Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AX9098

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-06-2006
Datum publicatie
21-06-2006
Zaaknummer
9407095
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hiervoor overwogene leidt tot het oordeel dat thans genoegzaam is komen vast te staan dat [[geïntimeerde]] de ten processe bedoelde werkzaamheden niet volledig en/of niet kwalitatief voldoende heeft verricht en derhalve toerekenbaar tekort is geschoten in haar verplichtingen jegens Acantus.

Hetgeen [[geïntimeerde]] in haar zeer uitvoerige, en van een groot aantal producties voorziene antwoordmemorie na enquête nog heeft aangevoerd, doet aan dit oordeel niet af. Bovendien heeft Acantus daarop niet meer kunnen reageren.

Aan de vordering van Acantus ligt haar stelling ten grondslag dat zij als gevolg van de tekortkoming van [[geïntimeerde]] schade heeft geleden. Die schade bestaat, aldus Acantus, in de (extra) kosten die gemoeid zijn geweest met herstel door Schilderswacht van hetgeen waartoe [[geïntimeerde]] zich contractueel jegens Acantus had verbonden, doch met de uitvoering waarvan zij toerekenbaar tekort is geschoten. Het gaat hier om de ter zake door Schilderswacht aan Acantus in rekening gebrachte bedragen, verminderd met de door Acantus in het onderhoudsfonds gestorte termijnvergoedingen.

Acantus heeft in hoger beroep - na wijziging van eis - primair gevorderd verwijzing naar de schadestaatprocedure. Op grond van het hetgeen hiervoor is overwogen, oordeelt het hof dat het bestaan of de mogelijkheid van schade aan de zijde van Acantus als gevolg van de wanprestatie van [[geïntimeerde]] aannemelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 21 juni 2006

Rolnummer 9407095

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

Woningbouwvereniging Winschoten, thans Stichting Acantus,

gevestigd te Winschoten,

appellante in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna te noemen: Acantus,

procureur: mr G. Kaaij,

tegen

[[geïntimeerde]],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde in het principaal en appellante in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna te noemen: [[geïntimeerde]],

procureur: mr P.R. van den Elst.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 22 oktober 2003 wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Het verdere procesverloop

Ingevolge voormeld tussenarrest heeft op 26 januari 2004 het getuigenverhoor aan de zijde van Acantus plaats gevonden. Acantus heeft vervolgens een akte houdende overlegging producties genomen. Op 9 september 2004 is de contra-enquête aan de zijde van [[geïntimeerde]] gehouden. De van de getuigenverhoren opgemaakte processen-verbaal bevinden zich in afschrift bij de stukken.

Acantus heeft daarna nog een memorie na enquête genomen en [[geïntimeerde]] een antwoordmemorie na enquête (met producties).

Ten slotte hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

wederom in het principaal appel

1. Bij 's hofs tussenarrest d.d. 22 oktober 2003 is Acantus toegelaten feiten en omstandigheden te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat [[geïntimeerde]] eind 1989/begin 1990 de ten processe bedoelde werkzaamheden niet volledig en/of niet kwalitatief voldoende heeft verricht.

2. Ter voldoening aan die bewijsopdracht heeft Acantus drie getuigen voorgebracht, te weten [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], die - zakelijk weergegeven - als volgt hebben verklaard:

2.1. de [getuige 1]:

"Ik was in 1989 directeur van Certus en ik ben dat nog steeds (...) [[geïntimeerde]] heeft het werk aange-nomen in de staat zoals het erbij lag. Dat betekent dat de woningen waarvan het renovatiegedeelte nog niet was voltooid alsnog door [[geïntimeerde]] verder moesten worden gerenoveerd, waarbij Certus regelmatig steekproefsgewijs inspecties verrichtte en na gereedmelding door [[geïntimeerde]] steek-proefsgewijs naging of het werk in grote lijnen voor oplevering gereed was. Daarbij staat voorop dat het de verantwoordelijkheid van [[geïntimeerde]] was om ervoor te zorgen dat conform onze richtlijnen en aanwijzingen werd gewerkt.

Certus had een draaiboek opgesteld over de wijze waarop gewerkt moest worden; dat draaibroek was op het werk aanwezig en [[geïntimeerde]] was daarmee volledig bekend (...) In dit verband vonden er ook dia-presentaties plaats (...)

Op desbetreffende vragen van de raadsman van Acantus antwoord ik dat de werkzaamheden met betrekking tot het kitten van het binnen- en buitenwerk voor rekening kwam van [[geïntimeerde]]; dit stond ook in het draaiboek. Voorts verklaar ik op een desbetreffende vraag dat onder het kitwerk aan de binnenkant wordt verstaan het kitwerk aan de binnenkant van het buitenkozijn tegen het glas. Tot de woningen waarvan de renovatieve fase nog niet was voltooid op het moment waarop [[geïntimeerde]] de werkzaamheden overnam behoorden de Sigma-woningen, waarop door [getuige 2], voorheen projectleider in dienst van Certus, toezicht werd gehouden.

Ik schat het aantal woningen waarvan de renovatiebeurt nog niet was voltooid op het moment waarop [[geïntimeerde]] de werkzaamheden overnam op ongeveer 400 à 500, maar heel precies weet ik dat nu niet meer. De andere woningen waren inmiddels steekproefsgewijs door het COT geïnspecteerd en voor oplevering vrijgegeven; het betrof hier dus de woningen waarvan de renovatiebeurt was voltooid (...)

Ik was niet de man die ter plaatse liep te controleren; dat waren [de getuigen 2 en 3]. Wel heb ik diverse keren zelf steekproefsgewijs inspectiewerkzaamheden gepleegd en ben ik aanwezig geweest bij het houden van dat soort inspecties door [de getuigen 2 en 3]. Ook liep ik meestal mee bij de COT-opleveringen waaronder die van de Sigma-woningen (...)

De woningen waarvan de renovatiebeurt nog niet was voltooid op het moment waarop [[geïntimeerde]] de werkzaamheden overnam.

Uit diverse bouwverslagen moge blijken dat die woningen nog niet aan het eigenlijke schilderwerk toe waren, omdat - zoals Certus steekproefsgewijze telkens vaststelde - het hout nog te vochtig was(...) Blijkens de verslagen van vergaderingen heeft Certus in een aantal gevallen uitdrukkelijk het vocht van het hout aan de orde gesteld. Certus vond de kwaliteit van de renovatie onvoldoende, men (lees: met; hof) name vanwege het risico van houtrot op dat moment of in de toekomst.

Ik merk op dat het COT de renovatie van deze groep woningen, net als Certus, onvoldoende heeft geoordeeld, en dat het COT daarom met betrekking tot die woningen geen goedkeurend opleve-ringsrapport heeft afgegeven.

De renovatiebeurt is overigens pas voltooid op het moment dat het houtwerk, nadat het voldoende is gedroogd, is geschilderd, en het kitwerk, eveneens nadat het houtvoldoende is gedroogd, is verricht.

Omdat [[geïntimeerde]] het kitwerk en/of het schilderwerk is gaan verrichten terwijl het hout nog onvoldoende droog was - zoals wij en het COT steekproefsgewijs hebben vastgesteld - moet worden geconcludeerd dat de renovatiefase met betrekking tot die woningen niet naar behoren was voltooid.

Desgevraagd verklaar ik u nog dat het mij uit eigen wetenschap bekend is dat [betrokkene] van [[geïntimeerde]] eigener beweging naar Acantus is gekomen met het aanbod om de renovatie-werkzaamheden en de onderhoudswerkzaamheden over te nemen; [betrokkene] gaf aan dat hij wist hoe het werk erbij lag. Tezamen met [betrokkene 1] heb ik daar toen over gesproken met [betrokkene].

In zijn algemeenheid merk ik nog op dat het feit dat een door [[geïntimeerde]] als opleveringsgereed werk aan Certus is aangemeld, en Certus na steekproefsgewijze inspectie dit heeft doorgegeven aan COT, niet betekent dat het werk naar behoren is verricht. Dat kan pas blijken uit het feit dat het COT een goedkeurend opleveringsrapport afgeeft.

De woningen waarvan de renovatiefase was voltooid toen [[geïntimeerde]] het werk overnam en waar-voor het COT inmiddels een goedkeurend opleveringsrapport had afgegeven.

Ook bij die woningen heeft Certus geconstateerd en later Schilderswacht dat er veel rot in de kozijnen aanwezig was en daaruit is de conclusie getrokken dat de renovatie van die woningen door de voorganger van [[geïntimeerde]] niet naar behoren was verricht. [[geïntimeerde]] had de gerenoveerde woningen in onderhoud. Hij had kunnen en behoren vast te stellen dat de renovatiefase door zijn voorganger toch niet (steeds) naar behoren was verricht en hij had omdat hij met het onderhoud was belast de nodige voorzieningen moeten treffen om die woningen alsnog in de staat te brengen en te houden waarin zij krachtens het onderhoudscontract dienden te verkeren (...)"

2.2. de [getuige 2]:

"Ik was in het jaar 1989 projectleider in dienst van Certus (...) Ik heb mij namens Certus voornamelijk bezig gehouden met de 277 Sigma-woningen. Die woningen waren toen door het COT nog niet gecertificeerd, waarmee ik bedoel dat het COT met betrekking tot die woningen nog geen goedkeurend opleveringsrapport had afgegeven. Bij die woningen was sprake van grote vochtproblemen in de vorm van inwateringen, open verbindingen en foutief aangebrachte neuslatten (...) Wij hebben in wekelijkse rapporten aangegeven wat er aan die woningen op het gebied waarop [[geïntimeerde]] werkzaam was mankeerde. Ik had de indruk dat met onze op- en aanmerkingen door [[geïntimeerde]] heel weinig werd gedaan. U vraagt mij of [[geïntimeerde]] wist hoe er gewerkt moest worden. Ik beantwoord die vraag bevestigend: er waren door ons detailtekeningen gemaakt en er was aangegeven hoe de neuslatten bevestigd moesten worden (geschroefd en niet gespijkerd, zoals [[geïntimeerde]] dat deed) en hoe er gekit moest worden (op een zodanige wijze dat onder de neuslatten nog ventilatie mogelijk was). Als ik het mij goed herinner heb ik onze bezwaren tegen de wijze van werking van [[geïntimeerde]] laten vastleggen in verslagen van respectievelijk 7 september en 14 september 1989 en heeft [[geïntimeerde]] blijkens het daarvan opgemaakte verslag op of omstreeks 21 september 1989 ons gevraagd om aan de schilders een dia-presentatie te geven (waarover wij naar [[geïntimeerde]] wist beschikten). Certus heeft dat verzoek toen ingewilligd en een zaaltje afgehuurd dichtbij het werk voor het houden van de dia-presentatie. Toen dat werd afgesproken was [betrokkene] erbij en ook een voorman; daarbij werd afgesproken op welke dag en uur die dia-presentatie zou plaatsvinden. Tot onze verbazing verscheen op de afgesproken dag en uur geen enkele schilder van [[geïntimeerde]]. Ik heb dat ook in het verslag laten vastleggen (...)

Op 15 november 1989 heeft het COT de door [[geïntimeerde]] gereed gemelde woningen steekproefs-gewijs geïnspecteerd. Ik ben daarbij aanwezig geweest. De bevindingen zijn in een drietal inspectierapporten vastgelegd (...) Uit die rapporten kan blijken dat de geïnspecteerde woningen niet voldeden aan de eisen die daaraan op basis van de contracten met [[geïntimeerde]] konden worden gesteld. Ondanks het feit dat bij [[geïntimeerde]] bekend was wat de klachten waren over het geleverde werk greep de directie daar niet in (...)

Het is mij bekend dat door [[geïntimeerde]] bij memorie van antwoord na comparitie van partijen van 24 april 2002 als productie is overgelegd een rapport van mij d.d. 19 oktober 1989, nummer 28/89, in welk rapport staat vermeld dat het werk voor 100 procent gereed is. U vraagt mij of ik op dat moment van oordeel was dat het werk inderdaad voor 100 procent gereed was. Zo was het niet. Ik heb met mijn notitie niet meer of anders willen weergeven dan dat [[geïntimeerde]] had opgegeven dat (volgens hem) het werk gereed was. Of die opgaven van [[geïntimeerde]] juist was zou eventueel later hetzij door Certus hetzij door COT moeten worden vastgesteld (...)"

2.3. de [getuige 3]:

"Ik was in 1989 als projectleider werkzaam in dienst van Certus (...) Ik ben bij Certus als projectleider aangetrokken omdat ik als bouwkundige de ondergrond van het schilderwerk goed kon beoordelen; ter voorkoming van misverstand merk ik op dat ik bij Certus niet was aangesteld als opzichter; de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het te leveren werk lag volledig bij [[geïntimeerde]]. Het is mij bekend dat in de procedure bij nadere memorie van de zijde van Acantus een aantal rapporten van mijn hand is overgelegd van oktober, november en december van het jaar 1989. Die rapporten waren inhoudelijk juist en daarbij blijf ik. Uit die rapporten komt naar voren dat het binnen en buitenkitwerk heeft plaatsgevonden voordat het hout van de kozijnen en de andere ondergrond goed droog waren (...)

In zijn algemeenheid kan worden gezegd dat het geleverde schilderwerk, gelet op het vorenstaande, niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen.

Desgevraagd verklaar ik dat er van de kant van Certus informatiebijeenkomsten zijn belegd om het personeel van [[geïntimeerde]] te instrueren; ik voeg daaraan toe dat - zoals gezegd - de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het geleverde werk bij [[geïntimeerde]] ligt. [[geïntimeerde]] beschikte over door Certus opgestelde systeembeschrijvingen, waarin uitvoerig was geschreven op welke wijze moest worden gewerkt. Uit de kwaliteit van het geleverde werk kan worden geconcludeerd dat [[geïntimeerde]] onze instructies en systeembeschrijvingen niet heeft gevolgd. Als hij dat wel had gedaan zouden er geen problemen zijn geweest (...)

De raadsman van [[geïntimeerde]] vraagt mij waar en hoe vaak wij voor de werknemers van [[geïntimeerde]] voorlichtende bijeenkomsten hebben gehouden. Ik antwoord daarop als volgt: wij hebben een aantal keren voorlichtende bijeenkomsten gehouden op het kantoor van Acantus, maar hoe vaak we dat gedaan hebben zou ik niet meer zo kunnen zeggen (...)

Certus heeft geen specifiek onderzoek gedaan naar de oorzaken van vocht in de woningen; daarvoor bestond ook geen aanleiding. Hoeveel vocht er was deed er niet toe; het ging erom dat voorzieningen werden getroffen dat het aanwezige vocht geen houtrot veroorzaakte (...)

Ik merk nog op dat [betrokkene] zowel bij [betrokkene 2] als bij [[geïntimeerde]] betrokken was en dus geacht kon worden op de hoogte te zijn geweest van de aard en omvang en de staat van het renovatiewerk en het onderhoudswerk op het moment dat [[geïntimeerde]] de werkzaamheden overnam."

3. [[geïntimeerde]] heeft in contra-enquête twee getuigen laten horen, te weten [betrokkene] en [getuige 4], die - zakelijk weergegeven - als volgt hebben verklaard:

3.1. de partijgetuige [betrokkene]:

"(...) Ik stel voorop dat Damco/[[geïntimeerde]] volgens mij de overeengekomen werkzaamheden wel degelijk volledig en kwalitatief voldoende heeft verricht tot het moment waarop die werk-zaamheden werden gestaakt (...) Volgens mij heeft [[geïntimeerde]] het project niet overgenomen, maar afgemaakt, en wel op basis van nacalculatie en wel kostendekkend; daarin zat een winstopslag en een post algemene kosten. Zo is het besproken en overeengekomen met [betrokkene 1] (...) Dat er uiteindelijk toch problemen ontstonden was te wijten aan externe factoren die niet voor rekening van [[geïntimeerde]] zijn. Ik noem in dit verband de wijze van bewoning (te weinig ventileren), lekkage van daken en/of goten en te hoge bestrating aan de buitenkant (waarover wij de nodige opmerkingen hebben gemaakt bij Certus).

Wat wij moesten doen was het behandelen van de gevelelementen en dat hebben wij naar behoren gedaan (...)

Op het moment waarop [[geïntimeerde]] het project overnam was het grootste gedeelte van de woningen al opgeleverd en door Certus goedgekeurd (...)

Bij mijn weten is tijdens bouwvergaderingen nooit geklaagd over de kwaliteit van het geleverde werk (...)"

3.2. de [getuige 4]:

"Ik ben van 1984 tot 1996 in loondienst werkzaam geweest bij Acantus en wel als projectleider/-plaatsvervangend hoofd technische dienst (...) Volgens mijn belevenis heeft [[geïntimeerde]] in grote lijnen uitgevoerd datgene wat tussen partijen was overeengekomen; dat neemt niet weg dat in details wel wat tekortkomingen waren, zoals dat in elk bouwproject voorkomt (...) Ik heb de verklaringen gelezen die [de getuigen 1, 2 en 3] ter gelegenheid van het getuigen-verhoor van 22 oktober 2003 hebben afgelegd. Volgens mij komen die verklaringen niet helemaal overeen met de waarheid, in die zin dat ze niet (volledig) sporen met hetgeen in de bouwverslagen is terug te vinden en evenmin in de voor-opleveringsrapporten van Certus.

Certus heeft na overname van het project door [[geïntimeerde]] een draaiboek opgemaakt, inhoudende wat er nog aan de woningen moest gebeuren om ze te brengen in de (schilder)staat waarin zij behoorden te verkeren. Voorts had Certus als taak om te controleren of [[geïntimeerde]] in dit kader deed wat zij volgens de overeenkomst behoorde te doen en om aan te geven welke gebreken in dit kader werden geconstateerd; Certus diende te bewerkstelligen dat de geconstateerde gebreken door [[geïntimeerde]] werden verholpen. Certus had in het kader van de contractuele verhouding tussen partijen de garantieverplichting om te bewerkstelligen dat de woningen in de staat werden gebracht waarin zij na afloop van de werkzaamheden behoorden te verkeren (...)

Op het moment dat [[geïntimeerde]] het project overnam zaten - denk ik - nog 400 à 500 woningen niet in het garantiesysteem; die woningen moesten dus nog voor de volle 100% worden geïnspecteerd en voor zoveel nodig bijgewerkt; de andere woningen - ik denk ongeveer 800 - zaten toen al wel in het garantiesysteem; daarvan werden (dus) door Certus ongeveer 20% ofwel ca. 160 geïnspecteerd (...)

Vele van de woningen van het project kampten met vochtproblemen als gevolg van omgevings-factoren. Ik noem in dit verband lekkende dakranden, onjuist ventilatiegedrag van bewoners, minder goed functionerende ventilatievoorzieningen, begroeiingen van de gevels met planten en struiken, bestratingen die door de bewoners te hoog waren aangebracht, etc. Dat zijn zaken die buiten de invloedsfeer van [[geïntimeerde]] lagen, en waar [[geïntimeerde]] wel op gewezen heeft (...)

Die externe vochtproblemen waren wel van invloed op het resultaat van het door [[geïntimeerde]] geleverde werk, in die zin dat de vochtproblematiek na verloop van tijd de kwaliteit van het schilderwerk weer aantast. [getuige 3] van Certus heeft er herhaaldelijk op gewezen dat de omgevingsproblematiek moest worden opgelost. De rapporten waarin dat wordt vermeld zijn door mij ontvangen en ingebracht binnen het bedrijf van Acantus. Binnen Acantus werd dan aangegeven dat er voor dit jaar geen middelen in de begroting waren opgenomen, maar dat men dat voor het volgend jaar wel zou doen. Tijdens de periode dat [[geïntimeerde]] de schilderswerkzaam-heden heeft verricht zijn er geen problemen van betekenis geweest; er waren wel enkele rimpelingen, zoals bij elke bouw, maar geen golven.

Ik heb destijds kennis genomen van de inhoud van de inspectierapporten die zijn uitgebracht in de periode van september t/m december van het jaar 1989. Ik weet nu niet meer precies wat er in die diverse rapporten heeft gestaan; wel weet ik nog dat daarin opmerkingen hebben gestaan omtrent de kwaliteit van het kitwerk. "

4. Op grond van de inhoud van de verklaringen van [de getuigen 1, 2 en 3] - afzonderlijk en in hun onderlinge verband en samenhang bezien - acht het hof Acantus in het haar opgedragen bewijs geslaagd.

Uit deze verklaringen kan immers worden afgeleid dat zowel ten aanzien van de woningen waarvan de renovatiefase nog niet was voltooid toen [[geïntimeerde]] het werk overnam als wat betreft de woningen waarvan de renovatiefase op dat moment al was voltooid, sprake is geweest van door [[geïntimeerde]] niet volledig of kwalitatief onvoldoende verrichte werkzaamheden. Het beeld dat uit deze getuigen-verklaringen naar voren komt is dat het door [[geïntimeerde]] uitgevoerde werk in het algemeen de toets der kritiek niet kon doorstaan. De punten van kritiek betreffen met name - maar niet uitsluitend - vochtproblemen, het kitwerk, het schilderen over te vochtig hout en onvoldoende houtreparatiewerkzaamheden. Uit de getuigenverklaringen kan ook met voldoende zekerheid worden afgeleid dat het hier punten van kritiek betreft welke op het conto van [[geïntimeerde]] kunnen worden geschreven.

Hetgeen de getuigen hebben verklaard komt overeen met hetgeen het COT in de verslagen van de inspecties op 15 november 1989 (producties 4, 5 en 6 bij memorie van grieven) als kritiekpunten op het door [[geïntimeerde]] uitgevoerde werk heeft vermeld.

5. Hetgeen de aan de zijde van Acantus voorgebrachte getuigen hebben verklaard, wordt naar 's hofs oordeel niet, althans onvoldoende weerlegd door de in contra-enquête gehoorde partijgetuige [betrokkene] en de [getuige 4]. De verklaringen van deze laatstgenoemde getuigen zijn daarvoor te weinig toegesneden op de specifieke punten van geschil met betrekking tot het door [geïntimeerde] geleverde werk.

Het hof merkt in dit verband met name nog op dat, voor zover de partijgetuige [betrokkene] heeft verklaard dat bij zijn weten tijdens bouwvergaderingen nooit over de kwaliteit van het geleverde werk is geklaagd, het tegendeel blijkt uit de inhoud van de verslagen van de bouwvergaderingen op 7 september 1989, 13 en 14 september 1989 en 21 september 1989 (door Acantus overgelegd als producties

1, 2 en 3 bij memorie na comparitie).

Waar de [getuige 4] heeft verklaard dat tijdens de periode dat [[geïntimeerde]] de schilderwerkzaamheden heeft verricht, er geen problemen van betekenis zijn geweest, spoort die verklaring niet met de inhoud van de hiervoor genoemde verslagen van de bouwvergaderingen en de uitkomsten van de inspecties door COT. Hetgeen deze getuige voorts heeft verklaard omtrent de contractuele verplichtingen van Certus is voor het probandum niet van belang, omdat [[geïntimeerde]] zelfstandig jegens Acantus aansprakelijk is voor de kwaliteit van het door haar, [[geïntimeerde]], geleverde werk.

6. Het hiervoor overwogene leidt tot het oordeel dat thans genoegzaam is komen vast te staan dat [[geïntimeerde]] de ten processe bedoelde werkzaamheden niet volledig en/of niet kwalitatief voldoende heeft verricht en derhalve toerekenbaar tekort is geschoten in haar verplichtingen jegens Acantus.

Hetgeen [[geïntimeerde]] in haar zeer uitvoerige, en van een groot aantal producties voorziene antwoordmemorie na enquête nog heeft aangevoerd, doet aan dit oordeel niet af. Bovendien heeft Acantus daarop niet meer kunnen reageren.

7. Aan de vordering van Acantus ligt haar stelling ten grondslag dat zij als gevolg van de tekortkoming van [[geïntimeerde]] schade heeft geleden. Die schade bestaat, aldus Acantus, in de (extra) kosten die gemoeid zijn geweest met herstel door Schilderswacht van hetgeen waartoe [[geïntimeerde]] zich contractueel jegens Acantus had verbonden, doch met de uitvoering waarvan zij toerekenbaar tekort is geschoten. Het gaat hier om de ter zake door Schilderswacht aan Acantus in rekening gebrachte bedragen, verminderd met de door Acantus in het onderhoudsfonds gestorte termijnvergoedingen.

8. Acantus heeft in hoger beroep - na wijziging van eis - primair gevorderd verwijzing naar de schadestaatprocedure. Op grond van het hetgeen hiervoor is overwogen, oordeelt het hof dat het bestaan of de mogelijkheid van schade aan de zijde van Acantus als gevolg van de wanprestatie van [[geïntimeerde]] aannemelijk is. Reeds op deze grond is de primaire vordering van Acantus toewijsbaar.

Aan de subsidiaire vordering komt het hof dan ook niet meer toe.

9. De grief in het principaal appel slaagt in zoverre.

wederom in het incidenteel appel

10. In 's hofs tussenarrest van 16 mei 2001 is al overwogen dat en op grond waarvan de grieven I t/m IV en VI tevergeefs zijn voorgedragen. Kortheidshalve wordt hierbij verwezen naar hetgeen het hof in zijn tussenarrest met betrekking tot deze grieven heeft overwogen.

11. Grief V is gericht tegen hetgeen de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van de vordering van [[geïntimeerde]] ad ƒ 84.328,87 (factuur 89056) met betrekking tot het zogenoemde Sigma-project.

11.1. [[geïntimeerde]] maakt aanspraak op betaling van dit bedrag, aanvoerende dat zij met betrekking tot de tot dit project behorende woningen de voorgeschreven werk-zaamheden heeft uitgevoerd en dat het niet verkrijgen van een goedkeurende verklaring door COT niet gelegen was in de wijze van uitvoering van die werkzaamheden. Naar de mening van [[geïntimeerde]] dient zij daarom bij redelijke uitvoering van het contract betaald te krijgen voor de verrichte werkzaamheden.

11.2. Acantus heeft, als onderdeel van haar betwisting dat [[geïntimeerde]] eind 1989/begin 1990 de ten processe bedoelde werkzaamheden niet volledig en/of niet kwalitatief voldoende heeft verricht, weersproken dat de door [[geïntimeerde]] verrichte werkzaamheden met betrekking tot het Sigma-project - geheel - voldeden aan de daaraan redelijkerwijs te stellen eisen. De door haar in het principaal appel voorgebrachte [getuigen 1 en 2] hebben in hun verklaringen ook aangegeven welke de punten van kritiek waren op de hier bedoelde werkzaam-heden. De aan de zijde van [[geïntimeerde]] gehoorde getuigen [betrokkene] en [getuige 4] hebben een en ander niet kunnen weerleggen.

11.3. Het hof houdt het er dan ook voor dat [[geïntimeerde]] in de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot het Sigma-project tekort is geschoten en dat COT daarom op juiste gronden de goedkeuring heeft onthouden aan de ter zake door [[geïntimeerde]] verzonden facturen.

11.4. De grief die is gebaseerd op het tegendeel, faalt om die reden.

Slotsom

in het principaal appel

12. Het vonnis waarvan beroep, voor zover in reconventie gewezen, kan niet in stand blijven. Opnieuw rechtdoende zal het hof de vordering van Acantus toewijzen als na te melden.

in het incidenteel appel

13. Het vonnis waarvan beroep, voor zover in conventie gewezen, zal worden bekrachtigd.

in het principaal en het incidenteel appel

14. [[geïntimeerde]] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in zowel de kosten van de procedure in eerste aanleg in reconventie (31/4 procespunten, tarief II) als in die van het geding in hoger beroep (3 procespunten, tarief II).

De beslissing

Het gerechtshof:

in het principaal appel

vernietigt het vonnis van de rechtbank Groningen van 29 juli 1994 waarvan beroep, voor zover in reconventie gewezen,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [[geïntimeerde]] tot betaling aan Acantus van de schade welke Acantus tengevolge van de tekortkoming van [[geïntimeerde]] bij de uitvoering van de overeengekomen, ten processe bedoelde werkzaamheden heeft geleden, zulks op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

in het incidenteel appel

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Groningen van 29 juli 1994 waarvan beroep, voor zover in conventie gewezen;

in het principaal en het incidenteel appel

veroordeelt [[geïntimeerde]] in de kosten van het geding en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van Acantus:

in eerste aanleg op euro 1.756,13 (ƒ 3.870,--) aan verschotten en op euro 1.047,-- aan salaris voor de procureur,

in hoger beroep op euro 5.880,04 aan verschotten (euro 26,74 explootkosten, euro 3.757,30 vast recht en euro 2.096,-- getuigentaxen) en op euro 2.682,-- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs Mollema, voorzitter, Zuidema en Zandbergen, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 21 juni 2006.