Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AX6857

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-06-2006
Datum publicatie
07-06-2006
Zaaknummer
BK 403/04 Vermogensbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of de aanslag door de inspecteur op het juiste bedrag is vastgesteld alsmede of terecht een boete van 50% is opgelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. BK 403/04 2 juni 2006

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi/kantoor Utrecht (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 2000 en de daaraan verbonden boetebeschikking.

Belanghebbende werd voor het jaar 2000 in afwijking van zijn aangifte in de vermogensbelasting aangeslagen naar een vermogen als bedoeld in de Wet op de vermogensbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold, (hierna te noemen: de Wet) van f. 1.972.282,--. Bij beschikking is hem tevens een vergrijpboete opgelegd van f. 6.202,--.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 19 februari 2004 (naar belanghebbende verstuurd op 12 maart 2004) de aanslag en de boete gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 7 april 2004 bij de inspecteur is ingekomen, die het heeft doorgezonden naar het hof, alwaar het op 14 mei 2004 is ingekomen. Belanghebbende heeft het beroepschrift aangevuld bij schrijven van 3 juni 2004 (met bijlagen).

Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 2 februari 2006, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren belanghebbende en namens de inspecteur mr.drs. A, bijgestaan door mr. B.

Ter voormelde zitting heeft de inspecteur de door hem ter zitting voorgedragen pleitnota overgelegd. Belanghebbende heeft geen bezwaar tegen overlegging, door de inspecteur, van enige schriftelijke stukken als bijlage bij de pleitnota.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Belanghebbende is in het verleden gehuwd geweest met C en later met D.

2.2 Uit de huwelijkse periode met mevrouw C resteerde de voormalige echtelijke woning te L, die in 1999 nog op naam van belanghebbende stond, met een WOZ-waarde na toepassing van het ophogingspercentage van f. 661.000,--. Tevens resteerde een door belanghebbende bij een verhuisbedrijf in opslag gegeven inboedel, die krachtens rechterlijke beslissing van 12 mei 1999 aan mevrouw C diende te worden overgedragen. Op 2 maart 2001 heeft belanghebbende toestemming gegeven voor deze overdracht. Tot 1 november 1999 stond eveneens een andere woning, te M, op naam van belanghebbende. De WOZ-waarde van deze woning bedroeg f. 264.500,--. Deze woning is in 1999 verkocht.

2.3 Op 6 februari 2001 had belanghebbende nog geen daadwerkelijke betaling gedaan van de door hem aan mevrouw C verschuldigde alimentatie.

2.4 In 1999 bezat belanghebbende 11% van de aandelen E BV (nader: E). Tevens bezat belanghebbende direct 21 gewone aandelen, indirect 108 gewone aandelen en 91.666 preferente aandelen F BV (nader: F). F hield 50% van de aandelen E. Op 31 december 1999 had E een zichtbaar intrinsieke waarde van f. 940.258,-- (exclusief voorzieningen), terwijl F per die datum een zichtbaar intrinsieke waarde had van f. 2.723.223,--.

2.5 Op 17 februari 1999 heeft E dividend uitgekeerd, waarvan aan belanghebbende f. 99.000,-- ter beschikking is gesteld, waarop f. 24.750,-- aan dividendbelasting is ingehouden.

In 1998 was aan belanghebbende (bruto) f. 867.317,-- aan dividend uitgekeerd.

2.6 Belanghebbende was in 1999 voorts nog gerechtigd in een onverdeelde boedel. Blijkens een door hem bij schrijven van 4 september 2002 gegeven specificatie bedroeg de waarde van belanghebbendes aandeel daarin per 31 december 1999 na aftrek van schulden f. 1.897.300,--.

2.8 Bij het doen van aangifte voor de vermogensbelasting voor het onderhavige jaar heeft belanghebbende de vragen naar zijn bezittingen alle ingevuld met nihil. Bij de vragen naar de schulden heeft belanghebbende eveneens alle vragen ingevuld met nihil, zij het dat hij aanvankelijk wel bedragen had ingevuld bij de vragen naar schulden in verband met de eigen woning en in verband met overige onroerende zaken, doch deze bedragen vervolgens heeft doorgestreept.

2.9 Uit het verslag van een hoorzitting ter inspectie op 12 februari 2003 blijkt dat belanghebbende reeds een aantal jaren geen of een onjuiste aangifte heeft ingediend.

2.10 Bij schrijven van 3 april 2003 van belanghebbende aan de inspecteur heeft belanghebbende erkend dat de aangiften voor de vermogensbelasting incorrect zijn gedaan. Tevens heeft belanghebbende bij dat schrijven van 3 april 2003 gesteld dat in het jaar 1999 aan alimentatie voor mevrouw C een bedrag van f. 1.000.000,-- is vergoed.

2.11 Tijdens de hoorzitting van 12 februari 2003 heeft belanghebbende tegenover de inspecteur verklaard dat hij op 30 januari 2003 met mevrouw C een schikking heeft getroffen waarbij hij zijn alimentatieverplichtingen heeft afgekocht met behulp van € 90.000,-- uit de verkoop van een deel van de preferente aandelen F.

2.12 Bij het vaststellen van de onderhavige aanslag heeft de inspecteur belanghebbendes vermogen berekend op een bedrag van in totaal f. 1.972.282,-- bestaande uit:

waarde onverdeelde boedel f. 1.897.300,--

waarde eigen woning (60% van de WOZ-waarde) f. 396.600,--

waarde andere eigen woning f. 264.500,--

waarde aanmerkelijk belang F f. 200.000,--

verminderd met:

schuld aan F f. 586.118,--

ondernemingsvrijstelling f. 200.000,--

2.13 Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak de aanslag en de boete gehandhaafd.

3. Het geschil.

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of de aanslag door de inspecteur op het juiste bedrag is vastgesteld alsmede of terecht een boete van 50% is opgelegd.

4. De standpunten van partijen.

Belanghebbende heeft op gronden, gelijk vervat in zijn beroepschrift en mondeling ter zitting, het standpunt ingenomen, naar het hof begrijpt, dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het door mevrouw C gelegde beslag op alle bezittingen, zodat er fysiek de mogelijkheid tot aantonen van de door de inspecteur gevraagde gegevens ontbreekt. Tevens stelt belanghebbende de geldlening eigen woning nader op een bedrag van f. 1.000.000,--.

Hij komt tot de slotsom dat de aanslag –en daarmee tevens de boete- moet worden bepaald op nihil.

De inspecteur heeft daartegenover op gronden, gelijk weergegeven in zijn verweerschrift, de pleitnota en mondeling ter zitting het standpunt verdedigd dat het vermogen dient te worden bepaald op f. 1.972.282,--. Hij heeft daarbij op doelmatigheidsgronden de waarde van het door belanghebbende gehouden aanmerkelijk belang beperkt tot f. 200.000,--, zodat dit leidt tot een ondernemingsvrijstelling voor het gehele bedrag van f. 200.000,--. Gelet op het door belanghebbende aangegeven bedrag van nihil heeft belanghebbende, in de opvatting van de inspecteur, niet de vereiste aangifte gedaan, hetgeen omkering en verzwaring van de bewijslast teweegbrengt. De inspecteur is van opvatting dat belanghebbende opzettelijk, dan wel met voorwaardelijke opzet, de aangifte onjuist heeft gedaan, zodat een boete van 50% terecht is opgelegd.

Partijen hebben ter zitting hun onderscheidene standpunten gehandhaafd, zonder daartoe nog nadere gronden te hebben aangevoerd.

5. De overwegingen omtrent het geschil.

5.1 Gelet op de sub 2.2 tot en met 2.6 vermelde feiten betreffende de waarde van vermogensbestanddelen waartoe belanghebbende gerechtigd was, en waarvan belanghebbende bij het doen van aangifte voor de vermogensbelasting voor het jaar 2000 steeds nihil heeft vermeld, in samenhang met de sub 2.10 vermelde erkenning van belanghebbende dat de aangiften vermogensbelasting incorrect zijn gedaan, alsmede op de te dier zake in aanmerking te nemen bedragen, zowel in absolute als in relatieve omvang, is het hof van oordeel dat belanghebbende niet de vereiste aangifte voor de vermogensbelasting voor het jaar 2000 heeft gedaan.

5.2 Ingevolge het bepaalde in artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (tekst 2004) verklaart het gerechtshof alsdan het beroep ongegrond, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

5.3 Vast staat dat de inspecteur bij de aanslagregeling is uitgegaan van de waarde van de onderscheiden vermogensbestanddelen zoals die blijkt uit de later door belanghebbende verstrekte gegevens, dan wel –betreffende de WOZ-waarde van onroerende zaken- uit renseignementen. Verder is de inspecteur voor wat betreft de waarde van het door belanghebbende gehouden aanmerkelijk belang op praktische gronden uitgegaan van een zodanig bedrag dat daardoor met toepassing van de ondernemingsvrijstelling uiteindelijk geen bedrag in de heffingsgrondslag is begrepen.

5.4 In de heffingsgrondslag heeft de inspecteur wel begrepen de WOZ-waarde ad f. 264.500,-- van de woning te M, hoewel deze woning slechts tot 1 november 1999 op naam van belanghebbende heeft gestaan en in 1999 is verkocht. Deze woning behoorde derhalve bij het begin van het kalenderjaar 2000 niet meer tot belanghebbendes vermogen en is mitsdien ten onrechte in de heffingsgrondslag begrepen.

5.5 Belanghebbende heeft, behoudens het hiervoor sub 5.4 overwogene en mede gelet op zijn erkenning bij schrijven van 3 april 2003 dat de aangiften voor de vermogensbelasting incorrect zijn gedaan, op geen enkele wijze doen blijken dat de door de inspecteur in aanmerking genomen waarden van vermogensbestanddelen onjuist zouden zijn.

5.6 Belanghebbende heeft bij het schrijven van 3 april 2003 nog gesteld dat in het jaar 1999 aan alimentatie voor mevrouw C een bedrag van f. 1.000.000,-- is vergoed. Hij verbindt daaraan kennelijk de gevolgtrekking dat mede hierdoor het belastbaar vermogen op nihil moet worden gesteld.

5.7 Voor vergoeding van voormeld bedrag van f. 1.000.000,-- in welke vorm ook is echter in de stukken geen aanknopingspunt te vinden. Ook heeft belanghebbende, op wie te dezer zake de bewijslast rust, daaromtrent geen bewijzen verschaft.

5.8 De omstandigheid dat het voor belanghebbende fysiek onmogelijk was bewijsstukken die zijn stellingen zouden onderbouwen te verschaffen wegens beslag op zijn bezittingen, dan wel een door een verhuisbedrijf ingeroepen retentierecht, maakt het vorenstaande niet anders, nu die omstandigheid voor rekening van belanghebbende dient te komen.

5.9 Nu belanghebbende aldus, behoudens het sub 5.4 vermelde, niet heeft doen blijken dat en in hoeverre de door de inspecteur in aanmerking genomen waarden van vermogensbestanddelen onjuist zijn, en betreffende het door hem gestelde ten aanzien van het bedrag aan alimentatie ad f. 1.000.000,-- niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, dient het bij de aanslagregeling vastgestelde vermogen slechts te worden verminderd met f. 264.500,--.

5.10 Gelet op het uiteindelijk vastgestelde vermogen, de aangifte van nihil en het zowel relatief als absoluut daartussen bestaande verschil in grootte, alsmede de erkenning van belanghebbende dat de aangifte incorrect is gedaan, acht het hof de door de inspecteur opgelegde vergrijpboete van 50%, gegrond op opzet of voorwaardelijke opzet van de zijde van belanghebbende, passend en geboden. In aanmerking genomen de sub 5.9 genoemde vermindering van het vermogen dient de boete eveneens te worden verminderd met 0,7% x 50% x f. 264.500,-- ofwel met f. 925,--.

5.11 Het beroep is derhalve gegrond.

5.12 In de omstandigheden van het geval vindt het hof aanleiding op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht de inspecteur te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Daar deze kostenveroordeling reeds is bepaald bij de tegelijkertijd met de onderhavige zaak behandelde procedure inzake de inkomstenbelasting, met kenmerk BK 402/04, zal het hof in de onderhavige zaak deze kosten bepalen op nihil.

6. De beslissing.

Het hof

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

vermindert de aanslag tot een aanslag naar een vermogen van f. 1.707.782,-- (€ 774.957,--);

vermindert de boete tot een boete van f. 5.277,-- (€ 2.394,--);

gelast dat het betaalde griffierecht ad € 37,-- aan belanghebbende wordt vergoed door de Staat der Nederlanden;

veroordeelt de inspecteur de kosten aan belanghebbende te vergoeden, die deze heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, te bepalen op nihil en

wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te dragen.

Gedaan op 2 juni 2006 door mr. F.J.W. Drion, raadsheer en voorzitter, mr. J. Huiskes, raadsheer, en mr. H. Bakker, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. Vijver en ondertekend door de voorzitter en de griffier.

Op 7 juni 2006 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.