Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AX8470

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
09-06-2006
Datum publicatie
14-06-2006
Zaaknummer
BK 674/04 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of de EIA zoals door belanghebbende bij de aangifte verzocht terecht deels is geweigerd in verband met niet tijdige melding door belanghebbende.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.42
Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/58.15 met annotatie van Redactie
FutD 2006-1106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. BK 674/04 9 juni 2006

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001.

1. Ontstaan en loop van het geding.

Belanghebbende werd voor het jaar 2001 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekerin-gen aangeslagen naar een verzamelinkomen als bedoeld in de Wet inkomstenbelasting 2001, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold, (hierna te noemen: de Wet) van € 14.736,--.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 12 juni 2004 de aanslag verminderd tot een aanslag naar een verzamelinkomen van € 3.944,-- leidende tot een te betalen bedrag van nihil.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift hetwelk op 23 juli 2004 is ingekomen en is aangevuld bij schrijven (met bijlagen) van 22 september 2004.

Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft het gerechtshof belanghebbende toegestaan een conclusie van repliek in te zenden, welke conclusie van repliek ter 's hofs griffie is ingekomen op 23 februari 2005 en waarvan een afschrift werd gezonden aan de inspecteur.

De inspecteur heeft vervolgens een conclusie van dupliek ingezonden, welke conclusie van dupliek ter 's hofs griffie is ingekomen op 15 maart 2005 en waarvan een afschrift op 16 maart 2005 werd gezonden aan de gemachtigde van belanghebbende.

Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 2 februari 2006, gehouden te Leeuwarden, waarbij aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende, mr. A, alsmede namens de inspecteur B.

Ter voormelde zitting hebben zowel de gemachtigde van belanghebbende als de inspecteur een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting de gelegenheid gekregen kennis te nemen van de conclusie van dupliek, daar hij zulks nog niet eerder had gedaan.

Van alle genoemde (en nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Belanghebbende heeft in 1999 de mogelijkheden onderzocht voor de bouw van een windturbine op zijn grond. Zulks bleek mogelijk te worden door samenwerking met belanghebbendes buurman, de maatschap C (hierna: C).

2.2 Belanghebbende en C enerzijds als koper en D BV (hierna: D) als verkoper hebben daartoe een koopovereenkomst gesloten die door D op 30 september 1999 is ondertekend en door belanghebbende en C op 29 maart 2000.

2.3 Belanghebbende en C hebben de exploitatie van de windturbine de vorm gegeven van een maatschap. Op 12 april 2001 is de maatschapsakte verleden en is een opstalrecht voor de maatschap gevestigd. De exploitatiewinst komt aan belanghebbende en C ieder voor de helft toe.

2.4 In de koopovereenkomst is een koopprijs van f. 1.089.999,04 vermeld, die vast is voor levering voor of op 31 maart 2000. Bij levering na die datum zou de koopprijs worden verhoogd met 0,5% per maand. Voorts is in de koopovereenkomst vermeld: “Datum inwerkingtreding De verplichtingen en rechten van Partijen treden in werking op de datum van acceptatie ontvangstbevestiging E met betrekking tot de aanvraag groenverklaring.”

2.5 De groenverklaring is bij brief van 16 maart 2001 door de F-Bank aangevraagd en op 30 maart 2001 namens de minister van VROM door E BV afgegeven.

2.6 De windturbine is geplaatst in 2001 en was eind juni 2001 in werking.

2.7 Op 15 mei 2001 is door belanghebbende bij het Bureau Investeringsregelingen en willekeurige afschrijving (hierna: IRWA) melding gedaan voor zijn aandeel in de investering in de windturbine en verzoekt hij om een verklaring “Energie-investeringsaftrek” (hierna: EIA).

2.8 Op 11 juni 2002 is door G namens de minister van economische zaken een beschikking gegeven waaruit blijkt dat de windturbine voldoet aan de technische eisen van de energielijst 2001. Daarbij wordt echter opgemerkt dat van het totale door belanghebbende aangegeven investeringsbedrag ad f. 1.271.844,02 slechts f. 153.058,54 binnen drie maanden na het aangaan van de investeringsverplichting – en dus tijdig- bij IRWA is gemeld en voor EIA in aanmerking komt. Bij besluit van 26 september 2003 is dit laatste bedrag nog verlaagd tot € 34.728,-. Belanghebbende heeft op 10 juli 2002 bezwaar gemaakt tegen deze beschikking en is van de afwijzende uitspraak op het bezwaar in beroep gegaan bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, welk college het beroep ongegrond heeft verklaard wegens overschrijding van de termijn van drie maanden voor het doen van het verzoek bij IRWA.

2.9 C heeft binnen drie maanden na het tekenen van de koopovereenkomst op 29 maart 2000 voor haar aandeel in de windturbine een verzoek gedaan bij IRWA.

2.10 Bij het vaststellen van de onderhavige aanslag heeft de inspecteur, naast enige daaruit voortvloeiende correcties, het aangegeven verzamelinkomen verhoogd met € 139.544,-- wegens lagere EIA.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak alsnog investeringsaftrek en kleinschaligheidsaftrek verleend tot een bedrag van € 11.717,-- alsmede meewerkaftrek tot een bedrag van € 481,-- en in verband met vorenstaande de eerder toegestane toevoeging aan de oudedagsreserve verminderd met € 1.406,--. Het nader vastgestelde verzamelinkomen bedroeg alstoen € 3.944,-- zodat volledig werd tegemoetgekomen aan belanghebbendes stellingname in het bezwaarschrift.

3. Het geschil.

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of de EIA zoals door belanghebbende bij de aangifte verzocht terecht deels is geweigerd in verband met niet tijdige melding door belanghebbende.

4. De standpunten van partijen.

Belanghebbende heeft op gronden, gelijk vervat in zijn beroepschrift, de conclusie van repliek en voormelde pleitnota, primair het standpunt ingenomen dat de investeringsverplichting eerst bij vervulling van de opschortende voorwaarde op 30 maart 2001 is aangegaan en subsidiair gewezen op het tijdstip dat wordt aangenomen als vervreemdingstijdstip bij desinvestering onder opschortende voorwaarde. Hij ziet geen reden waarom een opschortende voorwaarde bij de EIA anders zou moeten worden behandeld. Zowel primair als subsidiair zou de melding bij IRWA tijdig zijn gedaan. Ook het verlenen van een bouwvergunning behoort tot de opschortende voorwaarden. De melding is gedaan binnen drie maanden na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning.

De inspecteur heeft daartegenover op gronden, gelijk weergegeven in zijn verweerschrift, de conclusie van dupliek en de pleitnota het standpunt verdedigd dat voor zover G geen verklaring voor de in geschil zijnde investering heeft gegeven de EIA niet kan worden verleend. Met betrekking tot de verklaring van G staat geen rechtsgang open bij de belastingrechter. Overigens zijn door belanghebbende de investeringsverplichtingen aangegaan bij ondertekening van de koopovereenkomst op 29 maart 2000. Een opschortende voorwaarde maakt dit volgens de inspecteur niet anders, zodat de melding bij IRWA te laat is gedaan.

Partijen hebben ter zitting hun onderscheidene standpunten gehandhaafd, zonder daartoe overigens nog nadere gronden te hebben aangevoerd.

5. De overwegingen omtrent het geschil.

5.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 3.42 van de Wet wordt een in lid 3 van dat artikel aangewezen percentage van het bedrag aan in enig kalenderjaar gedane energie-investeringen, waarvoor op een door de ondernemer gedaan verzoek door de Minister van Economische Zaken is verklaard dat sprake is van energie-investeringen, ten laste van de winst over dat jaar gebracht. In lid 7 van dit wetsartikel is bepaald dat in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken regels kunnen worden gesteld met betrekking tot bovenbedoelde verklaring. Deze regels zijn gesteld in de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001.

5.2 Vast staat dat bovenbedoelde verklaring slechts voor een investeringsbedrag van f. 153.058,54 (later nog verlaagd tot

€ 34.728,-) is gegeven en voor het resterende bedrag is geweigerd. Tegen de weigering is door belanghebbende beroep ingesteld overeenkomstig het bepaalde in lid 8 van voormeld artikel 3.42 van de Wet. Dit beroep is door het College van Beroep voor het bedrijfsleven ongegrond verklaard, welke beslissing onherroepelijk vaststaat.

5.3 Reeds wegens op het ontbreken van de vereiste verklaring voor het resterende bedrag van de investeringen kan, gelet op de tekst van artikel 3.42 van de Wet, voor dat resterende bedrag de energie-investeringsaftrek niet worden verleend.

5.4 De beslissing van de inspecteur betreffende het al dan niet toekennen van energie-investeringsaftrek heeft het karakter van een gebonden beschikking, zodat aan de inspecteur niet de vrijheid toekomt om, bij ontstentenis van de vereiste verklaring, de energie-investeringsaftrek toch toe te kennen.

5.5 Naar ’s hofs oordeel kunnen de door belanghebbende aangevoerde argumenten aan het vorenstaande niet afdoen, nu die argumenten feitelijk beogen voor de belastingrechter opnieuw een rechtsgang te doorlopen betreffende het al dan niet afgeven van de bedoelde verklaring, terwijl de Wet zulks beperkt tot de in lid 8 van artikel 3.42 van de Wet vermelde rechtsgang.

5.6 Het beroep is derhalve ongegrond.

5.7 Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan door mr. F.J.W. Drion, raadsheer en voorzitter, mr. J. Huiskes, raadsheer, en mr. H. Bakker, raadsheer-plaatsvervanger, en op 9 juni 2006 in het openbaar uitgesproken door voornoemde raadsheer mr. Huiskes in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. de Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde raadsheer en de griffier.

Op 14 juni 2006 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.