze bepaling - dat hij geen andere intentie had dan aangifte te doen van door de burgemeester in zijn visie vermoedelijk gepleegde strafbare feiten bij de behartiging van openbare belangen en dat het opzet tot belediging bij hem dus afwezig is geweest. Naar het oordeel van het hof kan de brief die verdachte aan het openbaar ministerie richtte naar haar strekking worden gezien als een verzoek aan dat orgaan terzake van deze vermeende strafbare feiten een onderzoek in te stellen en, afhankelijk van de resultaten van dat onderzoek, een vervolging in te stellen. Weliswaar heeft in het bijzonder de beschuldiging dat de burgemeester 'corrupt' zou zijn een voor deze ambtsdrager onmiskenbaar grievend karakter, doch bezien in de context van de verdere bewoordingen en de overige omstandigheden van dit geval - toezending aan het openbaar ministerie met het doel aangifte te doen en een onderzoek en een eventuele vervolging uit te lokken - kan niet worden geoordeeld dat de gedragingen van verdachte erop gericht waren in ander opzicht of zwaarder te grieven dan uit de hiervoor omschreven strekking voortvloeit.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 266
Wetboek van Strafrecht 267
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 194
NBSTRAF 2006/345
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002164-05

Arrest van 21 juni 2006 van het gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 10 november 2005 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1951] te [geboorteplaats],

wonende te [plaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf ontslagen van alle rechtsvervolging.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft dit hoger beroep aan verdachte doen betekenen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien het openbaar ministerie het recht van verdachte op een eerlijk proces op een ernstige wijze heeft geschonden door hem te vervolgen op grond van de inhoud van de door hem gedane aangifte, zonder dat daar een deugdelijk onderzoek aan vooraf is gegaan.

Het hof is van oordeel dat in het recht geen steun te vinden is voor de stelling dat het openbaar ministerie niet naar aanleiding van de onderhavige aangifte tot vervolging van de aangever zou hebben kunnen en mogen overgaan. Het verweer faalt dus.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal vrijspreken van het primair ten laste gelegde en ter zake van het subsidiair ten laste gelegde zal veroordelen tot een geldboete van driehonderd euro subsidiair zes dagen vervangende hechtenis.

Tenlastelegging

Aan dit arrest is gehecht een fotokopie van de inleidende dagvaarding. De inhoud van de tenlastelegging wordt geacht hier te zijn overgenomen.

Het hof heeft ter terechtzitting de tenlastelegging gewijzigd overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal. Een fotokopie van die vordering is aan dit arrest gehecht.

Vrijspraak

Verdachte is, zakelijk weergegeven, primair ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan smaad jegens de burgemeester van [gemeente] door hem in een brief gericht aan het Openbaar Ministerie te Leeuwarden ervan te betichten dat hij onbetrouwbaar en corrupt is en/of schuldig is aan 'discriminatie van het gelijkheidsbeginsel', belangenverstrengeling en machtsmisbruik.

Het hof zal verdachte hiervan vrijspreken, omdat niet is komen vast te staan dat hij deze brief schreef met het kennelijke doel om zijn beweringen ruchtbaarheid te geven.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

subsidiair:

hij, op 28 november 2004 te [plaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk een ambtenaar, te weten [burgemeester] (burgemeester van de gemeente [gemeente]), terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft beledigd, door een aangeboden geschrift hem aangedaan, met de mededeling dat - zakelijk weergegeven - voornoemde [burgemeester] onbetrouwbaar en corrupt is en schuldig is aan discriminatie van het gelijkheidsbeginsel, belangenverstrengeling, samenzwering en machtsmisbruik.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Overwegingen ten aanzien van de strafbaarheid

Subsidiair is verdachte, zakelijk omschreven, ten laste gelegd dat hij genoemde burgemeester als ambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft beledigd door de in de bewezenverklaring bedoelde brief toe te zenden of aan te bieden.

Vooropgesteld wordt dat in een democratische rechtsstaat niet te hoge drempels mogen worden opgeworpen tegen burgers die het handelen of nalaten van organen en functionarissen van de overheid wensen te bekritiseren. De wetgever heeft, uitgaande van deze gedachte, in het tweede lid van artikel 266 van het Wetboek van Strafrecht bepaald dat niet als eenvoudige belediging strafbaar zijn gedragingen die ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, en die er niet op gericht zijn ook in ander opzicht of zwaarder te grieven dan uit die strekking voortvloeit. Verdachte heeft te dien aanzien het verweer gevoerd - naar het hof begrijpt, met een beroep op deze bepaling - dat hij geen andere intentie had dan aangifte te doen van door de burgemeester in zijn visie vermoedelijk gepleegde strafbare feiten bij de behartiging van openbare belangen en dat het opzet tot belediging bij hem dus afwezig is geweest. Naar het oordeel van het hof kan de brief die verdachte aan het openbaar ministerie richtte naar haar strekking worden gezien als een verzoek aan dat orgaan terzake van deze vermeende strafbare feiten een onderzoek in te stellen en, afhankelijk van de resultaten van dat onderzoek, een vervolging in te stellen. Weliswaar heeft in het bijzonder de beschuldiging dat de burgemeester 'corrupt' zou zijn een voor deze ambtsdrager onmiskenbaar grievend karakter, doch bezien in de context van de verdere bewoordingen en de overige omstandigheden van dit geval - toezending aan het openbaar ministerie met het doel aangifte te doen en een onderzoek en een eventuele vervolging uit te lokken - kan niet worden geoordeeld dat de gedragingen van verdachte erop gericht waren in ander opzicht of zwaarder te grieven dan uit de hiervoor omschreven strekking voortvloeit.

De omstandigheid dat het openbaar ministerie de brief van verdachte per fax aan de burgemeester heeft doen toekomen, maakt dit niet anders. In zoverre zou zelfs kunnen worden geoordeeld dat het openbaar ministerie ertoe heeft bijgedragen dat de gewraakte bewoordingen ter kennis van de burgemeester zijn gekomen en door deze als grievend zijn ervaren. Ook de omstandigheid dat verdachte - naar zijn zeggen uit overwegingen van beleefdheid, omdat hij niets achter de rug van de burgemeester om wilde doen - een kopie van zijn brief aan het openbaar ministerie in een gesloten enveloppe bij het gemeentehuis ter attentie van de burgemeester heeft bezorgd, kan aan het bovenstaande evenmin afdoen, omdat niet gebleken is dat deze kopie de burgemeester daadwerkelijk heeft bereikt.

Ten slotte kan niet in het nadeel van verdachte werken dat hij de beweringen in zijn brief feitelijk niet of onvoldoende heeft onderbouwd, aangezien hij immers schrijft dat hij 'de bewijzen' heeft. Dat kan redelijkerwijs niet anders worden verstaan dan dat hij, zoals hij ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd, voornemens was bij een verhoor naar aanleiding van zijn aangifte nadere gegevens te verstrekken. Of deze gegevens werkelijk enige steun zouden hebben kunnen geven aan de beweringen van verdachte, kan gezien al het hiervoor overwogene in het midden blijven

Een en ander brengt mee dat het beroep op de vermelde uitzonderingsbepaling van het Wetboek van Strafrecht doel treft en dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het subsidiair ten laste gelegde weliswaar bewezen, zoals hierboven is weergegeven, doch acht dit niet op te leveren een strafbaar feit en ontslaat verdachte te dien aanzien van alle rechtsvervolging.

Dit arrest is aldus gewezen door prof. mr. Hermans, voorzitter, mr. Anjewierden en

mr. Wiarda, in tegenwoordigheid van mr. Coster als griffier, zijnde mr. Wiarda voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.