Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2006:AX6557

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
19-04-2006
Datum publicatie
02-06-2006
Zaaknummer
WAHV 06-00147
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen prematuur beroep in de zin van art. 6:10 Awb.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:10, geldigheid: 2006-04-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 06/00147

19 april 2006

CJIB 79079295456

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Breda

van 25 oktober 2005

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Breda niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Op 6 april 2006 heeft het hof van de betrokkene een ongedateerd schrijven ontvangen. Aangezien dit schrijven na afloop van de schriftelijke fase is ingekomen zal het hof hierop geen acht slaan.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge artikel 14, eerste lid, WAHV in verbinding met de artikelen 6:24, 6:7 en 6:8 Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het hoger beroep te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de bestreden beslissing aan de betrokkene is toegezonden. Voorts bepaalt art. 6:9 Awb dat het beroepschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen, alsmede dat bij verzending per post het beroepschrift tijdig is ingediend, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

3.2. Het beroepschrift, gedateerd 8 december 2005, is blijkens een daarop gesteld stempel op 23 december 2005 bij de rechtbank Breda ingekomen. Aangezien de bestreden beslissing blijkens een daarop gesteld stempel op

28 oktober 2005 aan de betrokkene is verzonden, liep de beroepstermijn af op 9 december 2005. Derhalve is het beroepschrift niet tijdig ingediend, terwijl niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de betrokkene in verzuim is geweest.

3.3. De betrokkene voert aan dat hij het beroepschrift wel degelijk tijdig heeft verstuurd en is van mening dat de vertraging in de postbezorging niet voor zijn rekening dient te komen. Voorts stelt hij "vanaf het begin van alle correspondentie beroep te hebben aangetekend tegen alle drie de beschikkingsnummers".

3.4. De envelop waarin het beroepschrift is verzonden is blijkens het daarop geplaatste poststempel op 21 december 2005 en derhalve ruimschoots na afloop van de beroepstermijn afgestempeld, zodat het betoog over tijdige verzending niet kan worden gevolgd.

3.5. In het dossier van de zaak van de betrokkene met hofnummer 05/00936, waarin dit hof eveneens vandaag uitspraak doet, bevindt zich een beroepschrift d.d. 26 juli 2005 betreffende een drietal beschikkingsnummers. In twee van deze zaken, waaronder de onderhavige zaak met beschikkingsnummer 79079295456, was er echter op dat moment nog geen uitspraak van de kantonrechter. De griffier van het hof heeft de betrokkene bij brief van 9 augustus 2005 laten weten dat hij voor wat betreft deze twee zaken een afschrift van het beroepschrift heeft doorgezonden naar de officier van justitie te Breda met het verzoek de behandeling over te nemen. Nu uit de stukken geen feiten of omstandigheden blijken op grond waarvan de betrokkene redelijkerwijs kon menen dat de kantonrechter in de onderhavige zaak op of omstreeks 26 juli 2005 reeds uitspraak had gedaan, kan het beroepschrift d.d. 26 juli 2005 niet geacht worden alvast te zijn gericht tegen de in de onderhavige zaak bestreden beslissing van de kantonrechter. Het hof is dan ook in navolging van de advocaat-generaal van oordeel dat geen sprake is van een prematuur maar toch ontvankelijk beroep in de zin van artikel 6:10 Awb zodat het betoog van de betrokkene faalt.

3.6. Gelet op het vorenoverwogene zal het hof de betrokkene niet-ontvankelijk verklaren in zijn beroep.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Wagtendonk, in tegenwoordigheid van De Ruijter als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.