Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AX7469

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-06-2006
Datum publicatie
08-06-2006
Zaaknummer
0500559
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan [appellant] bij memorie van grieven ingang tracht te doen vinden, is het hof, mede gelet op de (ingrijpende) gevolgen die de erfopvolging in het onderhavige geval voor het overige vermogen van [geïntimeerde 2] in geval van een zuivere aanvaarding zou hebben, waarbij in het bijzonder moet worden gedacht aan de verplichting om aan de levering van de onroerende zaak mee te werken, van oordeel dat geen sprake is van misbruik van de aan hem als erfgenaam toegekende bevoegdheid om de nalatenschap van de erflater onder het voorrecht van boedelbeschrijving te aanvaarden, terwijl zijn handelwijze evenmin is aan te merken als paulianeus. Het standpunt van [appellant] dat de litigieuze aanvaarding onder het voorrecht van boedelbeschrijving nietig zou zijn, moet dan ook worden verworpen. Voorts is de handelswijze van [geïntimeerde 2] naar het oordeel van het hof evenmin in strijd met de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen [geïntimeerde 2], [appellant] en [geïntimeerde 1] als deelgenoten in de tussen hen bestaande gemeenschap beheerst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 7 juni 2006

Rolnummer 0500559

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats appellant],

appellant,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr P.R. van den Elst,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats geïntimeerde 1],

hierna te noemen: [geïntimeerde 1],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie,

niet verschenen,

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats geïntimeerde 2],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde 2],

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie, procureur: mr J.V. van Ophem.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 8 december 2004 en 27 juli 2005 door de rechtbank Groningen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 26 oktober 2005 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 27 juli 2005 met dagvaarding van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tegen de zitting van 16 november 2005.

Het petitum van de dagvaarding in hoger beroep luidt:

"bij arrest, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen het vonnis van de Rechtbank Groningen, sector civiel, van 27 juli 2005 tussen partijen gewezen en, opnieuw rechtdoende, de in eerste aanleg door appellant in conventie ingestelde vordering in het petitum van de inleidende dagvaarding sub 2 alsnog toe te wijzen door te verklaren voor recht dat de beneficiaire aanvaarding door [geïntimeerde 2] Tijdens voor nietig moet worden gehouden, - zulks met veroordeling van geïntimeerden elk hoofdelijk in de kosten van beide instanties."

[appellant] heeft vervolgens een memorie van grieven genomen.

Bij memorie van antwoord, waarbij tevens producties zijn overgelegd, is door [geïntimeerde 2] verweer gevoerd met als conclusie:

"De grief van appellant ([appellant]) ongegrond te verklaren en het vonnis van de Rechtbank van 27 juli 2005, zo nodig onder aanvulling van de gronden, te bekrachtigen en appellant te veroordelen in de kosten van dit hoger beroep."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd en heeft het hof een dag bepaald voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft één grief opgeworpen.

De beoordeling

Het vonnis waarvan beroep

1. Duidelijkheidshalve overweegt het hof dat het vonnis waarvan beroep naar het oordeel van het hof als een eindvonnis is aan te merken, voor zover de rechtbank daarbij in het dictum onder 1 heeft afgewezen de door [appellant] als oorspronkelijk eiser in conventie gevorderde verklaring voor recht dat de aanvaarding door [geïntimeerde 2] van de nalatenschap van hun vader [de vader], hierna te noemen de erflater, onder het voorrecht van boedelbeschrijving voor nietig moet worden gehouden (petitum onder 2 van de inleidende dagvaarding). Bijgevolg is het bepaalde in het dictum van het vonnis onder 3, inhoudende dat van het vonnis hoger beroep kan worden ingesteld, rechtens zonder betekenis.

De vaststaande feiten

2. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 1 (1.a tot en met 1.h) van genoemd vonnis van 27 juli 2005 is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

Met betrekking tot de grief:

3. De grief is gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van de gevorderde verklaring voor recht dat de aanvaarding door [geïntimeerde 2] van de nalatenschap van de erflater onder het voorrecht van boedelbeschrijving voor nietig moet worden gehouden.

4. Vaststaat onder meer dat de erflater, toen zijn echtgenote [de echtgenote] reeds was overleden, aan [appellant] heeft verpacht respectievelijk verkocht, maar niet geleverd de boerenbehuizing, plaatselijk bekend [adres]. Voorts staat vast dat deze onroerende zaak voor een half onverdeeld aandeel tot de nalatenschap van de erflater behoort. Tot deze nalatenschap zijn [geïntimeerde 2], [appellant] en [geïntimeerde 1] als testamentaire erfgenamen nalatenschap geroepen, van wie [geïntimeerde 2] de nalatenschap op 26 april 2003 heeft aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving. Als testamentaire erfgenamen van hun moeder, de voornoemde echtgenote van de erflater, hadden [geïntimeerde 2], [appellant] en [geïntimeerde 1] reeds voordien in die onroerende zaak ieder een één/zesde aandeel verkregen onder bezwaar van een legaat van levenslang vruchtgebruik ten behoeve van de erflater.

5. Zo de voor overgang vatbare schulden van de erflater al niet reeds van rechtswege als sequeel van de opvolging onder algemene titel in de goederen van de erflater bij het openvallen van de nalatenschap op [geïntimeerde 2], [appellant] en [geïntimeerde 1] als zijn testamentaire erfgenamen waren overgaan, zijn deze schulden in ieder geval ingevolge art. 135 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek per 1 januari 2003 op hen overgegaan.

6. Door die overgang zijn de testamentaire erfgenamen van de erflater krachtens vaste jurisprudentie ook gebonden aan door hem aangegane overeenkomsten, welke betrekking hebben op goederen die de erflater tijdens diens leven en zijn (latere) erfgenamen tezamen toebehoorden, zoals te dezen het geval is met de onroerende zaak als hiervoor vermeld (HR 28 november 1980, NJ 1981, 440; HR 23 juni 1989, NJ 1989, 732)

7. Daargelaten de door [appellant] gestelde nietigheid van de aanvaarding door [geïntimeerde 2] van de nalatenschap van de erflater onder het voorrecht van boedelbeschrijving, bewerkt deze aanvaarding, die onder vigeur van het nieuwe erfrecht heeft plaatsgevonden, ingevolge art. 4:184 BW (behoudens daargenoemde uitzonderingen) dat [geïntimeerde 2] niet gehouden is de schulden van de nalatenschap waaronder die uit de door de erflater met [appellant] aangegane pachtovereenkomst en de door erflater met [appellant] aangegane koopovereenkomst ten laste van zijn overig vermogen te voldoen.

8. Anders dan [appellant] bij memorie van grieven ingang tracht te doen vinden, is het hof, mede gelet op de (ingrijpende) gevolgen die de erfopvolging in het onderhavige geval voor het overige vermogen van [geïntimeerde 2] in geval van een zuivere aanvaarding zou hebben, waarbij in het bijzonder moet worden gedacht aan de verplichting om aan de levering van de onroerende zaak mee te werken, van oordeel dat geen sprake is van misbruik van de aan hem als erfgenaam toegekende bevoegdheid om de nalatenschap van de erflater onder het voorrecht van boedelbeschrijving te aanvaarden, terwijl zijn handelwijze evenmin is aan te merken als paulianeus. Het standpunt van [appellant] dat de litigieuze aanvaarding onder het voorrecht van boedelbeschrijving nietig zou zijn, moet dan ook worden verworpen. Voorts is de handelswijze van [geïntimeerde 2] naar het oordeel van het hof evenmin in strijd met de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen [geïntimeerde 2], [appellant] en [geïntimeerde 1] als deelgenoten in de tussen hen bestaande gemeenschap beheerst.

9. De grief faalt derhalve.

De slotsom.

10. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. [appellant] moet als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep worden veroordeeld. De kosten van het geding in hoger beroep, voor zover aan de zijde van [geïntimeerde 2] gevallen, zullen worden berekend naar het liquidatietarief voor de hoven (tarief II; 1 pt. à euro 894,--).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde 1] tot aan deze uitspraak op nihil en aan de zijde van [geïntimeerde 2] tot aan deze uitspraak op euro 291,-- aan verschotten en euro 894,-- aan salaris voor de procureur;

verwijst de zaak naar de rechtbank Groningen ter verdere behandeling en beslissing.

Aldus gewezen door mrs Mollema, voorzitter, Huiskes en Zandbergen, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 7 juni 2006.