Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AX9085

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-06-2006
Datum publicatie
21-06-2006
Zaaknummer
BK 521/03 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Is het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard?

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 23
Algemene wet inzake rijksbelastingen 25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-1186
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 521/03 16 juni 2006

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, vierde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Noord, kantoor Heerenveen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PV) over het jaar 1999.

1. Ontstaan en loop van het geding:

1.1 Aan belanghebbende werd voor het jaar 1999 op 3 oktober 2001 een aanslag IB/PV opgelegd naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 van ƒ 19.858, -.

1.2 Op het ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 16 juni 2003 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.3 Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), dat op 20 juni 2003 is ingekomen bij het hof.

1.4 De inspecteur heeft op 6 maart 2006 een verweerschrift (met bijlagen) bij het hof ingediend.

1.5 Bij brief (met bijlage), ingekomen bij het hof op 13 april 2006, heeft de gemachtigde van belanghebbende het beroepschrift aangevuld. Tevens heeft hij daarin te kennen gegeven niet aanwezig te zullen zijn bij de mondelinge behandeling.

1.6 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het hof, gehouden op 15 mei 2006 te Leeuwarden, alwaar aanwezig was namens de inspecteur de heer A.

1.7 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten:

Blijkens de gedingstukken staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Belanghebbende exploiteert een distributiecentrum voor landelijke dagbladen.

2.2 Bij belanghebbende is door de belastingdienst een boekenonderzoek ingesteld waarvan op 17 mei 2001 een rapport is opgemaakt. In het boekenonderzoek is geconstateerd dat voor de tot het ondernemingsvermogen behorende personenauto’s in de jaren 1997, 1998 en 1999 geen kilometeradministratie is bijgehouden. In het voormelde rapport heeft de inspecteur aangegeven het niet aangegeven privé-gebruik personenauto’s over het jaar 1997 en 1998, verrekend met de voorbelasting ter zake van de omzetbelasting, te zullen navorderen, waarbij een vergrijpboete van 25% zal worden opgelegd. Over het jaar 1999 zal een primitieve aanslag worden opgelegd, waarin rekening wordt gehouden met het privé-gebruik van de personenauto’s en een verrekening zal worden toegepast ter zake van de voorbelasting.

2.3 In afwijking van de betreffende aangifte is op 3 oktober 2001 een aanslag IB/PV opgelegd over het jaar 1999 naar een belastbaar inkomen van ƒ 19.858, -. Dit bedrag is als volgt berekend:

Aangegeven stipinkomen ƒ 18.917, -

Correctie privé gebruik auto (incl. correctie voorbelasting OB) ƒ 2.626, -

Hogere dotatie fiscale oudedagsreserve -/-ƒ 1.685, -

ƒ 19.858, -

2.4 Na indiening van een pro-forma bezwaarschrift op 9 oktober 2001, heeft de gemachtigde van belanghebbende in zijn brief van 25 oktober 2001 aangegeven tegen de bijtelling ter zake van het privé-gebruik auto geen bezwaar te hebben. Belanghebbende maakt wel opmerkingen die betrekking hebben op omzetbelasting, die de inspecteur in zijn correctie op de winst als kosten in mindering heeft gebracht. Belanghebbende wenst ook bezwaar te maken tegen een boete, die in tegenstelling tot bij de navorderingsaanslagen over 1997 en 1998 niet was opgelegd.

2.5 Op 16 juni 2003 heeft de inspecteur uitspraak gedaan op het door belanghebbende ingediende bezwaar. Het bezwaar van belanghebbende is niet-ontvankelijk verklaard, omdat – volgens de inspecteur – een inhoudelijke motivering ontbreekt. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen.

3. Het geschil en de standpunten van partijen:

Het hof begrijpt uit de bij het hof ingediende stukken dat het antwoord op de volgende vragen in geschil zijn:

3.1 Is het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard? Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de inspecteur bevestigend.

3.3 Moet de inspecteur niet-ontvankelijk worden verklaard omdat hij te laat uitspraak heeft gedaan op het namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift? Belanghebbende vindt van wel en wenst in aanmerking te komen voor een schadevergoeding. De inspecteur is juist de mening toegedaan dat belanghebbende niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn beroep. Voor een proceskostenvergoeding komt niet belanghebbende, maar juist de inspecteur in aanmerking, aldus de inspecteur.

3.5 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen in de van hen afkomstige stukken zijn aangevoerd. Voor een meer uitgebreide weergave van hun standpunten zij verwezen naar de gedingstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil:

4.1 Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht dient een bezwaarschrift de gronden van het bezwaar te bevatten. In de brief met dagtekening 25 oktober 2001 is namens belanghebbende ingegaan op de onder 2.2 vermelde rapportage van het boekenonderzoek. Ten eerste is daarin opgemerkt is dat van de door de inspecteur verrekende voorbelasting een specificatie ontbreekt. Vervolgens is de in de loop van de tijd gehanteerde handelswijze van belanghebbende ten aanzien van de kilometeradministratie uiteengezet. Uiteindelijk is namens belanghebbende aangegeven dat akkoord gegaan werd met “de bijtelling van 20% van de cataloguswaarde voor privé-gebruik auto”. Gelet op de voormelde inhoud kan, naar het oordeel van het hof, niet gesteld worden dat een inhoudelijke motivering van het bezwaar ontbreekt. Voor een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar is dan ook geen plaats, zodat het beroep van belanghebbende in zoverre doel treft dat de uitspraak op bezwaar vernietigd moet worden. Echter, de onderhavige aanslag blijft in stand omdat geen geschil bestaat over de bijtelling van 20% van de cataloguswaarde voor privé-gebruik auto en van de omzetbelasting die ambtshalve door de inspecteur als kosten in aftrek is gebracht gesteld noch gebleken is dat deze kosten tot op een te laag bedrag zijn vastgesteld.

4.2 Belanghebbende klaagt erover dat de inspecteur ver buiten de één jaarstermijn van artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (: AWR) uitspraak heeft gedaan op het bezwaar van belanghebbende. Tevens klaagt hij erover dat de inspecteur, in tegenstelling tot wat hij had aangegeven, niets van zich heeft laten horen nadat er zes weken waren verstreken na het indienen van het bezwaarschrift. Schending van artikel 25, eerste lid, AWR heeft naar het oordeel van het hof geen ander gevolg dan dat belanghebbende op de voet van artikel 6:2, aanhef, onderdeel b, van de Algemene wet bestuursrecht eerder beroep bij het hof zou hebben kunnen instellen dan hij nu heeft gedaan. Het enkele feit dat uitspraak wordt gedaan na het verstrijken van de wettelijke termijn kan niet leiden tot vernietiging van de onderhavige aanslag. Evenmin zal het hof de door belanghebbende beoogde consequentie van de overschrijding van de termijn van het eerste lid van de AWR, te weten een niet-ontvankelijkheidverklaring van de inspecteur, daaraan verbinden, omdat het fiscale procesrecht deze consequentie niet kent. Voorts hebben de opmerkingen van belanghebbende over een redelijke termijn betrekking op artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Op grond van het eerste lid daarvan moet de behandeling van een zaak waarin een boete is opgelegd binnen een redelijke termijn plaatsvinden. Aangezien van een boete in het onderhavige geval geen sprake is, behoeft een overschrijding van een redelijke termijn geen bespreking.

4.3 Al het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat belanghebbendes beroep gegrond moet worden verklaard omdat hij - zoals onder 4.1 is overwogen - ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar.

5. De proceskosten:

Gelet op de gegrondverklaring van het beroep acht het hof termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht. en beperkt deze op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht tot op € 80,50..

6. De beslissing:

Het gerechtshof verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

handhaaft de onderwerpelijke aanslag IB/PV 1999;

gelast dat de Staat der Nederlanden aan belanghebbende het griffierecht van € 31, - vergoedt;

veroordeelt de inspecteur de kosten aan belanghebbende te vergoeden, die deze redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, te bepalen op € 80,50; en

wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te dragen.

Aldus vastgesteld op 16 juni 2006 door mr. J. Huiskes, raadsheer, lid van de vierde enkelvoudige belastingkamer, en op die dag in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden door voornoemde raadsheer in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. de Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde raadsheer en griffier.

Op 21 juni 2006 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.